|
Westvlaanderen tracht drie nieuwe waterwegen te bekomen. Twee,
die nu ter studie zijn bij de bevoegde overheid, en die van
meer plaatselijk belang zijn, vermits zij het nijvere
Rousselaere, het “kleine Antwerpen”, met de Noordzee
zullen verbinden, eenerzijds langs Diksmuide met den
Yzer naar Nieuwpoort, anderzijds langs Brugge
naar Zeebrugge (zie stippelijn op de
kaart); de derde, van meer
algemeen belang, vermits zij de verbinding vormt tusschen
Noordzee en Yzerkom met de Leie- en Scheldekom. Deze is reeds
sedert meer dan twee eeuwen ontworpen, sedert vijftig jaren ter
studie en in uitvoering, en nog niet voltooid en
afgewerkt. Een
echte vermaarde vaart is dus wel de vaartweg van Yper naar
Komen-aan-de-Leie!..
Indien wij oude overleveringen en oorkonden moeten gelooven, dan
zou het ontwerp de Yperleet aan de Leie verbinden,
reeds in 1667 te Yper ontstaan zijn. Doch alhoewel de
verschillende Stadsbesturen, die Vlaanderen opvolgentlijk
beheerden, zich met die zaak bekommerden, kwam men toch nooit
tot een eindbesluit.
Eerst in de 2e helft der 19e eeuw zouden er ernstige pogingen
aangewend worden tot het verkrijgen van die vaart. Men zag nu
eindelijk in van welk groot belang het zou zijn voor handel en
nijverheid, de Leie- en Scheldekom ―dus gansch het Noorden met
zijne belangrijke nijverheidsstreken en zijne uitgebreide
kolenmijnen, alsook Henegouwen dat onder opzicht van nijverheid
en koolontginning aan Frankrijks Noordergouw niets te benijden
had― te verbinden door eenen waterweg met de Yzerkom, dus met
de Noordzee langs Nieuwpoort ―de eenige natuurlijke kusthaven
van ons land― en verder met Engeland...
Zulke ontzaglijke voordeelen eischten het graven van een vaart
die slechts een lengte van 18 kilometers bedroeg. Een kinderspel
voor de mannen van onze Waterstaat, zou men meenen.
Op 1 Mei 1959 drukte het Ypersch gemeentebestuur daarvoor eenen
wensch uit, bekrachtigd door den Gouwraad van Westvlaanderen op
17 Juli, en naar de Regeering gestuurd op 24 Juli. Dit was het
begin der pogingen die eene eerste bekroning te gemoet gingen;
immers van 1862 werd het maken van de vaart van hoogerhand
beslist. Doch, 't was enkel op 23 Januari 1864 dat de uitvoering
toegekend werd aan de firma Bucher en Van Eecke.
Als eene eigenaardigheid mag aangestipt worden, dat een gedeelte
van die 18 kilometer lange vaart “overdekt” moest blijven.
Eind 1864 was men reeds bezig aan het boren van dien 700 meter
langen tunnel, die de vaart, dwars door den “grooten teen” van
Westvlaanderen's klein Zwitserland, t.w. door den voet van
de heuvelreeks die bestaat uit den zwarten berg, den roden berg,
den scherpenberg, den Kemmelberg, den Catsberg, enz., en die de
Yzerkom van de Leiekom scheiden, moest leiden.
De werken duurden negen jaren; doch de moeilijkheden die men
onvoorziens ontmoette, waren zoo talrijk en zoo groot dat de
ondernemers het werk onvoltooid lieten liggen, nadat zij er
gansch hun vermogen aan verspeeld hadden.
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
Twee jaar later ―na dien gedwongen stilstand― herbegon weer
op 9 September 1875 het lastig spel van aanvragen,
smeekschriften en onderhandelingen met de hoogere besturen, dat
zes jaar lang zou duren om te eindigen met een verdrag begonnen
op 31 December 1881 en gesloten, vijf jaar later eerst, op 9 Mei
1886, door de goedkeuring van een Koninklijk besluit.
In 1887 herbegonnen eindelijk weer de werken; de tunnel werd
voltooid op 9 Juni 1892 en heel de vaart voleindigd op het einde
van dat jaar...
Eilaas, zeven maanden later reeds, op 28 Juli 1893 ―een dag
van verstomming en wee voor 't Westland― stortte de tunnel
in!
Men gaf echter den moed niet op.
In 1896 werden nieuwe voetstappen aangewend; 't kostte moeite,
men kan het wel denken, om de regeering weer in gang te krijgen.
Maar toch, 't ging; in 1902 werd eene eerste som van 200.000 fr.
door den Staat beschikbaar gesteld om voorafgaande studieën te
beginnen. In 1910 werd de hervoltooiïng van de vaart gestemd
en de werken toevertrouwd aan de firma Monnoyer.
Dezen keer werden de plannen helemaal veranderd - geen tunnel
meer, maar een waterweg in open lucht op gansch den doortocht;
dit zou eenige sluizen meer vragen. Op 3 November laatst deed
men, met behulp van 4.000 kil. Turpin's ontploffingspoeder,
den gebarsten tunnel heelemaal uiteen springen... En nu met een
nieuwen moed vooruit; de vaart gegraven en verdiept, sluizen
gebouwd, bruggen gelegd, en de glooiïngen versterkt met
gewapend beton... Helaas, enkele weken geleden graakten meer dan
15.000 kubieke meters aarde in beweging; en op eene lengte van
300 meters werden de versterkingen in gewapend beton
verbrijzeld.
Die lijdensgeschiedenis, die ongelukken kennen al een en
dezelfde oorzaak: de bovenste grondlaag is doordringbaar, de
onderste integendeel schier ondoordringbaar, zoodat het water,
in den regentijd door de bovenste laag sijpelend, blijft staan
op de onderste grondlaag; en, gelijk in het liedje, de bovenste
“gaat aan het zwemmen”, alles verbrijzelend onmeedoogend wat
op of in haar staat of steunt.
Men kan allicht denken dat al wat beenen en bevoegdheid had in
den Waterstaat weer naar Hollebeke snelde om te bestatigen hoe
de natuur met het meeste gemak van de wereld, hunne beste
berekeningen scheef deed uitkomen.
Het schijnt ―'k heb het mij laten zeggen― dat, na een
grondig onderzoek, de heren tot het verheugend besluit gekomen
zijn, dat alle hoop ver is van buitengesloten te zijn, dat de
schade, alhoewel aanzienlijk, rap en goed te herstellen is, en
dat de groote brug van Hollebeke ―die midden den ingezakten
grond staat― volstrekt niet geleden heeft, dank aan de
voorzorg haar steuners op den ondergrond te doen rusten hebben,
negen meters onder de beddiepte van de vaart, kortom dat alles
weer gauw gered zal zijn.
Met nieuwen moed is men weer aan het herstellen en voltooien, opdat, ten langen laatsten, na
twee eeuwen denken en een halve eeuw werken, toch eindelijk de
Noordzee en de Yzerkom verbonden zouden zijn aan de Leie- en de
Scheldekom “tot eer en profijt van ons land”!
Dr H. A.
|