|
De oude Grieksche spreuk “Leer u zelven kennen.” zagen we ook weer
prijken in bovengenoemde tentoonstelling. Zouden de heeren advocaten
zich die spreuk bijzonder willen toeëigenen? Doorgaans hoort
niemand gaarne kwaad van zijn vak zeggen1; de
gerechtsdienaars ―integendeel, hoe meer hoe liever― bazuinen
zelf hun leed uit aan al wie 't hooren wil.
Zoo werden er door de discipelen van Cujas tentoonstellingen
ingericht; van rechterlijke karikaturen, van rechterlijke
documenten, enz. en zij maken dan van de gelegenheid om al hunne
spotternijen, beoordelingen en betrachtingen, onder min of meer
geestige vormen aan het publiek bekend te maken. Dat dit weer het
geval was met de tentoonstelling, welke nu pas gesloten is, te
Antwerpen; voor onze goede burgers werd er nogmaals een hoekje
van moeder Justicia's mantel opgelicht.
Wij deelen hier eenige specimen's mede: Nummer een is de inzending
van een ... bewonderaar van Justicia! De man (geen rechtsgeleerde,
maar die toch ook de menschen wel eens aan den tand voelt), heeft
zeker fel te klagen over den loop van het Gerecht, want hij stelt
ons hier vrouw Justitia voor,
geblinddoekt natuurlijk, en gezeten op eene schildpad, die
vooruitgetrokken wordt door eenen ... gendarm, het enigste element
dat, volgens de inzender, aan het gerecht wat ontzag bijzet, en zijn
slakkengang min of meer kan doen verhaasten; het gespan wordt
tegengehouden, langs de eene zijde door den rechter en langs de
andere door den advocaat! (Hoed af, mijnheeren.) Heel de groep
struikelt over allerlei hinderpalen: geld, champagne, schoone
geslacht en wat dies meer.
Onze konfreers kennen niet alleen de misdaden en delikten in de
abstrakte vormen der wetsbepalingen, doch zien ze maar al te vaak
belichaamd ter zitting.
Nummer 2 en 3 zijn penteekeningen van den carricaturist Albert Collin; zij stellen voor: de echtscheiding, en de eerroof en de kwaadsprekerij. M. Collin heeft op
dergelijke wijze alle mogelijke wanbedrijven behandeld.
Nummer vier laat ons een advocaat zien
door zijne pleidooi geheel ingenomen. In de Comedie doet de mimiek
veel; hier is dat ... overtuiging die zich lucht geeft. Meester X
zet met klem en kracht het voorwerp der betwisting uiteen; daarna
ontvouwt hij een voor een zijne argumenten; dan roept hij hoog en
triomfantelijk zijn goed recht uit; eindelijk is hij aan zijne
sluitrede en vraagt zich af, of nu in den geest der rechters nog
eenige twijfel zou kunnen bestaan.
Er was daar ook een zeer oude penteekening, toebehoorende aan de
balie van het Verbrekingshof, welke al de mogelijke en onmogelijke
typen van advocaten in hun meest psychologisch moment weergaf.
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
Die penteekening, welke aan menige onzer nu reeds befaamd
geworden Meester doet denken moet waarschijnlijk gemaakt zijn
ten tijde dat Tony Bergman zijn “Ernest Staas” schreef.
“Er bestaan advocaten die minister worden ... zelfs minister van
openbare werken ―een advocaat is voor alles bruikbaar―; doch er
bestaan veel meer advocaten die hun leven slijten met de openbare
werken kosteloos te bezichtigen. Men vindt groote, maar ook kleine
advocaten; verhevene, doch ook lage; vlugge en veel trage advocaten;
advocaten van wie geheel het land spreekt, en advocaatjes van wie
niemand gewaagd; welsprekende, diepzinnige, voorzichtige, eerzame,
eervolle, eerbare, eerlooze, en ... zelfs eerlijke advocaten;
advocaten die scherp, stekend, bijtend spreken, en anderen wier
woord als honig vloeit!”
't Schijnt dat onze meesters toch niet al te veel vertrouwen hebben
in hun eigen talent, te oordeelen naar de spreuk, die in een der
zalen te lezen stond: “Om een proces te winnen moet men hebben, ten eerste, een goede advocaat, ten tweede, een goede rechtbank, ten derde, een goede zaak, maar vooral ... veel geluk!” Bericht aan
diegenen, die niet tevreden zijn over de uitslag van hun proces...
Nummer 5, eindelijk, is eene herinnering aan de oude vierschaar, of oude Rechtbank van Antwerpen,
waarover Mter Schiltz in eene der plechtige openingszittingen
van de Vlaamse Conferentie der Balie eene geschiedkundige
uiteenzetting deed, en waarin hij o.a. terug voor de inbeelding der
toehoorders het berucht proces van Simon Turchi deed
afloopen.
De tentoonstelling werd geopend door de minister van Justitie, die
er waarschijnlijk toch niet te veel graten zal in gevonden hebben,
dat onze Meesters, bewust hunner eigene onvolmaaktheden, elkaar nog
al eens duchtig den frak konden uitkloppen.
“En waarom zouden ze dit niet doen?”, zegde Mter Picard, die
tijdens de tentoonstelling eenige anecdoten uit zijn beroepsleven is
komen vertellen “Zij beter dan wie ook, zien maar al te wel, dat
zij maar menschen zijn, zooals de anderen, al verduikt de toga in
hare breede plooien zooveel hunner zwakheden.”
Ken U zelven, 't is misschien wel het eenigste middel om U zelven te
beteren... Hij kon weer eens ingrijpen in het diep menschelijke,
Picard, toen hij sprak over zijn patroon, den groote Lejeune;
hij deed hem weer leven, den uitnemenden jurist; hij deed hem zweven
rondom hem, want zoo'n man sterft niet! 't Was weer Picard, met
zijne bekommernissen over het hiernamaals, twijfelende, zoekende ...
en onrustig schuddebollend. En dan kwam zijne samenspraak met
Woeste weer voor den dag, over het stilaan nakende einde.
Dat was de ontvouwing van eenen zielentoestand, treffender om naar
te luisteren dan naar veel andere schoone woorden, die we tijdens de
tentoonstelling hebben gehoord.
A.D.
|