|
Körner werd den 23en Sept. 1791 te Dresden geboren,
schreef gedichten en drama's, was als Keizerlijk Koninklijk
Hoftooneeldichter aan den Weener Schouwburg verbonden, trok als
vrijwilliger in den Duitschen Bevrijdingskrijg tegen
Napoleon op, vervaardigde patriotische liederen, sneuvelde
den 26en Oogst 1813 in het gevecht bij Schwerin... En dat
is àl!
Daarmee zijn de haastigen gediend!
Wij, wij willen een oogenblik, met den hoed in de hand,
stilhouden bij het graf van onzen held, eenen echten held in den
zin des woords.
In éénen adem zal u de Duitscher zijnen beroemdsten
veldmaarschalk en den twee en twintigsten dichter-vrijwilliger
noemen. Zelden heb ik boeiender, zielverheffender,
stichterlijker levensbericht dan dat van Körner
aangetroffen. Körners leven gelijkt eene idylle, die op een
treurspel uitloopt.
Groei o vrijheid der Duitsche eiken,
Groei omhoog boven onze lijken!
Vaderland, hoor den heiligen eed!
Dàt zong Körner. En werkelijk liet hij zijn leven voor de
bevrijding van den vaderlandschen bodem en werd hij onder twee
nabijstaande eiken begraven
Hier hebben wij te doen met eenen dichter die meende wat hij
dichtte. Zijn jeugdig leven, een kommerloos bestaan, eene
schitterende toekomst, teergeliefde verwanten, eene aangebedene
bruid, alles zegde hij, op het eerste klaroengeschal, vaarwel;
alles bracht hij vrijwillig op het altaar des vaderlands ten
offer. Kortom, een toonbeeld van zielenadel, een evenknie van de
heldengestalten der oudheid.
Och ja, de tijden zijn er niet naar om oorlogszuchtige stemming
aan te prikkelen. In déze dagen, beter nog dan onder Napoleon,
hadde de Musset kunnen uitroepen: “Nog nimmer werden er
zooveel slapelooze nachten doorgebracht!”
Telken morgen vraagt het angstige Europa zich af, waar of den
krijg, dézen dag wellicht, uitbreken zou. Een oorlog is eene
gruwelijke, een veroveringstocht is eene doemwaardige daad. Doch
voor zijne haardsteden vechten is boven alles prijsbaar.
Duitschlands strijd tegen Napoleon was er een om het
bestaan, om de vrijheid, om het recht. Al de Westersche volkeren
haast, wij Vlamingen erin begrepen, hebben reden om dankbaar het
jaar 1813 te herdenken. Dàt jaar werd de Korsikaansche
Gesel Gods voor 't eerst zegerijk te keer gegaan.
Met welgevallen mogen wij bij deze gebeurtenissen verwijlen.
Maar ook moeten wij bedenken dat een juk, dat met wapengeweld
opgelegd wordt, bijlange het zwaarst om dragen niet is. Wat baat
immers de vrijheid van het lijf, zoo de geesten worden gekneld?
Duizend maal erger dan krijgs- en brandschatting is zulke
dwingelandij. Daaronder immers verliest een volk langzamerhand
zijn bewustzijn en gaat het zijnen doodslaap in.
In zulk een slaap was ook ons Vlaamsche volk verzonken en nog is
het niet geheel ontwaakt. Wie zal het verder opwekken, het
wederom gezond en sterk en zelfstandig maken?
Körner mocht tot zijn vader schrijven: “Ja, de geleerdste en
uitstekendste koppen van geheel Duitschland staan naast mij in
het gelid. Men zou eene aanzienlijke lijst vullen alleenlijk met
namen van schrijvers, zoo talrijk staan zij bij de Zwarte Jagers”.
Geleerden, studenten uit Vlaanderen, hoort ge dien maanroep? Aan
gevaarlijke kogels hoeft gij u niet eens bloot te stellen. Doch,
zoo gij den moed niet bezit om, in vredestijd, met uw woord nog
maar, voor de eer van uw volk en van uwe taal op te komen, zegt
dan ook niet dat gij met de vuist en met het staal, in tijd van
nood, het vaderland verdedigen zoudt.
In 1813 was Duitschland arm, de Fransche aartsgeweldenaar had
immers heel Europa leeggeplunderd en uitgezogen. De burgers
werden dan verzocht vrijwillig bij te dragen tot het dekken der
onkosten van den opstand. Allen kweten hun plicht: goud en
juwelen, huisraad en kleederen, alles werd naar den ontvanger
gedragen.
De Pruisische majoor von Schmettau, vroeger als
invalide ontslagen, had als vrijwilliger opnieuw dienst willen
nemen doch was, wegens onvoldoende gezondheid, afgewezen
geworden. Ofschoon hij ternauwernood zijne vrouw en zijne elf
kinderen onderhouden kon, stuurde hij zijne bijdrage; het was
zelfgewonnen graan. Vrouw von Schmettau schonk het beste deksel
van het paard, elk kind gaf haar een daalder mede, vier der
dochters slechts bezaten een schamel stukje sieraad, een etui,
een doekspeld, twee paar oorringen. Toen sloop, onbemerkt, de
veertienjarige Ferdinande naar den ontvanger en bood hem, in
allen eenvoud en bescheidenheid, haar eigen blonde haarvlechten.
En in het ambtsregister van Oppeln werd onder de andere
gaven geschreven: Mej. Nanni, den prijs van heur haar, 2
daalders. Zoo luidde de schatting, doch de opbrengst was 2.000
Mark.
Ei, Vlaamsche juffrouwen, denkt niet dat ik, uit naam van het
vaderland, vragen ga, dat gij de schaar door uwe zijden lokken
zoudet laten gaan. Goddank, zoo hoog is de nood nog niet
gestegen. Doch, als ik u iets vragen mag, denkt af en toe eens
aan Fredegande von Schmettau, wanneer het den
Vlaamsch-vaderlandschen strijd geldt.
Te uwer believe schrijf ik hier iets af uit den brief dien
Körners aanminnige zuster Emma den 15en April 1808 tot haren
neef Fr. B. Weber schreef:
“Zoo gij dit politiek noemt, dat ik het warmst aandeel neem aan
alles wat mijn Duitsch vaderland betreft, zoo ben ik zeer
politisch. De liefde tot het vaderland is jammerlijk zeldzaam
geworden en wanneer men zich om dit gevoel al niet schaamt,
wordt het dikwijls uit toegeving onderdrukt, iets wat ik zeer
verkeerd vindt, daar het gewis tot de schoonste gevoelens
behoort welke het menschelijk gemoed kunnen bewegen en men zorg
moet dragen dat het niet onder den drang der omstandigheden te
loor ga!”
Dat heet gesproken, is het niet waar?
En ik kan u verzekeren dat Emma hoegenaamd geene “exentrieke”
was. Verre vandaar! Het was een voorbeeldig meisje, bescheiden,
onderdanig, huiselijk, al was zij dan ook eene schilderes, met
een prachtige stem bedeeld, en kunstvaardig op het klavier.
Schrijf gerust hare woorden in het album, al ware het maar om
uwe al te lauwe broeders te beschamen.
Toen voor onze Körner de wieg was gespreid, doopte men hem zoo
eenvoudig als christelijk: Karel. En daarmee had hij het dan ook
wel kunnen stellen. Doch naderhand werd hij, naar den wensch
zijner meter, hertogin Dorothea von Kurland, Theodoor
geheeten.
De bemoeiing dezer adellijke tante zal op den levensloop van den
dichter al niet bijster veel invloed hebben uitgeoefend. Wel
echter de belangstelling van Duitschlands meest geliefden
dichter, Fredrich von Schiller. Schiller stuurde
zijnen boezemvriend, vader Körner, bij de geboorte van diens
zoon, een allerhartelijks briefje toe om hem geluk te wenschen.
Daaruit blijkt reeds in welken kring het kind geroepen was te
verkeeren. 't Was een allerbeschaafds gezelschap. Theodoors
grootvader was plaatsnijder en onderwees in dit vak den toen
zestienjarigen Goethe. Geen wonder dus, dat de groote
Wolfgang steeds een trouw vriend van het gezin bleef. Theodoors
tante Doris en zijne zuster Emma legden ongewoon schilderstalent
aan den dag. Moeder, tante en zuster waren daarenboven begaafde
beoefenaars van toon- en letterkunde. Vader Körner zelf
studeerde grondig orgel en klavier, en zulks bij niemand minder
dan Johan Sebastian Bach. Later schepte hij er het grootste
behagen in onder zijne huisgenooten kleine koncerten te
houden.
Op geregelde dagen verkeerde bij de Körners al wat
Dresden aan geleerden en kunstenaars, letterkundigen,
ambtenaars en officieren telde. Het huis van Theodoors ouders
was eene uitzondering in opzicht van ongedwongenheid en fijne
vormen tevens. Daar vielen de sluitboomen die elders nog steeds
de standen zoo onverbiddelijk van elkander scheidden, en daar
spreidden de geestige vrouwen al de schatten harer luim en
gemoed ten toon.
Daar ook stapten bij voorkeur alle voorname vreemdelingen af.
Daar bracht Mozart de eerste maal zijn “Don Juan” in het
openbaar ten gehoor. Daar zong de Italiaan Pear, later door
Napoleon als orkestmeester naar Parijs ontboden, met de dames
van den huize, brokken uit zijn “Sargino”. Daar nog hield zich
de groote Deensche dichter Œlenschl"ager op.
Verder stonden in druk verkeer met Körners gezin: Heinrich von Kleist, Novalis, de Schlegels, de Humboldts,
Tieck, Schleiermacher, de la Motte Fouqué,
Achim von Arnim, Arndt en tal andere sterren van
eerste gehalte aan den Duitsche letterhemel.
En van geen dezer bijeenkomsten bleef de jonge Theodoor
uitgesloten. Pas tien jaar oud, droeg hij reeds zelf iets voor.
Op zijn dertiende jaar gaf hij eene heele reeks vertalingen van
Anakreon ten beste. Rond hetzelfde tijdstip, op eenen avond
waarop brokken uit Lessing, Schakespeare, Goethe en
Schiller, met verdeelde rollen, voorgedragen werden, trad hij
zelf als het zoontje van Willem Tell op.
Ondanks eene zoo ongemeene ontvankelijkheid voor het schoone was
en bleef vader Körner steeds, zoo buiten als binnen zijn ambt,
de nauwgezette en praktisch aangelegde raadsheer bij het
Opperberoepshof.
Gestadig was hij om de toekomst van zijn zoon bekommerd. Steeds
had hij er zich op toegelegd dezes studiën zóó te richten,
dat het praktische ervan het evenwicht herstellen zou, hetwelk,
door Theodoors te sterke neiging naar het poëtische, in gevaar
werd gebracht.
Later zou hij hem eens schrijven: “Te beklagen is elkeen die
van de Muze zijn onderhoud verwacht. Den man voeden, dat moet
zijn beroep, en daartoe ook moet de jongeling zich voorbereiden.
Tot de Kunst drijft hem de liefde en wat zij hem daarvoor
teruggeeft, heeft hij enkel als geschenk te aanvaarden; maar
nooit heeft hij op eene vergoeding te rekenen.”
Hoezeer moet de man dan wel in zijn schik zijn geweest, toen
zijn Theodoor, in den zomer van 1808, naar de Freibergsche
hoogere Mijnenschool trok. De studie van het mijnenwezen
vorderde immers uitgebreide wiskundige kennissen. En die zouden
de ontstuimige verbeelding des jongelings wel in den toom
houden.
Na eenige maanden vlijtige waarneming van het mijnenvak,
gevoelde Theodoor meer trek tot de hulpwetenschappen. Hij wilde
naar Tübingen, hij zou zich daar op de natuurstudie
toeleggen. Tusschen Theodoor en zijnen vader heeft er steeds
zulke wederzijdsche openhartigheid en ook zulk wederzijdsch
vertrouwen bestaan dat men daarvan bezwaarlijk een weerga zoeken
zou - daarvan getuigen hun brieven. Theodoor zette dus zijn
voornemen uiteen, vader stemde toe, gaf wijzen raad, doch
overstelpte zijn zoon niet met vermaningen.
Deze stortte zich hals over kop in de natuurstudie, beklom
bergen en rotsen en staalde onder den vrijen hemel zijn reeds
zoo krachtig gestel. Voorzeker zal de jeugdige natuurvorscher
het met zijn vak ernstig gemeend hebben. Als ontdekkingen echter
zal hij van zijne tochten voornamelijk wel fraaie uitzichten
hebben meegebracht. Zijn buit moet wel met een vlindernet te
vangen zijn geweest. Want het regende sonnetten en vlotweg
arbeidde hij, tusschendoor, aan zijn dramatisch gedicht “De
Hermansslag”.
In plaats van naar Tübingen, was hij, altijd met goedvinden
zijner ouders, naar Leipzig gaan voortstudeeren. Hier
voelde hij stilaan zijn geestdrift voor natuurstudie teenemaal
uitdooven en bepaalde hij er zich bij de staathuishoudkunde
geheel te doorgronden. Weldra was hij in het rumoerig
studentenleven geheel opgegaan. Met spierkracht en met
bedrevenheid in elke soort lichaamsoefening toegerust, wakker en
vurig van aard, stond hij onmiddelijk aan de spits zijner
makkers.
Korts daarop werden twee korpsen, ongelukkigerwijze in het
openbaar, handgemeen. Dit veroorzaakte dat student Körner, met
arrest en verbanning bedreigd zijnde, verkoos het Leipziger stof
van zijne vrije schoenen af te kloppen.
Heelhuids kwam onze schermmeester te Berlijn aangeland.
Hier werd hij door de koorts aangetast.
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
Doch, na eenige dagen
rust te Karlsbad, was hij geheel opgeknapt. Van daar uit
wenschte hij den Rijn te gaan begroeten en naar
Heidelberg te gaan voortstudeeren. Zijn vader wist hem
echter te overreden om naar Weenen over te steken, alwaar
hij hem goed geborgen achtte ten huize van Wilhelm von Humboldt, den Pruisischen gezant, en bij den geleerde
Friedrich von Schlegel, beide vrienden van den huize.
Zoo geraakte alles wederom in de beste orde.
Doch Theodoors dichterstemperament begon hier alras van her en
geducht te spoken. “Studeer bij Humboldt de natuurwetenschap,
of studeer, mijnentwegen, bij Schlegel de geschiedenis, dat komt
toch steeds den dichter te stade” had vader geschreven. Te
vergeefs! Met de studentenstandjes zou het wel degelijk uit en
amen zijn. Doch met de practische studie wilde het nog maar niet
vlotten.
“Rechtuit, ik word elken dag meer overtuigd, dat eigenlijke
Poëzie datgene is, waartoe God me op de wereld zond”, zoo
schreef hij den 6en Januari 1812. Nogmaals waarschuwt de vader
tegen gemis aan volharding. Doch reeds is het lot van zijn zoon
beslist. “Ik ben voornemens”, had deze geschreven, “dezen
Winter het Weener tooneel en mijne Muze tot het openen mijner
dramatische loopbaan te benuttigen.” En zie! In Januari worden,
met bijval, “De bruid” en “De groene Domino” van hem
gespeeld. Minder dan drie maanden later komt zijn “Toni” voor
het voetlicht. Dit stuk verwekt een haast ongehoorden
geestdrift. De twintigjarige schrijver wordt op het tooneel
geroepen. Goethe laat “Toni”, alsmede “De Verzoening” te
Weimar opvoeren, en stuurt over beide stukken en over den
bijval ervan het verheugendste bericht naar Dresden.
“Toni” verbeeldde nochtans voor den dichter oneindig meer dan
eene literarische triomf. Het was zijne morgengave voor de
uitverkorene zijns harten. Voor haar schreef hij het stuk en met
haren naam betitelde hij het. Antoinie Adamberger hiet zij
en zij was eene begaafde kunstenares, een bevallig jong meisje,
het troetelkind van het Weensche volk. Zij speelde in “Toni”.
Men oordeele nu niet lichtvaardig over Körners keuze. In
Duitschland, ten dien tijde vooral, was de tooneelistenstand
volstrekt niet wat hij elders was of later worden zou. Die stand
genoot daar toen zulk een aanzien dat voorname, ja, adellijke en
prinselijke lieden hem veeleer zochten dan vermeden. Over
Antoine Adamberger werd gezegd dat zij een “dragon de vertu” was, iets wat ongeveer met “kwezel” gelijk staat.
Gewichtiger is de getuigenis van vader Körner. De treffelijke
en ervaren man zou voorzeker geene onwaardige schoondochter
aanvaard hebben. “Een aanminnig wezen, als het ware door den
hemel tot zijn schutsengel bestemd, boeide hem door de
bekoorlijkheid van gestalte en ziel” zoo spreekt hij van
Theodoors verloofde. De ouders waren naar Weenen gekomen, en
verlangden van stonde aan even vurig als de jonge lieden dat het
spoedig tot een echtverbintenis komen zou.
Vader was met de letterkundige loopbaan zijns zoons verzoend.
Weldra zou zijn laatste achterdocht voor goed moeten wijken. Met
“Zriny” behaalt Theodoor, behalve eenen stormachtigen bijval,
het ambt van Keizerlijk Koninklijk Hoftooneeldichter.
Mis 1500 gulden 's jaars had hij twee groote en twee kleine
tooneelstukken te leveren. Bovendien genoot hij afzonderlijke
vergoeding voor elk boventallig stuk en had hij recht op
pensioen.
Maar, evenals in een treurspel, betrok het zwerk, dàn juist
als Körners gelukzon haar zenith bereikt had. In het Oosten
rommelde de donder: het waren de kanonnen van het Fransche leger
op den aftocht uit Rusland.
Toen, in 1812, Napoleon tegen Rusland optrok, was alles wat
langs den linker Rijnoever en langs de Noord- en Oostzeeën lag
bij Frankrijk ingelijfd. Westfalen was tot koninkrijk
uitgeroepen en aan 's Keizers broeder Jerôme geschonken.
De andere Duitsche vorsten waren, nolens volens, een zoogenaamde
“Rijnbond” toegetreden. Eigenlijk waren zij slechts vazallen
des Keizers. De Rijnbond was gehouden de Keizer in al zijne
oorlogen bij te staan, ook tegen de twee nog recht gebleven
Duitsche staten: Pruisen en Oostenrijk.
De Rijnbond zond dus zijne soldaten, eigen landskinderen, uit om
Pruisen te helpen onderdrukken. Pruisen verloor de helft van
zijn grondgebied en moest, daarna, zelf eene legerafdeeling voor
den veldtocht tegen Rusland leveren.
Alle hoop scheen opgegeven.
De meesten waren moedeloos, velen, regeerinshoofden vooral,
hadden het besef hunner eigenwaarde verloren.
Denkers en dichters dweepten nog maar al te vaak met de
achttiendeeuwsche begrippen over wereldburgerschap en wat
dies meer.
Ergens toch waren vrijheidszin en vaderlandsliefde nog levendig.
Pruisens hoofdstad, Berlijn, was het broeinest van den
opstand.
De Berlijnsche Universiteit, in Duitschlands donkerste dagen
door Wilhelm von Humboldt gesticht, zou de grondvest leggen van
het heropgerezen Duitsche rijk ― evenals de Vlaamsche
Hoogeschool de hoeksteen onzer toekomstige volkszelfstandigheid
zal zijn.
Te Berlijn stroomden de grootste vernuften, de edelste denkers
te samen. Berlijk trok, als eene magneetnaald, de verlichte
Duitschgezinden tot zich.
Het waren daar geleerden die niet aan eigen roem of baat
dachten, maar, hunne hooge zending bewust, hunne kennis en
wetenschap voor hun land en voor hun volk aanwenden wilden.
Te Berlijn trof men aan: Schleiermacher en Fichte, den
dichter Ernst Moritz Arndt, Turnvader Jahn en zooveel
anderen meer nog. Staatsmannen, als Stein, sloegen de beweging
gade, Scharnhorst en Gneisenau zorgden voor de
legerinrichting.
Generaal Yorck, die de Pruisische afdeeling van het
Fransche leger tegen Rusland had moeten aanvoeren, was de eerste
die het waagde Napoleon af te vallen. Na rijp wikken en wegen
achtte hij het oogenblik gunstig om den dienst van den
overweldiger op te zeggen.
Moskow smeulde nog en de Berezina was nog met lijken
en krengen gestremd. Yorck sloot met den Russischen keizer
eene overeenkomst1,
krachtens dewelke zijne Pruisische troepen zich eenzijdig
zouden houden en op Oost-Pruisen aftrekken. Deze overeenkomst
sloot de moedige veldheer op eigen gezag, zonder zijnen vorst
te raadplegen.
Frederik Wilhelm, een wakker mensch,
doch zonder breede opvatting en aarzelend waar het op doortasten
aankwam, kon nooit beter gediend worden dan door Yorck's
heldhaftigen staatsgreep. In zijn hart zegende hij dezen koenen
degen...
Doch nog immer zat hij in zijne residentie, als een vogel in
zijn kooi, dag en nacht door den Franschen gezant bewaakt.
Voor de leus moest hij zijne trouwste helpers afkeuren.
Een schrijven van Keizer Alexander stak hem een riem onder
het hart, om zich te Breslau te gaan vestigen. Daar, in de
nabijheid van Rusland, was er geene Fransche bezetting.
Daar traden dan ook de mannen van de daad op. Scharnhorst nam de
voorhand, met het oproepen van vrijwillige Jagerskompagnieën.
Op het einde van Februari 1813 werd een verbond met Rusland
gesloten en voortaan gaf de Koning tot openbaar handelen oorlof.
Yorck had den aanstoot gegeven. Oost-Pruisen had reeds naar de
wapens gegrepen. Duitschlands Bevrijdingskrijg ving aan.
Met Nieuwjaar 1813 had Körner in zijnen gelegenheidsbrief tot
zijn vader geschreven: “Het komt mij voor alsof het een
beteekenisvol jaar worden zal; de mensch zal moeten pal staan
en misschien gaat het aan den gang... afwachten!..”
Den 6en Januari schrijft hij over zijn levensplan en voegt daarbij:
“Het ―zijn levensplan― kon slechts door een oorlog
tusschen Frankrijk en Pruisen gewijzigd worden, in welk geval,
moest het ooit tot een volksopstand komen, ik mijne Duitsche
afkomst zou moeten toonen en mijn plicht kwijten. Men spreekt
zooveel over de vrijheid en blijft achter de kachel zitten. Ik
weet wel dat ik den doorslag niet geven zou; maar als iedereen
zoo denkt moet het geheel ten gronde gaan. Men zal wellicht
opwerpen dat ik tot wat beters bestemd ben; maar er is niets
beters dan voor datgene te strijden of te sterven wat men het
hoogste in het leven erkend heeft. Ik zou u menig droevig uur
kosten; maar de daad ware niet goed, indien zij niet een offer
vergde. U onrustige minuten veroorzaken, is het drukkendst
gevoel voor mij. Mijn gerust geweten alsdan ten offer brengen,
ware de hardste kamp, dien ik hooger stellen zou dan dat beetje
leven, dat ik daarbij inschieten kon...”
Om ten volle de waarheid dezer verhevene woorden te schatten,
neme men in acht dat zij dagteekenen uit den tijd waarop
Körner in lichtelaaien liefdegloed voor zijne Antonie
ontbrandde en hij als dramatische dichter een weg begon te
banen.
Den 27en Januari schrijft hij: “Een groot oogenblik des levens
is nakend.” En daar zijn vader hem niet begreep of niet
begrijpen wilde, schreef hij terug: “Mijn paar woorden op het
einde van mijn vorig schrijven, heeft vader gansch verkeerd
begrepen. Ik had den grooten strijd op het oog.”
Vader wil zijn zoon nog tegen onbezonnenheid waarschuwen. Te
laat! Theodoors besluit is reeds genomen. De 10en Maart schrijft
hij: “... Ja, liefste vader, ik wil soldaat worden...” En
verder luidt het in dien brief: “... Misschien maakt uw
omgekocht vaderlijk hart u wijs: Theodoor is tot grooter
doeleinden hier, hij had op een ander gebied iets van meer
gewicht, van grooter betekenis kunnen leveren, hij heeft met de
menschheid nog een zware rekening te vereffenen. Maar, Vader,
mijne meening is deze: om als offer te sterven voor de vrijheid
en voor de eer zijner natie is niet één te goed, wel echter
zijn velen daarvoor te slecht!..” En verder nog: “Moet ik in
laffe geestdrift mijnen zegevierende broeders mijnen jubel
nadreunen? Moet ik kluchten schrijven op het spottooneel,
wanneer ik mij den moed en de kracht toeken, om op het tooneel
van den ernst mede te spreken?”
Een paar dagen later staat hij als vrijwilliger bij de Zwarte
Jagers van Majoor von Lützow in het gelid.
Alras zong heel het korps Körners liederen. Dezes dichtader
welde mild, en terwijl de makkers in uitgelaten drinkgelagen
hunnen overmoed den vrijen teugel gaven, sloop hij langs
lommerrijke paden, droomend en dichtend.
Evenwel, al deed hij aan luidruchtige soldatenvreugde niet mede,
hij werd door zijne makkers hartgrondig bemind en ook, bij
stemming zooals het toen ging, tot luitenant bevorderd.
Middelerwijl gingen de krijgsverrichtingen volop haren gang. Den
4en Juni wordt er een wapenstilstand gesloten. Majoor von
Lützow met zijn adjudant Körner hadden een samentreffen met
den Fransche overste Fournier. Deze wilde hen bij verassing
gevangen nemen. Spoorslags vluchtten beiden. Körner werd onder
de vlucht gewond en zonk bewusteloos neer. Eenige dagen later
was hij toch wederom te been.
Den 26en Oogst zou het korps tusschen Gadebusch en Schwerin
eenen aanval op een Fransch transport gaan doen. De Franschen
weken in het kreupelhout. De onversaagde Körner stormde ze als
een razende achterna en stelde zich, al te roekeloos misschien,
aan de kogels der scherpschutters bloot, die achte de boomen
eene voordeelige mikplaats gevonden hadden.
Plotseling slaakte hij een kreet en gleed van zijn paard. Een
kogel was hem door het onderlijf in de ruggegraat gedrongen en
had onmiddelijk den dood veroorzaakt.
In de diepste verslagenheid droegen de makkers het lijk naar het
naburig dorp Wöbbelin. In eene boerenwoning werd het op
een praalbed van eikenloof neergelegd...
Twee vrijwilligers-schrijnwerkers timmerden eene kist. Dicht
daarbij stonden twee eiken. Dààr werd het graf gedolven en
dààr rust nog heden de held.
Zal ik u het verloop van den Bevrijdingskrijg vermelden?
Het is eenieder bekend hoe Napoleon, na wisselende kans, te
Leipzig den beslissenden slag2 verloor en het volgend jaar naar het eiland Elba
werd verbannen.
Van Körners werken wiste ik nog veel te vertellen, doch is
zijn schoonste gedicht zijn eigen leven niet?
Mocht ik u eenige belang hebben ingeboezemd voor den Duitschen
Bevrijdingskrijg en voor zijne Helden, ik achtte mij ruimschoots
om de moeite beloond.
Joz. Van den Broeck, adv.
|