Vorige: Kerstmis 1870.   Omhoog: Verhalen.   Volgende: Een taaie kerel.
Inhoudsopgave   Index


Spokerij.

Gepubliceerd op 8 februari 1913

't Spookte op 't Fransoosen kerkhof. Dat was geen nieuws. 't Was van vandaag of van gisteren niet. 't Was voor jaren ook zo geweest. Jaar in, jaar uit had men er iederen Zondag nacht een wit spook zien wandelen, over en weer langs den akker, met groote stappen, als een boer, die een stuk aardappelland moet afmeten.
't Was zelfs vroeger nog erger geweest. Dan hoorde men 't spook den Miserere zingen, dien ouderwetse Miserere, die in geen enkel koorboek voorkwam, doch die de koster nog iederen Maandag zong in 't lof met zijne gomme-elastieke stem. Doch toen hadden ze daar in de linden een kapelleken gehangen, een groengeverfd baksken, zo groot als eene vogelmuit, met een wit plaasteren beeldje er in en een knielbankske er voor. Beersens kapelleken zeiden de menschen, omdat de oude Wan Beers het bekostigd had en voor den onderpastoor het offerbloksken ledigde.
Toen had het opgehouden met spoken. Eerst had het spook den Miserere verleerd en in stilte zijn land afgemeten, en zachtjesaan was 't helemaal weggebleven. 't Was er zo stil geworden nu op dien eenzamen hoek, dat iedereen er bij nacht en ontij dierf voorbijgaan, zonder door den langen witten man te worden aangesproken, van zijnen langgerekte Miserere te hooren of hem zelfs maar in stilte zijnen akker te zien afmeten. De menschen geloofden zelfs aan die spokerij niet meer.

“'t Geloof gaat uit de wereld” zei de oude Wan Beers, “'t volk leest te veel gazetten den dag van vandaag.” En niemand dierf haar daarin tegenspreken, want de oude Wan Beers was op haren mond niet gevallen. Maar de oude Wan Beers was nu dood. En de andere menschen, die 't spook gezien hadden, waren ook allemaal gestorven. De laatste was Jan Van Houte geweest, de kromme Jan op den Oever, een oude kreupele daglooner, die heel den tijd aan zijn hekken zat in den zomer, bij de geburen koeketels afstookte in den winter en daarbij steeds mispelaren wandelstokken kerfde of tweeloopen kuischte en lapte voor de boerenzoons.
Die had in zijnen tijd dikwijls 't spook gezien, als hij er met zijne vrouw, met zijne Siska zaliger, kennis had en 's avonds van haren tehuis in de Veerenstraat naar den Oever terugkeerde. Of als hij 's nachts op 't wildstroopen uit was met den lichtbak. Want de kromme Jan was in zijne jeugd een eerste pensjager geweest en 't ongeluk aan zijn been had hij gekregen bij 't ontploffen van zijnen tweeloop, die hij uit vrees voor de jachtwachters onder zijnen winterkazak had moeten verbergen. Jan had 't spook dikwijls gezien, en kon er uren lang van zitten vertellen.

De eerste maal was 't op een Allerzielennacht. 't Was “af” met zijne Siska, den eerste keer, wat 't was dikwijls “af” geweest en terug “aan” geraakt met die twee voor de pastoor ze te trouwen kreeg. In de Zwaan, in die oude herberg in den polder, vlak voor 't hof waar Siska diende had hij zich zat gezopen, beestig zat, puur uit verdriet en woede. Dan was hij 's nachts naar huis gesukkeld langs de wegels, naar den Oever toe, langsheen 't Fransoosen kerkhof. Hij zag en hoorde 't nog, alsof 't maar van gisteren geleden was, zei hij.
Eerst een geritsel door de bladeren, die geel van de bomen afwaaiden en ronddwarrelden. Dan die witte man, die in den maneschijn midden op den akker voortstapte met gestrekten pas. Aan 't einde van den akker keerde de man zich om en ging recht naar den drietip, waar nu 't kapelleken hangt. Hij wendde zich om en begon den Miserere te zingen op zoo'n klagenden toon, dat 't door merg en beenderen ging en dat Jan van schrik opeens nuchter werd. “Toen zag ik niets meer” zei Jan “doch 't zweet liep van mijn lijf als midden in den oogst. En op den drietip waar 't spook gestaan had, stonden de afdrukken van twee groote waterlaarzen, zooals de schippers er dragen te Kieldrecht.”
Later had hij 't spook met honderden keeren gezien. Bij maneschijn was de man wit, bij overtrokken weer grauw, doch zoo sterk kon de wind niet waaien of ge hoordet het den Miserere zingen als de koster in 't lof.
Doch enkel 's Zondags en op Allerzielen. De andere dagen kon men voorbij den akker gaan, zoo gerust als bij klaren dag. Slechts wanneer er een ongeluk op handen was, kwam het spook in de week. 's Daags voor hij zijn ongeluk kreeg met zijn been had hij 't spook gezien, dat zijn vinger dreigend naar hem opstak. En voor 't hof van de bazin Weyn afbrandde, voor Pee Tritsmans omkwam in de gelaagputten op 't Hof, had men het spook in de week dreigend zien rondloopen.

Jan had er voor gebeëweegd ook al. Dat was kwaad en 't moest geboet worden bij de Paters te Borm. “Doch 't moest zijn, dat de Pater er zich niet aan verstond” zei Jan “want hij kon geenen raad geven. Hij sprak van bidden en gerust te zijn; van 't zondig leven te vluchten, het pensjagen te laten en zich niet meer zat te zuipen. Doch dat hielp allemaal niets.” meende Jan “'t Was daar niet mee te doen. 't Was de spokerij die hij weg moest helpen en zoolang hij dat niet kon, was 't niets genaderd!”

Er waren er nog, die 't spook gezien hadden: boerenknechten, die van St. Eloo kwamen met hunnen buik vol bier en hesp; vrijende koppels die tegen heug en meug der ouders den laten avond rondzwierven; kinderen die na 't lof in 't dorp waren blijven knikkeren.
Er waren er zoovelen, die 't spook hadden gezien in den tijd, toen Wan Beers nog jong was en Jan Van Houte nog aan 't pensjagen deed en al die menschen hadden er hunnen eed op willen doen. Doch 't jonge geslacht lachte er maar mee, want 't geloof was uit de wereld gegaan en 't volk las te veel kranten.

Maar nu spookte 't weer op 't Fransoosen kerkhof. Stefken Van der Noot had het gezien verleden jaar op Allerzielenavond, toen ze uit het lof der overledenen en in den laten avond naar huis keerde langs dien eenzamen weg voorbij 't Fransoosen kerkhof. Heel den akker scheen verlicht net als in de kerk rond de lijkbaar, en 't ruischte in de bomen van “Miserere mei”. En de schele Mie Stouwers, die van niets vervaard was, die bij Pauw Tack met 't paard reed en werken kon tegen een mannenmensch op, had den volgenden Zondag den witten man gezien, die zijn land aan 't afstappen was.
Eerst werd er gelachen met die twee, doch toen kwamen er al meer en meer, die 't spook gezien hadden, boerendochters en boerenknechten, tot wildstroopers en smokkelaars toe, die zeker van niets benauwd zijn.
De dikke Peer De Beir, die met zijn broer Gust als de beruchtste smokkelaar der streek bekend stond en waar al de commiezen voor uit den weg gingen, zoowel op 't Hollanschs als op 't Belgisch, had ook den witten man gezien en had het verteld in eene herberg op Drie Schouwen. En nu mat de man zijnen akker niet meer af, nee, hij kwam uit de bosschen gegaan, langs den hoogen wegel tot aan 't Fransoosen kerkhof en dan verder de Gavers in.
Overal zag men hem nu, dan hier, dan daar, en bijna iederen nacht. De menschen konden haast niet meer slapen van onrust, en de onderpastoor der wijk, de goedzakkige Meneer Van Dries, met zijn krulhaar en zijnen dikken gouden bril, was niet meer weg te krijgen van de boerenhoven, waar hij 't volk moest geruststellen.

(Naar het begin van de volgende kolom)

  “Allemaal foeffen” zei Meneer Van Dries op zijn Aalstersch, “wat minder zuipen en op tijd naar bed komen! En vrijen tehuis, onder moeders oogen!” Maar dat was allemaal niets gekort. Wat de menschen gezien hadden, hadden ze gezien, en zoo mooi wisten ze 't te vertellen, dat Meneer Van Dries er op 't einde zelf wel aan zou gaan gelooven hebben.
Ja, ja, die man kwam nu haast alle nachten terug, mat heel de streek af van de bosschen tot aan de gavers, en kwam uit aan 't Horlogeakkerken, achter de kerk. Daar verdween hij en niemand wist waarheen. Dit duurde nu al sedert Allerzielen, de nieuwjaarsmaand was al een einde gezet en 't volk meende dat den deken eenen pater moest doen komen van Dendermonde, om dat kwaad weg te helpen. Doch den deken wilde er niet van hooren. 't Was Meneer Van Dries zijn schuld, zeiden de boeren, die maakte den deken op.

Een pater kwam er dus niet, maar er kwam een andere kerel in 't dorp: een nieuwe ontvanger! Eene beest van eenen vent. Een Waal, die maar eenige woorden gebroken Vlaamsch kende, maar in 't Vlaamsch kon vloeken als niemand in 't omliggende. Die zoop als een snoek, en bij den Witten Ijsebaert, in de herberg Waterloo, waar al de heeren van 't dorp vergaderden, iederen avond den laatsten man den zak opgaf. Die van eenen pas de boeren eene heele vracht hooi deed afladen, als hij vermoedde dat er misschien eene kist sigaren in verborgen zat.
Doch alle Zondagen ging hij naar de achturenmis, en dat waren ze van de ontvangers in den laatsten tijd niet meer gewoon. Dat was best ook, want ware 't niet geweest dat hij in den grond toch nog zoo kwaad niet meende en alles op zoo'n jovialen toon afhakkelde, dan had de Witte Ijsebaert hem al honderd keeren aan de deur gegooid. Den Witten zijne herberg stond geboekt als de defstigste “estaminet” van 't dorp. “En dat moet ze ook blijven” zei de Witte “in mijn herberg wordt er nondedeime niet gevloekt!”
“Den ontvang zal wel decouvreer de spook. Den ontvang geloof daar niet aan, nom de tonnere, nooit jamais ne spook gezien in mijn leev. Die lig te kiskas in de hel, nom de diable! N'est-ce pas, notaire?” zei hij tegen den jongen, dikken notaris, die daar zat te lachen om de grappen van den ontvanger, dat de tranen hem in de oogen kwamen.
“Ik zal de spook wel vang. In de bosch of in de gaav, 't is allemaal dezelf. Wanneer kan men zien de spook?”
“A van den avond nog!” riep Meneer Steenbackers, van aan zijn kaarttafeltje, waar hij sedert eene halve eeuw iederen avond zat te bieden...
“A la bonne heure!” De ontvanger was als kwik. Hij sprong op, vroeg eene koord aan den Witten en wilde de herberg uit. Hij zwaaide met zijn draaipistool. “Hier mijn revolveir” riep hij, “ik zal u breng de spook!”
“Geene verbodene wapens” lachte de brigadier van de gendarmen, die daar in burgerkledij ook een pintje zat te pakken. Doch hij dronk zijn glas uit en betaalde. “'k Ga mee” zei hij, “'k zou dat spook ook wel eens willen zien!”
“De groeten in de andere wereld!” schetterde Meneer Steenbackers onder 't gelach van heel 't gezelschap. “Ja ja, zeker ja! De groeten, ja saluu!” De heeren lieten de twee mannen gaan. Ze geloofden van die spokerij 't eerste woord niet, en waren er ten andere doodgerust in.

Aan 't kaarttafeltje gingen ze voort met bieden. Meester Baes viel aan 't strijden over de nieuwe schoolwet met den notaris en de burgemeester praatte met den veearts over de belangen van 't landbouwcomice en den Boerinnenbond. Eens ging de deur open; ze keken allemaal op. Doch 't was de meid van den nieuwen dokter die haren heer kwam halen, die ploseling bij eenen zieke werd geroepen. Dan werd het weer stil en ging het gekaart en het gepraat zijnen gewonen gang.

Toen op eens ―'t kon zoo half twaalf zijn― hoorden ze gerucht op de straat. Een gedof tegen gesloten vensterluiken. De deur werd met geweld opengegooid en een man door den brigardier der gendarmen binnengestampt, heel in 't wit, met eene koord rond zijn één been en de menotten aan zijne duimen. Dan sprong den ontvanger in huis.
“Hier hebben wij de spook” zei hij. De heeren sprongen op van hunne stoelen.
“Wie is 't?” vroeg de burgemeester.
“'k Weet niet.” zei de brigardier, “We hadden daar al een tijdje gezeten achter de haag aan 't horlogeakkerken en de koord langshenen de gracht gespannen. Toen we 't haast beu werden, zagen we opeens iets wits komen. 't Was 't spook. Maar als 't over de gracht wilde stappen, bleef het in de koord haperen en viel platdarms in 't water. Toen het er uit kwam gesparteld, bonden we 't algauw. De ontvanger snoerde 't zeel rond zijn been, ik deed het de menotten aan zijne duimen. En hier is nu de man. Nu eens gezien wie 't is. In naam der wet, wie zijt gij? En uw masker af!”
De man roerde niet.
“Ouvre ta geule, spook!” spotte den ontvanger.
De heeren waren naderbij gekomen.
Meneer Steenbackers met zijne lange, magere armen, snokte de man de vodden van 't lijf en 't masker van zijn gezicht en daar stond hij voor hen: de kloeke Peer De Beir, de aartssmokkelaar, waar al de commiezen op 't Belgisch en op 't Hollandsch bang van waren.
“Wat is dat, Peer?” zei de brigardier. “Zijt ge geloovige ziel geworden? Hebt ge teveel gesmokkeld in uw leven misschien en moet ge nu komen spoken voor de commiezen? Maar ge zijt zo dik geworden, Peer, wat hebt ge daar toch allemaal geëten in de andere wereld? Laat eens zien, jongen!”
Met een trok hij Peer zijnen frak open en daar bolden drie, vier pakken op den grond, allemaal beste vanille. Voor verschillende honderden franks.
De brigardier nam de pakken op en gaf ze aan den Witten. “We zullen ze morgen wel komen halen, Wite, leg ze maar weg onder den toog.”
Toen nam hij een notaboekje uit zijnen zak, haalde er een stuk gezegeld papier uit, kribbelde er wat op aan den hoek van den toog en vroeg aan Peer zijnen naam, geboorteplaats, datum enz... Kribbelde nog wat, las 't stuk voor en liet den ontvanger en de heeren tekenen als getuigen. Tenslotte mocht Peer zijnen eigen naam onder 't stuk zetten en eene pint meedrinken in de twee algemeene rondes, die den ontvanger en den brigardier betaalden. “'t Kon er af” schikte de briardier, “de helft van die vanille is de onze. Nu kan mijne vrouw heele dagen rijstpap koken!”

Drie weken later was 't tribunaal te Dendermonde en al de heeren moesten er naar toe als getuigen. Peer De Beir kreeg zes maanden bak voor 't smokkelen, de ontvanger eene schoone belooning langs de kanten van Doornijk aan de suikerfabrieken, en zoovele hespen en zakken patatten had de brigardier nog nooit bekomen als toen, dien winter.
En toen Peer zijnen tijd gezeten had kwam hij terug naar 't dorp, doch zijn rijk was uit. Ze heetten hem “de geloovige ziel”, maar spook spelen deed hij niet meer en de commiezen zaten wat korter op zijn hielen zoowel op 't Hollandsch als op 't Belgisch!

Ad. Verbraeken.



Vorige: Kerstmis 1870.   Omhoog: Verhalen.   Volgende: Een taaie kerel.
Inhoudsopgave Index

Valid HTML 4.01 Transitional

Pros Robaer - 2009