|
't Spookte op 't Fransoosen kerkhof. Dat was geen nieuws. 't Was
van vandaag of van gisteren niet. 't Was voor jaren ook zo geweest.
Jaar in, jaar uit had men er iederen Zondag nacht een wit spook
zien wandelen, over en weer langs den akker, met groote stappen,
als een boer, die een stuk aardappelland moet afmeten.
't Was zelfs vroeger nog erger geweest. Dan hoorde men 't spook den
Miserere zingen, dien ouderwetse Miserere, die in geen enkel
koorboek voorkwam, doch die de koster nog iederen Maandag zong in
't lof met zijne gomme-elastieke stem. Doch toen hadden ze daar in
de linden een kapelleken gehangen, een groengeverfd baksken, zo
groot als eene vogelmuit, met een wit plaasteren beeldje er in en
een knielbankske er voor. Beersens kapelleken zeiden de menschen,
omdat de oude Wan Beers het bekostigd had en voor den onderpastoor
het offerbloksken ledigde.
Toen had het opgehouden met spoken. Eerst had het spook den
Miserere verleerd en in stilte zijn land afgemeten, en zachtjesaan
was 't helemaal weggebleven. 't Was er zo stil geworden nu op dien
eenzamen hoek, dat iedereen er bij nacht en ontij dierf
voorbijgaan, zonder door den langen witten man te worden
aangesproken, van zijnen langgerekte Miserere te hooren of hem
zelfs maar in stilte zijnen akker te zien afmeten. De menschen
geloofden zelfs aan die spokerij niet meer.
“'t Geloof gaat uit de wereld” zei de oude Wan Beers, “'t volk
leest te veel gazetten den dag van vandaag.” En niemand dierf haar
daarin tegenspreken, want de oude Wan Beers was op haren mond niet
gevallen. Maar de oude Wan Beers was nu dood. En de andere
menschen, die 't spook gezien hadden, waren ook allemaal gestorven.
De laatste was Jan Van Houte geweest, de kromme Jan op den Oever,
een oude kreupele daglooner, die heel den tijd aan zijn hekken zat
in den zomer, bij de geburen koeketels afstookte in den winter en
daarbij steeds mispelaren wandelstokken kerfde of tweeloopen
kuischte en lapte voor de boerenzoons.
Die had in zijnen tijd dikwijls 't spook gezien, als hij er met
zijne vrouw, met zijne Siska zaliger, kennis had en 's avonds van
haren tehuis in de Veerenstraat naar den Oever terugkeerde. Of als
hij 's nachts op 't wildstroopen uit was met den lichtbak. Want de
kromme Jan was in zijne jeugd een eerste pensjager geweest en
't ongeluk aan zijn been had hij gekregen bij 't ontploffen van
zijnen tweeloop, die hij uit vrees voor de jachtwachters onder
zijnen winterkazak had moeten verbergen. Jan had 't spook dikwijls
gezien, en kon er uren lang van zitten vertellen.
De eerste maal was 't op een Allerzielennacht. 't Was “af” met
zijne Siska, den eerste keer, wat 't was dikwijls “af” geweest en
terug “aan” geraakt met die twee voor de pastoor ze te trouwen
kreeg. In de Zwaan, in die oude herberg in den polder, vlak voor 't
hof waar Siska diende had hij zich zat gezopen, beestig zat, puur
uit verdriet en woede. Dan was hij 's nachts naar huis gesukkeld
langs de wegels, naar den Oever toe, langsheen 't Fransoosen
kerkhof. Hij zag en hoorde 't nog, alsof 't maar van gisteren
geleden was, zei hij.
Eerst een geritsel door de bladeren, die geel van de bomen
afwaaiden en ronddwarrelden. Dan die witte man, die in den
maneschijn midden op den akker voortstapte met gestrekten pas. Aan
't einde van den akker keerde de man zich om en ging recht naar den
drietip, waar nu 't kapelleken hangt. Hij wendde zich om en begon
den Miserere te zingen op zoo'n klagenden toon, dat 't door merg en
beenderen ging en dat Jan van schrik opeens nuchter werd. “Toen
zag ik niets meer” zei Jan “doch 't zweet liep van mijn lijf als
midden in den oogst. En op den drietip waar 't spook gestaan had,
stonden de afdrukken van twee groote waterlaarzen, zooals de
schippers er dragen te Kieldrecht.”
Later had hij 't spook met honderden keeren gezien. Bij maneschijn
was de man wit, bij overtrokken weer grauw, doch zoo sterk kon de
wind niet waaien of ge hoordet het den Miserere zingen als de
koster in 't lof.
Doch enkel 's Zondags en op Allerzielen. De andere dagen kon men
voorbij den akker gaan, zoo gerust als bij klaren dag. Slechts
wanneer er een ongeluk op handen was, kwam het spook in de week. 's
Daags voor hij zijn ongeluk kreeg met zijn been had hij 't spook
gezien, dat zijn vinger dreigend naar hem opstak. En voor 't hof
van de bazin Weyn afbrandde, voor Pee Tritsmans omkwam in de
gelaagputten op 't Hof, had men het spook in de week dreigend zien
rondloopen.
Jan had er voor gebeëweegd ook al. Dat was kwaad en 't moest
geboet worden bij de Paters te Borm. “Doch 't moest zijn, dat de
Pater er zich niet aan verstond” zei Jan “want hij kon geenen
raad geven. Hij sprak van bidden en gerust te zijn; van 't zondig
leven te vluchten, het pensjagen te laten en zich niet meer zat te
zuipen. Doch dat hielp allemaal niets.” meende Jan “'t Was daar
niet mee te doen. 't Was de spokerij die hij weg moest helpen en
zoolang hij dat niet kon, was 't niets genaderd!”
Er waren er nog, die 't spook gezien hadden: boerenknechten, die
van St. Eloo kwamen met hunnen buik vol bier en hesp; vrijende
koppels die tegen heug en meug der ouders den laten avond
rondzwierven; kinderen die na 't lof in 't dorp waren blijven
knikkeren.
Er waren er zoovelen, die 't spook hadden gezien in
den tijd, toen Wan Beers nog jong was en Jan Van Houte nog aan 't
pensjagen deed en al die menschen hadden er hunnen eed op willen
doen. Doch 't jonge geslacht lachte er maar mee, want 't geloof was
uit de wereld gegaan en 't volk las te veel kranten.
Maar nu spookte 't weer op 't Fransoosen kerkhof. Stefken Van der
Noot had het gezien verleden jaar op Allerzielenavond, toen ze uit
het lof der overledenen en in den laten avond naar huis keerde
langs dien eenzamen weg voorbij 't Fransoosen kerkhof. Heel den
akker scheen verlicht net als in de kerk rond de lijkbaar, en 't
ruischte in de bomen van “Miserere mei”. En de schele Mie
Stouwers, die van niets vervaard was, die bij Pauw Tack met 't
paard reed en werken kon tegen een mannenmensch op, had den
volgenden Zondag den witten man gezien, die zijn land aan 't
afstappen was.
Eerst werd er gelachen met die twee, doch toen kwamen er al meer en
meer, die 't spook gezien hadden, boerendochters en boerenknechten,
tot wildstroopers en smokkelaars toe, die zeker van niets benauwd
zijn.
De dikke Peer De Beir, die met zijn broer Gust als de beruchtste
smokkelaar der streek bekend stond en waar al de commiezen
voor uit den weg gingen, zoowel op 't Hollanschs als op 't Belgisch,
had ook den witten man gezien en had het verteld in eene herberg op
Drie Schouwen. En nu mat de man zijnen akker niet meer af, nee, hij
kwam uit de bosschen gegaan, langs den hoogen wegel tot aan 't
Fransoosen kerkhof en dan verder de Gavers in.
Overal zag men hem nu, dan hier, dan daar, en bijna iederen nacht.
De menschen konden haast niet meer slapen van onrust, en de
onderpastoor der wijk, de goedzakkige Meneer Van Dries, met zijn
krulhaar en zijnen dikken gouden bril, was niet meer weg te krijgen
van de boerenhoven, waar hij 't volk moest geruststellen.
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
“Allemaal foeffen” zei Meneer Van Dries op zijn Aalstersch, “wat
minder zuipen en op tijd naar bed komen! En vrijen tehuis, onder
moeders oogen!” Maar dat was allemaal niets gekort. Wat de
menschen gezien hadden, hadden ze gezien, en zoo mooi wisten ze 't
te vertellen, dat Meneer Van Dries er op 't einde zelf wel aan zou
gaan gelooven hebben.
Ja, ja, die man kwam nu haast alle nachten terug, mat heel de
streek af van de bosschen tot aan de gavers, en kwam uit aan 't
Horlogeakkerken, achter de kerk. Daar verdween hij en niemand wist
waarheen. Dit duurde nu al sedert Allerzielen, de nieuwjaarsmaand
was al een einde gezet en 't volk meende dat den deken eenen pater
moest doen komen van Dendermonde, om dat kwaad weg te helpen. Doch
den deken wilde er niet van hooren. 't Was Meneer Van Dries zijn
schuld, zeiden de boeren, die maakte den deken op.
Een pater kwam er dus niet, maar er kwam een andere kerel in 't
dorp: een nieuwe ontvanger! Eene beest van eenen vent. Een Waal,
die maar eenige woorden gebroken Vlaamsch kende, maar in 't
Vlaamsch kon vloeken als niemand in 't omliggende. Die zoop als een
snoek, en bij den Witten Ijsebaert, in de herberg Waterloo, waar al
de heeren van 't dorp vergaderden, iederen avond den laatsten man
den zak opgaf. Die van eenen pas de boeren eene heele vracht hooi
deed afladen, als hij vermoedde dat er misschien eene kist sigaren
in verborgen zat.
Doch alle Zondagen ging hij naar de achturenmis, en dat waren ze
van de ontvangers in den laatsten tijd niet meer gewoon. Dat was
best ook, want ware 't niet geweest dat hij in den grond toch nog
zoo kwaad niet meende en alles op zoo'n jovialen toon afhakkelde,
dan had de Witte Ijsebaert hem al honderd keeren aan de deur
gegooid. Den Witten zijne herberg stond geboekt als de defstigste
“estaminet” van 't dorp. “En dat moet ze ook blijven” zei de
Witte “in mijn herberg wordt er nondedeime niet gevloekt!”
“Den ontvang zal wel decouvreer de spook. Den ontvang geloof daar
niet aan, nom de tonnere, nooit jamais ne spook gezien in mijn
leev. Die lig te kiskas in de hel, nom de diable! N'est-ce pas,
notaire?” zei hij tegen den jongen, dikken notaris, die daar zat
te lachen om de grappen van den ontvanger, dat de tranen hem in de
oogen kwamen.
“Ik zal de spook wel vang. In de bosch of in de gaav, 't is
allemaal dezelf. Wanneer kan men zien de spook?”
“A van den avond nog!” riep Meneer Steenbackers, van aan zijn
kaarttafeltje, waar hij sedert eene halve eeuw iederen avond zat te
bieden...
“A la bonne heure!” De ontvanger was als kwik. Hij sprong op,
vroeg eene koord aan den Witten en wilde de herberg uit. Hij
zwaaide met zijn draaipistool. “Hier mijn revolveir” riep
hij, “ik zal u breng de spook!”
“Geene verbodene wapens” lachte de brigadier van de gendarmen,
die daar in burgerkledij ook een pintje zat te pakken. Doch hij
dronk zijn glas uit en betaalde. “'k Ga mee” zei hij, “'k zou
dat spook ook wel eens willen zien!”
“De groeten in de andere wereld!” schetterde Meneer Steenbackers
onder 't gelach van heel 't gezelschap. “Ja ja, zeker ja! De
groeten, ja saluu!” De heeren lieten de twee mannen gaan. Ze
geloofden van die spokerij 't eerste woord niet, en waren er ten
andere doodgerust in.
Aan 't kaarttafeltje gingen ze voort met bieden. Meester Baes viel
aan 't strijden over de nieuwe schoolwet met den notaris en de
burgemeester praatte met den veearts over de belangen van 't
landbouwcomice en den Boerinnenbond. Eens ging de deur open; ze
keken allemaal op. Doch 't was de meid van den nieuwen dokter die
haren heer kwam halen, die ploseling bij eenen zieke werd geroepen.
Dan werd het weer stil en ging het gekaart en het gepraat zijnen
gewonen gang.
Toen op eens ―'t kon zoo half twaalf zijn― hoorden ze gerucht
op de straat. Een gedof tegen gesloten vensterluiken. De deur werd
met geweld opengegooid en een man door den brigardier der gendarmen
binnengestampt, heel in 't wit, met eene koord rond zijn één
been en de menotten aan zijne duimen. Dan sprong den ontvanger
in huis.
“Hier hebben wij de spook” zei hij. De heeren sprongen op van
hunne stoelen.
“Wie is 't?” vroeg de burgemeester.
“'k Weet niet.” zei de brigardier, “We hadden daar al een tijdje
gezeten achter de haag aan 't horlogeakkerken en de koord
langshenen de gracht gespannen. Toen we 't haast beu werden, zagen
we opeens iets wits komen. 't Was 't spook. Maar als 't over de
gracht wilde stappen, bleef het in de koord haperen en viel
platdarms in 't water. Toen het er uit kwam gesparteld, bonden we
't algauw. De ontvanger snoerde 't zeel rond zijn been, ik deed het
de menotten aan zijne duimen. En hier is nu de man. Nu eens gezien
wie 't is. In naam der wet, wie zijt gij? En uw masker af!”
De man roerde niet.
“Ouvre ta geule, spook!” spotte den ontvanger.
De heeren waren naderbij gekomen.
Meneer Steenbackers met zijne lange, magere armen, snokte de man de
vodden van 't lijf en 't masker van zijn gezicht en daar stond hij
voor hen: de kloeke Peer De Beir, de aartssmokkelaar, waar al de
commiezen op 't Belgisch en op 't Hollandsch bang van waren.
“Wat is dat, Peer?” zei de brigardier. “Zijt ge geloovige ziel
geworden? Hebt ge teveel gesmokkeld in uw leven misschien en moet
ge nu komen spoken voor de commiezen? Maar ge zijt zo dik geworden,
Peer, wat hebt ge daar toch allemaal geëten in de andere
wereld? Laat eens zien, jongen!”
Met een trok hij Peer zijnen frak open en daar bolden drie, vier
pakken op den grond, allemaal beste vanille. Voor verschillende
honderden franks.
De brigardier nam de pakken op en gaf ze aan den Witten. “We
zullen ze morgen wel komen halen, Wite, leg ze maar weg onder den
toog.”
Toen nam hij een notaboekje uit zijnen zak, haalde er een stuk
gezegeld papier uit, kribbelde er wat op aan den hoek van den toog
en vroeg aan Peer zijnen naam, geboorteplaats, datum enz...
Kribbelde nog wat, las 't stuk voor en liet den ontvanger en de
heeren tekenen als getuigen. Tenslotte mocht Peer zijnen eigen naam
onder 't stuk zetten en eene pint meedrinken in de twee algemeene
rondes, die den ontvanger en den brigardier betaalden. “'t Kon er
af” schikte de briardier, “de helft van die vanille is de onze.
Nu kan mijne vrouw heele dagen rijstpap koken!”
Drie weken later was 't tribunaal te Dendermonde en al de heeren
moesten er naar toe als getuigen. Peer De Beir kreeg zes maanden
bak voor 't smokkelen, de ontvanger eene schoone belooning langs de
kanten van Doornijk aan de suikerfabrieken, en zoovele hespen
en zakken patatten had de brigardier nog nooit bekomen als toen,
dien winter.
En toen Peer zijnen tijd gezeten had kwam hij terug naar 't dorp,
doch zijn rijk was uit. Ze heetten hem “de geloovige ziel”, maar
spook spelen deed hij niet meer en de commiezen zaten wat korter op
zijn hielen zoowel op 't Hollandsch als op 't Belgisch!
Ad. Verbraeken.
|