|
De 16e Juli 1863 is een heuglijke dag in 's Lands
geschiedenisboeken en in Antwerpen's verleden. Dien dag werd het
algemeen verdrag geteekend tot afkoop van den Schelde-tol en
viel de laatste kluister, door vreemde handen gesmeed, die het
onafhankelijk België nog knelde.
De afkoop van den Schelde-tol stelde een einde aan het vernederend
knechtschap, dat drie eeuwen geduurd, en België's welvaart zoo
diep geknakt had. Drie eeuwen, ja, immers reeds in 't jaar 1574
toen de monding van den stroom in de handen der Staatsen viel,
verkregen de Hollanders toezicht over de Scheldevaart en
beletten zij feitelijk alle vrij verkeer.
Terwijl Filips II en zijne droeve opvolgers doorzicht en
edelmoedigheid misten om den welstand hunner Nederlandsche
onderdanen krachtdadig te behartigen, hadden de Hollandsche
Staatslieden van het eerste uur ingezien, hoe nauw het
onafhankelijk bestaan der Republiek zelve aan den stoffelijken
voorspoed harer steden verbonden was.
Wij zien ze dan vijf en zeventig jaar lang al de pogingen steunen
der Amsterdamsche kooplieden, die door list en geweld Antwerpen ten
onder willen brengen ten bate van hun eigen handel, totdat
eindelijk, in 1648 het Munster traktaat hun streven bekroont
en de Schelde en al de Vlaamsche waterwegen sluit.
“De Schelde”, zoo spreekt artikel XIV, “de vaarten van
Saszwijn en andere waterwegen, die daarin uitmonden, zullen
gesloten blijven van wege de Staten.”
Als haven- en handelsstad was het met Antwerpen gedaan!
Dag op dag, zullen, ja, ebbe en vloed de breede Scheldewateren
voorbij de stad op en neer stuwen, maar geen zeebodem meer draagt
de stroom op zijn breeden rug, geen gejoel van matrozen
vervroolijkt meer de verlaten aanlegplaatsen. De zeldzame
bevrachters, die nog 't zij drooge vruchten uit het Zuiden, 't zij
Noordsch hout tot Antwerpen willen doorzenden, zijn gedwongen in de
Hollandsche wateren last te breken en op bijlanders hunne waar aan
land te brengen.
Wanneer, den 3en Maart 1665, een Spaansche kustvaarder met eene
lading wijn rechtstreeks door de binnenwateren hier toekwam, gold
dit bezoek van een zeeschip als een zoo buitengewoon feit, dat het
magistraat eener stad, waar eene eeuw te voren, soms tweeduizend
vijf honderd schepen op anker lagen, nu den eenzamen bezoeker, als
welkomsgroet, met geschenken vereerde.
Hadde men den toestand slechts eenigzins kunnen verhelpen, doch,
eilaas, men zag geene uitkomst.
Een eersten keer, 't is waar, na den vrede van Rijswijck
verleende het Staatsbestuur machtiging aan de Staten van Vlaanderen
tot het graven eener vaart van Brugge, door het Land van Waas naar de Schelde; later ook, in 1753, vatte de gevolmachtigde
minister Botta-Adorno het ontwerp op bij middel van een ruim
kanaal van Gent tot aan de Durme, eenen waterweg op
Antwerpen te openen, doch alles bleef bij nooit uitgewerkte
plannen.
Evenmin kwam er iets in huis van de poging van Joseph II om de
vrije vaart op de Schelde te heroveren.
Tot het einde der XVIIIe eeuw hadden Engeland en Holland, in
een trouw bondgenootschap vereenigd, elkaar steeds de hand gereikt
om de Oostenrijkse Nederlanden in eene machtelooze minderheid
te houden. Bijzonder sedert de Zeemogendheden hunne hulp verleenden
om het bezit onzer gewesten aan Karel VI te verzekeren,
aanzagen zij België als een wingewest, dat zij zoo wat als een
overzeesche bezitting mochten behandelen en uitbaten.
In dien zin was het Barrière-traktaat opgevat, waarbij onze
provinciën aan het huis van Oostenrijk kwamen. Om als het ware
eenen dam op te werpen tusschen Frankrijk en de Republiek, legden
de Hollanders den Keizer de verplichting op vestingen te bouwen, en
de Staatsche garnizoenen daarin te onderhouden.
Onder economisch oogpunt werd daarbij niet enkel de Scheldesluiting
bekrachtigd, maar voerden de Zeemogendheden ook nieuwe toltarieven
in de Nederlanden in, waardoor de inheemsche nijverheid de
mededinging tegen Hollandschen en Engelschen invoer moest opgeven.
In 18701 echter scheen de kaart te willen keeren. De
Amsterdamsche kooplieden hadden eene gunstige kans op winsten
gevonden in den verkoop van wapens en oorlogsbehoeften aan de
Amerikaansche opstandelingen en aan het met Engeland in oorlog
gewikkeld Frankrijk, en daardoor kwam het tot eene afbreuk
tusschen twee bondgenoten.
De Engesche diplomaat Yorke vond niets beters dan de wenschen
van de Antwerpenaren in de hand te werken en den steeds
ridderlijken Joseph II op de vraag der Scheldevrijheid tegen zijne
Noorderburen in het harnas te jagen. Veel aandringen was daartoe
niet nodig. De Keizer was er diep van overtuigd wanneer hij zegde,
dat de haven van Oostende steeds middelmatig, terwijl
Antwerpen steeds eene beste haven zou blijven. Darenboven, had hij
niet verklaard: “dat de sluiting van den Scheldestroom een toch al
te honend feit was voor eene macht gelijk de zijne”?
De keizer talmde echter en slechts na het sluiten van den vrede
tusschen de strijdende mogendheden, zond hij, in 1784, een
oorlogsschip de Schelde af...
Men weet het overige. Bij het eerste kanonschot eener Hollandsche
batterij, waarbij enkel een op het dek staande koperen ketel
geblutst werd, keerde het schip den steven, en zag de Keizer van
alle geweld af. Misschien was het hem te doen geweest, een feit
daar te stellen, en dan langs diplomatieken weg tot zijn doel te
komen. In alle geval, hoe verzwakt Holland toen reeds was, toch
behield het de bovenhand, betaalde den Keizer eene groote som gelds
en bleef de Schelde sluiten.
Niettemin was er verandering nakend. Nadat de eerste stormen van
het teugelloos in bezit nemen van ons vaderland door de
Fransche Republikeinen waren uitgewoed, en België met het
groote Frankrijk één verklaard was, meende de republiek het
haren plicht de heropbeuring der thans Fransch geworden Antwerpsche
haven te moeten op zich nemen. Reeds den 16e November 1792, bij den
eersten Franschen inval, had de Nationale Conventie het
traktaat van Munster vervallen verklaard. “Het is niet dan ten
onrechte”, luidde het besluit, “dat eene natie zich alleen het
bevaren van een stroom kan voorbehouden, en de volkeren, die het
binnenland bewonen, kan beletten dezelfde voorrechten te
genieten..”
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
Drie jaar later, den 7en Mei 1795, toen Pichegru ook Holland
onderworpen had, kwamen de Bataafsche en de Fransche
republieken overeen: “dat voortaan de Schelde en de Hont
gemeen zouden zijn aan beide republieken, en dat de Fransche en de
Hollandsche schepen er op dezelfde manier zouden doorvaren.”
Na den val van Napoleon, wanneer de Engelsche diplomatie, in
ruil der begeerde Kaapkolonie, ons land als uitbreiding van
grondgebied aan het pas gestichte koninkrijk der Nederlanden
toekennen deed, stelden de mogendheden, als eene van de voorwaarden
der vereeniging, de vrijheid van verkeer op Schelde en Rijn.
Iedereen immers, Holland alleen uitgezonderd, vond er bate bij,
onbelemmerd zijne schepen naar Antwerpen te sturen.
Zoo gebeurde het dan ook. Vijftien jaar later echter, brak de
Belgische Omwenteling uit. De Belgische gezanten op de
Conferentie van Londen deden de vraag der Scheldevrijheid als
eene levenskwestie voor hun land gelden. Acht jaar lang gelukten
zij er in hunne zienswijze staande te houden en, op een korte pooze
na, bleef de Scheldevaart vrij.
Ongelukkig, in 1839, ontstond er verwikkeling op verwikkeling, en
zelfs België's bestaan verkeerde in gevaar. Het gevolg was, dat
Europa ons het onverwijld aanvaarden van het Traktaat der XXIV artikelen oplegde. De Scheldevaart zou nog wel open blijven, 't is
waar, doch elk schip, dat den stroom wilde opvaren, moest een vast
recht van een gulden vijftig cent, en elk vaartuig dat zeewaarts
zou afzeilen, een vast recht van acht en dertig cent aan Holland
betalen. Zoo luidde de rechtsspraak van den sterkste...
Hoe men hier de handen ook wronge van spijt, men moest het hoofd
buigen: Limburg en Luxemburg werden uiteen gereten en
deels aan het gemeene vaderland ontrukt. De Scheldevaart was weerom
belemmerd.
In deze hachelijke oogenblikken nam het stadsbestuur 'n hooghartig
besluit: “De tol te lichten op de scheepvaart der Schelde, zoo
luidde de wet van 5 Juni 1839... zal terug betaald worden door het
Belgisch Staatsbestuur aan de schepen van alle natiën”.
Het eerste half jaar betaalde men uit dien hoofde 354.000fr. en het
volgend jaar, in 1840, ruim zes honderd duizend. Doch Antwerpen's
haven was gered. Van jaar tot jaar echter, hoe meer Antwerpen
bloeide, stegen ook de lasten der terugbetaling. In 1860 waren zij
reeds tot twee millioen franken geklommen.
Het Staatsbestuur vatte alsdan het gedacht op te doen wat in 1857
reeds gedaan werd nopens den tol in den Sund en de twee
Belten, en besloot den afkoop van den tol, bij middel van
kapitalisatie en bij tusschenkomst der vreemde natiën voor te
stellen. Dank den persoonlijken invloed van Leopold I en de
bedrijvige handigheid van baron Lambermont,
gelukte men er in
zoowel Holland als de overige mogendheden voor het ontwerp te
winnen. Weldra stemde de Nederlandsche regeering in den afkoop toe,
mits eene som van 17.141.640 Hollandsche guldens.
In 1786 had Holland, bij het verdrag van Fontainebleau zelf 10.000.000 gulden aan Joseph II betaald om den stroom gesloten te houden!
Den 15en Juli 1863 vergaderden te Brussel de vertegenwoordigers der
mogendheden en die van al de belanghebbende zeenatiën, en den dag
daarop werd de overeenkomst geteekend. België zou het derde der
bepaalde som, Engeland bijna negen millioen frank, en de andere
natiën het overige voor hun aandeel nemen.
Vijftig jaren zijn sindsdien voorbijgegaan, vijfig jaar van
voorspoed en bloei voor de havenstad en voor 't vaderland. Daarom
wapperde op 20 Juli, blij en trotsch, de vlag op de O. L.
Vrouwentoren, daarom vierde Antwerpen's handelskamer
hooggetij en bracht de Scheldestad hulde aan
het nationale vorstenhuis, onder wiens hoede het onafhankelijk
België vertrouwvol de toekomst instaart.
Eenige typen van schepen uit de XVIe eeuw.
In de XVIe eeuw, lang voor dat de Schelde eigenlijk gesloten
werd, was Antwerpen een voorname handelsstad; de wateren der
Schelde droegen toen reeds ontelbare schepen, komende van alle
natiën der wereld. We geven hier eenige typen van schepen uit
dat tijdvak weer. Elke natie had schepen met bijzondere
eigenschappen.
Op onze plaat, die een afdruk is
van een ets van Pieter Breugel, den oude, ziet men rechts
een zoogenaamde kraak. De kraken waren voor dien tijd
reusachtige vaartuigen, die in de marine een zeer goed figuur
maakten en die ook dienden voor het vervoeren van koopwaren.
Deze schepen hadden dikwijls drie masten. De romp van het schip
kwam gewoonlijk zeer hoog uit het water en was van voor en van
achter bebouwd met kajuiten. Ze waren sterk bewapend met
kanonnen en steenwerpers.
Op het voorplan van onze plaat heeft men een karveel.
Karveelen waren kleine snelzeilende schepen, die voornamelijk in
Portugal en Spanje in gebruik waren. Men deed er
groote ontdekkingstochten mee naar Amerika en Indië.
Dit schip behoorde aan Dierick Van Paeschen, waarvan het
“Antwerpsch Kronijkje” zegt: “In 't zelve jaer (1516) op Sint-Marcus dach doe reysde Dierich Van Paeschen voer syn ierste reyse van Antwerpen naar Jerusalem, ende die stadt sandt twee groote gootstukken geschut, voor die stadt van Rhodes. Maar doe 't schip quamp vijf of zes mijlen in zee, quam het schip op een plate alsoo dat dat et berste, enz.” ― “Noch dit jaer van 1518 oock in den April, doen voer Dierich Van Paeschen met een nieu schip, de meeste dat ooyt in Antwerpen geweest hadde, naer Jerusalem voor syn tweede reyse, met veel pelgrims ende oock goet, maar doen sy op het Heilich lant quamen, wordden sy allen gevanghen door de Turcken, enz”
Het schip, dat tusschen de twee voornoemde schepen in de verte
is, is een visschersboot uit dien tijd.
Het vierde een der galeien uit de Middellandsche zee
die alsdan Antwerpen bezochten. In 1518 kwamen er veschillende.
Het “Antwerpsch Kronijkje” zegt als volgt: “In dit zelve jaer den 22 Juni, doen quamen 't Antwerpen twee galeyen, ende noch wel dertich groote meerschepen van Veneziën die groote coopmanschap overbrachten.” Die galeien waren zeil-
én roeibooten.
Het vijfde is een soort galjoen, een der schepen die
die door de Spanjaarden naar Amerika werden gezonden en die over
het algemeen steeds voor groote reizen aangewend werden.
Al deze schepen werden gewoonlijk in levendige kleuren
geschilderd.
Rechts: de mislukte poging om de Schelde te openen door Jozef II.
Door Engeland aangespoord dat misnoegd was over de
Vereenigde Provinciën die weigerden in den Amerikaanschen
oorlog tusschenbeide te komen, koesterde Joseph II in 1780 het
plan om de Schelde te openen. Daartoe zond hij in 1784 een
oorlogsschip “Le Louis” op de Schelde. De Hollandsche batterij
loste een kanonschot die op een ketel, boven op het schip
staande, terecht kwam. Het schip gaf zich over en de keizer deed
alle verdere krijgsoperaties staken. Het schip werd door Holland
aangeslagen, maar de keizer kreeg twee, volgens sommigen tien,
millioen gulden schadevergoeding.
Daarmee bleef de Schelde gesloten.
L. Laenen
|