Gepubliceerd op 10 februari 1912
De reuzen spelen in de mythologie van alle volkeren een
groote rol: 't zijn helden, half-goden, goden. Edoch, niets is
duurzaam in de wereld, zelfs geen reuzenfaam. De wetenschap is
gekomen en zij bewees klaar en duidelijk dat de reuzenwas eene
ziekte is, met vaste kenteekens en misvormingen.
Het reus zijn ―zoo min als het dwerg zijn― hangt niet van
het toeval af, maar is aan vaste oorzaken toe te schrijven, in
de laatste jaren nagespeurd.
Reuzen zijn er immer geweest en bij alle volkeren, maar een
reuzenras bestaat of bestond er niet. De middelmaat onzer
eerste voorouders was niet groter dan onze hedendaagsche
middelmaat; de uitgedolven geraamten zijn daar om het te
bewijzen. Wel is waar zijn sommige volkeren zeer groot van was
of groei, en andere zeer klein, maar daar is van reus zijn al
zoo min spraak als van dwerg zijn. De grootste rassen zouden
zijn de Patagoniërs en de Schotten uit
Galloway. Hunne lengte gaat gemiddeld tot 1,78 of 1,79
meter.
De reuzenwas is niet erfelijk; de reuzen stammen af van ouders
met eene gewone lengte, en de kinderen van reuzenouders hebben
ook maar eene gewone lengte. De heer Saint-Ouen de Pierrecourt, die aan de stad Rouaan verscheidene
millioenen naliet om jaarlijks eene bruidschat te schenken aan
een koppel reuzen, in de hoop een reuzenras te kweeken, zal
wellicht eene teleurstelling oploopen.
Maar waar is de grens, hoe hoog staat de centimeter die den
normalen mensch van den reus scheidt? Daar is geen cijfer voor
vast te stellen; min of meer wordt een lengte van 2 meter als
grenspunt aangenomen, maar dat is aldus meer bij overeenkomst
geregeld, dan wel door de wetenschap aangegeven.
De grootste reus in de wetenschap bekend, was 2,62 meter.
Er vallen twee soorten van reuzen te onderscheiden: de
kinderlijke en de acromegalische
reus.
De eerste begint in de loop van den grooten groei fel
te groeien en te wassen, en blijft het doen, zelfs nog na 25
jaar en bereikt aldus eene ongemeene hoogte. 't Zijn vooral de
onderste ledematen die groeien en deze reuzen zijn lang en smal
opgeschoten. Tevens ook zijn zij verachterd en kinderlijk: noch
baard noch knevel, met zwakke spieren en een vrouwelijk
gezicht.
En hier nog een woordje uitleg over de wijze waarop wij
groeien.
Rondom al onze beenderen is een vlies, het beendervlies;
door bemiddeling van dat vlies groeien onze beenderen in omvang,
in omtrek. De lange beenderen van ons lichaam (dijbeen,
scheenbeen, armbeen, enz.) bestaan, zoolang ze nog groeien, elk
uit drie deelen: het middendeel en beide uiteinden.
Tusschen het middenbeen en elk der beide uiteinden is er eene
schijf van kraakbeen (of knor) die, tijdens onzen
groei, gedurig aangroeit; maar dat kraakbeen en blijft geen
kraakbeen. De lagen kraakbeen die tegen de beenderuiteinden en
tegen het middenbeen gelegen zijn, verworden zelf tot het been,
en zoo komt het dat de beenderen wel aangroeien, maar dat de
schijven kraakbeen noch verdikken noch vergrooten.
Eens onze groei gedaan, versteenen of verkalken die
kraakbeenschijven en worden zij been en van dan af is een been
uit een stuk. Dat kan men goed zien bij de X-stralen.
Wanneer man vóór de X-stralen 't been houdt van een kind,
ziet men duidelijk het been uit de drie deelen samengesteld; bij een persoon van jaren is
er geen indeeling meer.
Welnu, de kinderlijke reuzen zijn lieden, waarvan die
kraakbeenschijven niet op normalen ouderdom verkalken, niet tot
been worden en die blijven dus nog geruimen tijd aan de
verlenging van het been arbeiden. Endaarom komt het ook dat zij
zoo opgeschoten zijn, dat zij op stelten lijken te loopen, want
hunne romp is niet in verhouding met hunne ledematen. De romp
bestaat inderdaad meerendeels uit korte beenderen, waar
er dus van den invloed der kraakbeenschijven niets waar te nemen
valt.
De acromegalische reuzen
daarentegen zijn niet slank, maar log, met groot, zeer groot
hoofd, groot gezicht, zware onderkaak, groote handen en voeten,
enz. (van daar de naam: acromegalie - groote uiteinden).
Deze danken hunnen reuzenwas aan den aangroei hunner beenderen
in omvang, in omtrek. 't Is niet de lengte der beenderen, die
aldus vermeerdert, maar wel de omtrek, de cubieke omvang. Hunne
kraakbeenderen zijn versteend.
Is er tusschen deze twee soorten van reuzen een hoofdzakelijk
verschil? Met zekerheid is dat nog niet geweten, maar
waarschijnlijk, of dikwijls toch, zouden het twee opvolgende
tijdperken eener zelfde ziekte zijn. Deze ziekte zou bestaan in
eene overdreven werking der beendervorming. In de
jongelingsjaren zouden vooral de kraakbeenschijven daaraan
arbeiden, en later, wanneer deze toch eens versteend geraakt
zijn en been geworden, zou de beendervorming door het
beendervlies nog immer op overdreven wijze voortgaan; en aldus
krijgen de beenderen hunnen grooten omvang en hun zwaar
uitzicht.
De kinderlijke reuzen, zoowel als die enkele reuzen, die zeer
groote, doch harmonisch ontwikkelde menschen en zonder
ziekelijke afwijkingen schijnen te zijn, vertoonen na min of
meer langen tijd kenteekens van acromegalie. En de lijders aan
die ziekte, die geen reuzen worden (want die zijn er ook) zijn
lieden, waar de ziekte ontstond na het eindigen van den groei;
dus na het verkalken van de kraakbeenschijven.
Ziedaar de wetenschappelijke leer, of liever, eene der gemaakte
veronderstellingen. Bewezen is het nog niet.
En de oorzaak van dit alles? Die ligt diep; zoo diep dat men ze
nog niet gevonden heeft. Dit is echter zoo verwonderlijk niet;
het is een der ingewikkeldste vraagpunten der geneeskunde en het
staat nog maar sinds ettelijke1 jaren aan de dagorde. De
oorzaak van den reuzenwas is niet plaatselijk, dat is te
zeggen, is niet gelegen in 't kraakbeen noch in 't beendervlies
- het moet elders gezocht worden, vermits er inderdaad buiten de
overdreven beendervorming nog andere kenteekens zijn, waarover
ik moet heenstappen om reden van bondigheid en duidelijkheid.
Reuzen zijn ziekelijke menschen, die aan allerlei lichamelijk
ongemak lijden. De oorzaak moet gezocht worden in het een of
ander orgaan dat een algemeene invloed op wasdom en groeikracht
en voeding en stofwissel uitoefent. Waarschijnlijk is de
zaadklier en de hersenslijmklier (deze is eene klier
in den schedel, onder aan de hersenen gelegen)
verantwoordelijk2. Voor wat deze laatste klier betreft, heeft
men altijd hare overgroeiing gevonden bij acromegalische reuzen,
in zooverre zelfs dat in plaats van vijftig centigrammen, dat
zij normaal weegt, zij soms tot drie en zelfs dertig grammen
woog (bij de lijkschouwing), ja, zelfs zoo groot was als een
sinaasappel.
Ligt daar de oorzaak? Misschien wel!
In het volgend nummer zullen wij het over de Dwergen hebben.