|
R. Vermandere werd te Kortrijk geboren, den 25 Februari
1857. Zijne ouders waren bakkers en na heel gebrekkig lager
onderwijs genoten te hebben, werd hij bakker op zijne beurt tot
zijn 23ste jaar. Door toedoen van Peter Benoit, legde hij
zich wat op de muziek toe ―hetgeen overigens niet gansch
mislukte― maar gaf er na een jaar den brui van en keerde tot
den trog terug. Het trappen en opwerken kon den jongen niet
blijven bevredigen. Er zwol daar iets in zijn binnenste naar
hooger op, lijk het brood onder de kleedjes.
Is het niet opmerkelijk, hoe de gesloten oven, de palen, haken,
planken en ander toebehoorten uit de stille doening eener
plattelandsche bakkerij, tusschen twee ovens in, wijl het brood
op de planken toegedekt ligt “gelijk kinderen die al slapend
moeten groeien”, in die geheimvolle stilte met krekelgesjirp,
meer dan een noesten werker door zelfonderricht tot gewaardeerd
letterkundige opkweekten?
Dat was het geval voor Vermandere. Daarbij, was hij geen
West-Vlaamsche jongen uit het veld van Groeninge, die, het
slapen moe, weer overeind kroop?
Wat er van zij, in 1889 vestigde hij zich eerst als
handelsreiziger te Borgerhout, deed verder zoo wat van
alles, dreef zelfs handel, geraakte eindelijk aan de redactie
van een weekblad om in 1895 als opsteller van “De Gazet van Antwerpen” aangenomen te worden, waar hij thans nog werkzaam
is.
In den slommer van al die bezigheden schreef Vermandere:
Novellen, Schetsen en Verhalen; Tooneelstukken ―drama's en
blijspelen― een vijftigtal klucht- en Vaderlandsche liederen;
was tevens medewerker van eenige tijdschriften en gaf zijn “Van
Zon” uit waardoor al de rest zich moet wegscheren!
Hij gaf in druk: “Het Blauwe Oog”, tooneelspel in twee
bedrijven, Gent 1880; “Twee Vaders”, drama in drie bedrijven,
Gent 1880; “Een Huwelijk per Annoncenblad”, blijspel in twee
bedrijven, Gent 1881; “'k Ben te Parijs”, kluchtspel in twee
bedrijven, Gent 1882; “Tien uren Dood”, tooneelspel in twee
bedrijven, Gent 1884; “4%”, blijspel in één bedrijf,
Antwerpen 1886; “Een uur Groot!”, blijspel in één bedrijf,
Antwerpen 1886; “De Gazetverkooper”, luimige alleenspraak met
zang, Gent 1886; “Rommelaar en Bommelaar”, blijspel met zang
in één bedrijf, Antwerpen 1887; “De Nieuwe Spuit”,
blijspel in één bedrijf, Borgerhout 1889; “Levende
Dooden”, blijspel in één bedrijf, Gent 1889; “De
Gevangene”, blijspel in één bedrijf, Gent 1889; “Van Hand
tot Hand”, blijspel in één bedrijf, Gent 1889;
“Familieeer”, drama in drie bedrijven, Gent 1889; “Mops”,
blijspel in één bedrijf, Antwerpen 1890; “De Verwaarde
Streng”, blijspel in één bedrijf, Antwerpen
18901
Onder zijne boeken dienen vermeld: “Vijf Novellen”, Kortrijk
1888; “Droeve Dagen”, Borgerhout 1890; “Schetsen en
Novellen”, Antwerpen 1891; “Gedenkenissen”, 1893; “Waar 't
Vliegen wil”, 1895; “Op droog Zaad”, 1900 (Uitgave van het
Davidsfonds, nr 120); “Van Zon-Zaliger”, door Hem-Zelf,
Keurboekerij, Leuven 19072.
In “Op droog Zaad” heeft schrijver, zooals de lezer licht
raden kan, wel eenigzins op eigen levensomstandigheden gedoeld.
Het bakken moede, wilde hij naar Antwerpen verhuizen.
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
“Oh! Wat
had Felix vele sterkten moeten winnen, eer het hem vergund was
eene kaart voor den Parnassus te mogen vragen, via Antwerpen. De
bakker had zich eerst overgegeven, moeder bood langer weerstand.
In hare liefdevolle bezorgdheid vroeg het goede mensch zich
immer af: "Wat zal hij daar in Gods naam doen?"
- Wat hij er doen zal? "Och, wat doen er de anderen?" had
Beirlaen haar eens geantwoord. De brave man wist er niet meer
van te zeggen. En Felix zelf had maar een onbepaald gedacht van
wat hij er doen zou. Antwerpen, der Schelde roemrijkste dochter,
waar de kunstenaars ontstaan gelijk de
kersouwkens3 in de wei, deed zich
aan zijnen geest voor, als een oord waar Manna vallen moest voor
alle beoefenaars der schoone kunsten. Wat hij er doen zou?
Verzen schrijven, boeken uitgeven, gazetten opstellen, eer en
roem en geld inoogsten! Wat deden er de anderen?”
“Van Zon-Zaliger” overtreft verre al wat van Vermandere tot
hiertoe van onder de pers kwam en zette hem ineens vóór in
de rij der moderne prozaschrijvers van eerste gehalte. “Heel
nieuw is het motief niet”, zegt hoogleeraar Lecoutere,
“maar wat kan er al niet mede tot stand brengen een kunstenaar
die fijn gevoelt en scherp toeziet!” De korte inhoud is deze:
Schrijver brengt met zijn vriend Jules Peetersen een bezoek aan
eene spirietenvergadering, maar valt er door verveling in slaap,
na vruchteloos bakker Van Zon te hebben doen oproepen. Nu begint
hij natuurlijk te droomen van spoken en Van Zon verschijnt hem
en vertelt hem met vele herinneringen uit het verleden, hoe het
er toeging van zijn sterfdag af tot op de begrafenis!
In het laatste hoofdstuk schiet de slaper druilings wakker
―niemand had hem in den hoek bespeurd, toen de gas uitgedraaid
werd― en nu zagen de bewoners van het huis hem aan voor een
nachtelijken inbreker. Op het politiebureau werd alles uitgelegd
en in de dagbladen gelachen!
“Een boek vol humor en levenswijsheid4” Professor Lecoutere, verslaggever over den
vijfjaarlijkschen wedstrijd in de Nederlandsche letterkunde,
weet hier en daar wel wat af te dingen, maar wat den stijl
betreft, die is perfect: “De uitdrukking, taal en stijl,
verdient veel lof. Zij passen uitstekend; Van Zon uit zich in de
springlevende taal van het volk, met hare kernachtige spreuken,
frissche beelden en schilderachtige
zegswijzen5”
“Van Zon-Zaliger” is de uiting eener scherpe, diepdoorvoelde
levensvisie... een echt kunstwerk. Een groot kunstenaar is hij,
die op zuiver menschelijke gedachten en gevoelens een nieuw
licht laat vallen, dat ze verjongt en weer genietbaar maakt. Zoo
deed Homeer; en Vermandere, “si licet parva componere magnis”,
heeft er iets van... Daarbij, “Van Zon-Zaliger” is een gezond
boekje, uit zedelijk oogpunt onberispelijk... Het boekje kan
veel goeds stichten en weze daarom warm aanbevolen. “Tolle et
lege6”
Om al die redenen was het pas verschenen boek van den
overtuigden Katholiek direct uitverkocht; nu is het voor de 3e
maal onder de pers gebracht, en wel bij de meesters van den
schrijver, de uitgevers der “Gazet van Antwerpen” die tevens
een boekdrukkerij “De Vlijt” beheeren. Daarom ook zal de
studeerende jeugd er veel bij leeren, leeren schrijven vooral,
en diende het werk overal als prijsboek te worden gegeven.
Daarom bijzonder, zegt men, vereerde Koningin Wilhelmina
den schrijver, tijdens haar bezoek te Brussel, met het
ridderkruis in de orde van Oranje Nassau, voor bewezen
diensten aan de Nederlandsche Letteren.
Ev. Dom
|