Gepubliceerd op 23 augustus 1913
Poperinghe, dat nu zaliger deken De Bo, den grooten standvlaming, vieren gaat, is een
lief en rustig stadje van 11700 inwoners, in Vlaanderens
Zuid-westersche landgouwen, in het al-oude Westland gelegen.De oudste vorm van den oordnaam Pupuringaheim ―woonstede van Pupurn― klimt op volgens Meyer An. Fl. tot in 6361 Omstreeks 666 viel de kleine vlek als leengoed in het bezit van den abt der Benedictijnerabdij van Sithin, naderhand genoemd naar St Bertinus, te St. Omaars.
Naarmate de tijd vorderde en de gemeente in belangrijkheid
toenam, breidde de leenheer zijn gezag uit, in tijdelijk zoowel
als in geestelijk opzicht; hij was het die het plaatselijk
magistraat aanstelde, den baljuw, de beide birgemeesters (der
wet en der commune) en de schepenen; hij was het insgelijks die
onder goedkeuring van den bisschop van Therouanen, en later
die van Yper, de parochieherders en hulppriesters
benoemde.Graaf Diederik van den Elzas verleende de eerste vrijheidskeure in 1147.
Een kloosterling der Benedictijnerorde, dien den naam van Proost
droeg, vertegenwoordigde den machtigen suzerein en verbleef in
het Vroomhof.
Bij den inval der Fransche omwentelaars, die het leenstelsel
omver wierpen, werd, in 1796, de laatste proost, Dom Laurentius Cuvelier uit zijn verblijf verbannen; al de
eigendommen der abdij werden aangeslagen en als nationaal goed
verbeurd2De roem en welvaart van Poperinghe dagteekenen uit den bloeitijd der Vlaamsche lakennijverheid; in de 14e eeuw was Poperinghe, naast Brugge, Gen en Yper, het voornaamste middenpunt der lakenweverij in 't graafschap Vlaanderen; hare koopwaren waren gezocht en veelgeprezen op de wereldmarkten van Brugge en Londen. Zoodanig was de bevolking aangegroeid dat reeds in 1290 twee nieuwe kerken moesten aangelegd worden. |
In 1366 begon men ook een vaart te graven ten einde de stad te
verbinden met den Ijzer en langs daar met de zee.
Gedurende ruim drie eeuwen diende zij als voornaamste vervoerweg
der overvloedige nijverheidsvoortbrengselen.
Een vinnige strijd was ontstaan tusschen de wedijverende
gemeenten Yper en Poperinghe met het noodlottig gevolg dat deze
laatste het onderspit moest delven3Poperinghe en omstreken erg geteisterd gedurende den geuzenstrijd of de godsdienstige beroerten der 16e eeuw4 had ook veel te lijden gedurende de oorlogen van Lodewijk XIV. Deze oorzaken, gevoegd bij den aanhoudenden twist met hare mededingster, putten de stedelijke geldmiddelen uit; de vaart lag verzand, handel en nijverheid verkwijnden, talrijke ambachtslieden weken uit naar den vreemde, en het verval der stad nam derwijze toe dat zij op het einde der 18e eeuw nauwelijks 8 duizend inwoners telde! Wat den naam van Poperinghe toch immer heinde en ver bekend zou maken was hare alomvermaarde hoppeteelt; sinds onheuglijke jaren was deze eene bron van voorspoed en heden ten dage wordt de Poperingsche hommel met reden zeer gewaardeerd. De Poperingenaren, zelfs in de woelige tijden hunner geschiedenis, bleven steeds hunnen voorvaderlijken aard gestand. Ten allen tijde muntten zij uit door hunne godsvrucht tot Onze Lieve Vrouw5.
Hunne drie rederijkerskamers der Langhoirs Victorinen,
Roeysche Barbaristen en St. Annisten, welke op een bestaan
kunnen bogen van verscheidene eeuwen, onderhouden bij het volk
den diepgewortelden lust naar tooneelvertooning.Het huidig bisschoppelijk College, evenals eertijds het Paterscollege, verstrekt een grondig onderwijs aan de leerzuchtige jeugd van stad en omtrek, en wijst met fierheid in het christen Vlaamsch leger op eene rei dappere voormannen die binnen zijne muren hunne opleiding ontvingen.
|