|
Nu dat zijn geboortedorp en, naar we
hopen, heel het christen Vlaanderen, in Ferdinand Verbiest een zijner edelste zonen staat te
vieren, wil ook Ons Volk den even groote geleerde als
zendeling hulde brengen en er toe bijdragen om den Vlaamschen
geloofsheld door zijn land- en geloofsgenooten te doen kennen en
hoogschatten.
Fernandus Verbiest werd den 9en October 1623 uit gegoede ouders
geboren te Pitthem, in West-Vlaanderen, niet verre van
Thielt gelegen. Over zijn kinderjaren valt weinig te zeggen. Op
den goeien Vlaamschen buiten, in den reinen dampkring eener
door-en-door christelijke familie, groeide Nand op tot een
frisschen knaap, kloek-gezond naar ziel en lichaam. Een flinken kop,
een edelmoedig hart.
Na zijn humaniora op het College der Paters Jezuïten, te
Brugge begonnen en te Kortrijk geëindigd te hebben,
trok Ferdinand naar Leuven, om op het College der Lelie in
de wijsbegeerte te studeren. Hier rijpte een neiging die
waarschijnlijk reeds lang in zijn binnenste ontkiemd was, tot een
kloek besluit: na een jaar studie “willende een beter leven
leiden”, bood de jongeling zich in het klooster der Jezuïten aan
en werd in het Novicaat te Mechelen aanvaard. Na den proeftijd
keerde hij naar Leuven terug om zijn studiën voort te zetten en met
voorliefde legde hij zich toe op de studie der wiskundige
wetenschappen. De hechte grondslag van zijn leven was gelegd:
wetenschap en deugd.
Maar, noch dorre de studie der wetenschap, noch de strenge ascese
binnen de muren eener kloostercel, konden die vurige ziel
bevredigen; een hooger levensideaal tooverde voor zijn geest een
heerlijk droombeeld en ontvonkte zijn hart van heilige geestdrift;
hij wou de zee over, de wijde wereld in, om zielen te winnen voor zijnen
God; hij zou missionaris worden.
Toendertijd beleefde de Katholieke Kerk een prachtige opbloei
van hare overzeesche missiën; wat zij in Europa door het
Protestantism verloren had, werd haar in de andere
werelddeelen ruimschoots vergoed. Onder al de orden, muntten vooral
de Jezuïten, als missionarissen uit. Alhoewel onze jeugdige
kloosterling zijn theologische studiën voltrokken noch de
priesterlijke wijding ontvangen had, vroeg hij aan en kreeg hij van
zijn overheid oorlof, om naar de Spaansche missiën van
Amerika te vertrekken. Doch onverwachte en onoverkomelijke
hinderpalen kwamen op zijnen weg te liggen.
Niet Amerika was hem door de Voorzienigheid als arbeidsveld
voorbestemd, maar wel China, het Hemelsch Rijk; daar, en
niet elders, zou Zij hem roepen ter goeder ure.
Een woordje geschiedenis zal, mijns erachtens, hier niet misplaatst
zijn.
Honderd jaar te voren, in 1552, na in Indië en Japan
wonderen van zielsijver gewrocht te hebben, zeilde de groote apostel
Franciscus Xaverius naar China, om ook daar het ware geloof te
verkondigen. Hij overleed echter op het eiland Sancian in het
gezicht van het Hemelsch Rijk, met deze laatste bede op de stervende
lippen: “Mijn God en Heer... mijn leven ten offer van China”.
Dit uitgestrekt Keizerrijk lag voor het
christendom heelemaal braak. Niet aan Franciscus maar aan zijn
volgelingen, en in 't bijzonder aan Pater Verbiest, een Vlaamschen
Belg, wiens ijver hij op zo'n hoogen prijs stelde, zou het gegeven zijn
in China een der baanbrekers te worden van de christene beschaving.
Verscheidene malen poogden missionarissen zich hier te vestigen.
Maar vruchteloos. Eerst dertig jaren na Franciscus' dood (1582)
gelukte het een Jezuïet, Math. Ricci, China binnen te
dringen, onder het gevolg van een Potugeeschen gezant... Om
missionaris te kunnen zijn onder het volk, trad hij als wiskundige op
aan het Hof. Drie prinsen en tal van mandarijnen won hij voor het
geloof en vond in hen voor het missiewerk een krachtigen steun. Onder
de opvolgers van Ricci muntte uit den geleerde Pater Adam Schall, die zijn wetenschap, roem en invloed
besteedde aan de uitbreiding des geloofs. Doch ook hier bleek waar het
woord van den Zaligmaker: “Overvloedig is den oogst, doch gering het
geta arbeiders.” Er werd een pater naar Europa afgezonden om
priesters en kloosterlingen tot het zendelingenwerk in China op te
wekken...
Geen wonder zoo die oproep
weerklank vond in de ziel van Pater Verbiest. Hij kreeg oorlof om te
vertrekken...
In Januari 1657 ging hij scheep op een zwaar en log
zeilschip, om eindelijk, in 1659, na
allerlei wederwaardigheden, te Makao aan
te landen. Hij werd naar eene provicie in het Noord-Westen van China
gezonden om er het eigenlijke missionariswerk te verrichten.
Voortaan heet hij Pater Nan-Hoai-Jin, dat evenveel beteekent
als Nand-goed-hart. Een naam wel verdiend!
Slechts enkele maanden zou Pater Verbiest in zijn zendelingenpost
blijven; hij werd naar Peking geroepen om Pater Schall in zijn
wetenschappelijke taak bij te staan. De “zeer geleerde Doctor
Ferdinandus”, zoo werd hij betiteld, werd door den keizer met
achting en door zijn medebroeders met open armen ontvangen. Pater
Schall, na Fernandus eenigen tijd aan 't werk geziet te hebben, riep
vreugdevol uit: “Nu staat de Kerk te Peking voor een heerlijke
toekomst!”
Niets liet vermoeden dat het orkaan over de
jonge Kerk weldra losbarsten en haar met totalen ondergang bedreigen
zou. Keizer Xun-chi, de groote vriend en
beschermer der missionarissen, kwam te sterven en liet als
troonopvolger een zoontje van acht jaar, onder de voogdij van vier
mandarijnen, allen tegen den katholieken godsdienst vijandig
gestemd. Allerlei laster werd tegen 't katholiek geloof en diens
voornaamsten vertegenwoordiger Pater Schall rondgestrooid.
De Paters werden aangehouden en door omgekochte rechters ter
gevangenis veroordeeld. Het gebeurde op 5 November 1664. Pater
Verbiest, die de jongste en de kloekste was, kreeg de zwaarste
boeien. Door een keizerlijk edikt werd de christene godsdienst
als een dwaalleer en een groot gevaar voor den Staat gedoemd.
Over heel het rijk spreidde zich de vervolging uit; al de
geloofspredikers werden in hechtenis genomen...
Wat de gevangenen moeten geleden hebben, blijkt uit eene
beschrijving van de gevangenis, die ons een pater heeft nagelaten:
“De kerker daar zij zaten was niet veel beter als een muit van
alle kanten open, uitgesteld aan het gezicht van alle menschen,
winden en regen, die op dezen tijd in grooten overvloed viel;
de onzen kosten anders niet rusten als met het lichaam gelijk
in een bol gerold. Deze rust werd gedurig onderbroken met
malligheden van een onbeschaamd gespuis van fielten, die nevens
hen zaten...”1
't Is als bij mirakel, dat de paters een allerwreedsten dood
ontsnapten. Reeds waren Pater Schall en eenige christen prinsen
veroordeeld om levend in kleine stukjes gehakt te worden. Hetzelfde
lot bedreigde Pater Verbiest. Daar Pater Schall door een beroerte
getroffen en van de spraak beroofd was, stond Pater Verbiest de
vijanden van het geloof voor het gerecht te woord, met zooveel
welsprekendheid en onversaagdheid dat de rechters er over verbaasd
waren. Den 16en April moest het doodvonnis bepaald worden
geteekend.
Maar een aardbeving sloeg de Chineezen de vrees in het hart. Dat was de
hand Gods, zeiden zij. Door deze omstandigheid en meteen door de
kranige houding van Pater Verbiest, kwamen de paters op vrije voeten.
Maar met rust gelaten werden zij niet...
De kerken werden gesloten; de beelden verbrijzeld; al de priesters
naar Kanton verbannen. Slechts vier priesters ―waaronder
Schall en Verbiest― mochten te Peking blijven, in het klooster
opgesloten en onder strenge bewaking. Kort daarop stierf Pate
Schall; de drie overblijvenden brachten de jaren dezer afzondering
door in arbeid en gebed. Wilt gij de zielsgesteldheid van Pater
Verbiest kennen gedurende al die bange jaren, leest wat hij schreef
naar den Eerw. Pater Provinciaal der Vlaamsch-Belgische Provincie:
“Meer dan dertig maal werd ik, in 't aanzien van heel het hof,
geketend naar de Rechtbank geleid. Hoe klonk dan het geknars en
het gekrijsch mijner negen boeien mij zoeter in de ooren dan
weleer het feestgebulder der kanonnen, welke men, in meer dan
dertig steden, losbrandde ter mijner eere, wen ik op 's Keizers
bevel naar Peking trok. Oh! Ware het mij gegund voor u te staan
met in mijne hand niet enkele lijdensbladeren en dra te
verwelken smartebloemkens, maar een ongeschonden
martelaarspalm, roodgeverwd in mijn bloed.”
Niet de martelaarskroon was voor hem weggelegd; maar de weg tot
eer en roem lag voor hem open. In 1668 was het den
mahomedaanschen sterrekundige, die vroeger Pater Schall had
aangeklaagd en diens plaats ingenomen aan het Wiskundig Hof,
gansch onmogelijk den jaarkalender op te maken.
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
Niemand werd
bekwaam gevonden de moeilijkheid op te lossen.
Eindelijk herinnerde een mandarijn den Keizer aan de
astronomische kennis der Paters Jezuïten. Pater Verbiest
werd aan het Hof ontboden en wist al gauw den moeilijken knoop
door te hakken. En toen hem om bewijzen gevraagd werd, viel hij
aan 't werken, en door middel van de tuigen der
sterrewacht toonde hij
aan, tot driemaal toe, in tegenwoordigheid van vele geleerden
en eens in 't bijzijn van den Keizer zelf, dat hij juist
berekend had en dat de mahomedaan een ellendige bedrieger
was.
Licht valt te begrijpen valt de opschudding, door dit alles
teweeggebracht. Hoog in aanzien steeg Pater Verbiest; door
Keizer Cam-hi werd hij benoemd tot Voorzitter van het
Wiskundig Hof; later zou hij zelfs
mandarijn, opper-president
van den Oppersten Raad en evenveel als opper-ingenieur van het
Hemelsch Rijk worden. Steeds genoot hij den vriendschap des
keizers en leefde met hem op vertrouwelijken voet, eer en gunst
die slechts zij kunnen waardeeren die de gebruiken van het
Chineesch Hof kennen.
Niet dat de geleerdheid van Pater Verbiest overschat werd! Onze
Vlaamsche Jezuïet was een man der wetenschap van het eerste
gehalte en verbazend is zijn arbeid op wetenschappelijk gebied. Nu
spreek ik den heer Rabbay na:
“Hier is het de plaats niet om lang uit te weiden over de zoo
vruchtbare loopbaan van Pater Verbiest, die wij ook meest als
geleerde willen beschouwen. Wellicht ware een gansch
menschenleven noodig om in onze hedendaagsche talen weer te
geven wat de wondere man van geleerde werken heeft geschreven
in het Latijn, in het Chineesch en in 't Tartaarsch. Een
en dertig merkwaardige boeken heeft hij opgesteld, handelende
over godgeleerdheid, wijsbegeerte en wetenschappen. Geleerden
zijn sedert jaren aan den arbeid om over den vermaarde man een
standaardwerk uit te geven, dat zijner verdienste en zijns
vernuft moge waardig zijn.”
Slechts enkele bijzonderheden om een denkbeeld te geven van zijn
reuzenarbeid en ongemeene waarde op wetenschappelijk gebied. Als
Voorzitter van het Wiskundig Hof richtte hij dit opnieuw in, voorzag
de sterrenwacht van nieuwe instrumenten, waarvan hij ofwel de
geniale uitvinder ofwel de kunstige vervaardiger was, als
bijvoorbeeld een prachtig artistiek-bewerkten wereldbol in
gesmolten metaal, een wateruurwerk van eigen vinding, een dergelijk
uurwerk, dat op bepaalden tijd een klok kon doen luiden. Hij maakte
bovendien tal van machienen, om ter fijnst uitgedacht en ineengezet,
die meestal beschreven en uitgelegd staan in een zijner werken:
“Astronomia Europaea”.
Voor de hovingen en het paleis des keizers vervaardigde hij alle slag
van hydraulisch getuigom ze van water te voorzien en tegen de
overstroomingen te vrijwaren. Onze geleerde Vlaming is nog de
uitvinder van een soort wagentje en scheepje, welke door den stoom in
beweging werden gebracht. “Deze welgelukte toepassing van den
stoom op vervoermiddelen” merkt M. de Haulleville op,
“geschiedde een eeuw en half voor Fulton en Watt, en meer
dan twee honderd jaren vóór de uitvinding der automobielen”.
Doch genoeg over den man der wetenschap2; nog een woord over den man Gods. Ten midden van dien
ontzaglijken wetenschappelijken arbeid verloor de
priester-zendeling zijn hoogere roeping niet uit het oog! Steeds
bleef hij de leuze van de Stichter zijner Orde indachtig en getrouw:
“Alles tot meerdere eer en glorie van God!”
Zijn wetenschappelijke arbeid moest strekken om den God der
christenen te verheerlijken en de oogen der Chineezen te openen voor
de klaarheid van het christen geloof. “Gelijk de kennis der
sterren” zoo schreef hij zelf, “eens de Wijzen uit het Oosten naar
Bethlehem voerde en hen in aanbidding neerwierp voor het
goddelijk kind, zoo ook zal de sterrenkunde de volkeren van China den
weg wijzen, die hen brengen zal voor het altaar van den waren God.”
Zijn invloed bij den Keizer maakte hij dienstbaar aan de verspreiding
van het Christendom, door vrijen toegang te verkrijgen voor de
missionarissen. Terwijl hij aan wetenschap deed, arbeidden zijne
medebroeders, onverdroten en ongestoord, aan het heil der zielen.
Dank zij Pater Verbiest wies de Chineesche Kerk als het
mostaardzaadje tot een machtigen boom, waar prinsen en mandarijnen,
zoowel als eenvoudige lieden kwamen in schuilen. Noch de groote gunst
waarin Verbiest aan het Hof stond, noch de eereambten tot dewelke hij
verheven werd, noch de hooge faam tot dewelke hij ook in Europa en in
zijn geliefd vaderland geraakt was, konden Pater Verbiest
verblinden door ijdelheid en zelfgenoegzaamheid. Hij was en bleef
een eenvoudig man, een nederige kloosterling. Wat te bewonderen is.
Immers voor velen is het lijden lichter om dragen, dan wel eer en roem.
Hij schreef aan een medebroeder:
“Weest seker dat ick met alle die eere die den Coninck
mij doet, als ook met de estime van de groote mandarins seer
luttel troost hebbe in mijn hert, ende dat ick veel liever,
aangaande mijns lust, soude leven het leven van onsen salich
overleden vader S. Faber, met loopen in de missiën, ende om
te gaen met de arme christenen, als wel met de mandarins te
traineren; maar ick sta nu op desen wech ende ick kan nochte en
mach niet te rugghe keeren...”
Die taal was oprecht. Wanneer hij ambtshalve in staatsiekleedij
moest ten Hove verschijnen, droeg hij onder zijn kostbaar gewaad een
boetekleed.
Wat zijn oprechtheid ten overvloede bewijst is de zielsgrootheid,
door hem in het lijden aan den dag gelegd. Want ook dit bleef hem niet
gespaard. Niet alleen de vervolging vanwege de vijanden van buiten,
zooals wij hierboven zagen, doch ook het lijden, dat nog meer de ziel
schrijnt en hare veerkracht verslapt: het lijden door eigen
geloofsgenooten aangedaan. Pater Verbiest werd niet door al zijn
geloofsbroeders begrepen; zijn werking niet geschat als het zijn
moest; zijn bedoeling ook meermalen verkeerd uitgelegd. Is dat het
merk niet, waar Onze Lieve Heer veelal het werk der zijnen mede ijkt en
bezegelt? Pater Verbiest sprak, wanneer het voor het heil zijner
beminde bruid, de Cineesche Kerk, noodig scheen; verder zweeg hij en
leed in stilte; hij arbeidde en bad...
Zijn taak hier beneden zou haast ten einde loopen. Den dood voelende
naderen, schreef hij tot den Keizer: “Sire. Ik sterf tevreden. Ik bid
ootmoedig Uwe Majesteit, na mijn dood te willen gedenken, dat al mijn
werken voor enig doel hadden, in den persoon van den machtigsten vorst
uit het Oosten, een beschermer te winnen voor den heiligsten der
godsdiensten.”
In deze woorden ligt het levensdoel
opgesloten van den nederigen kloosterling, van den uitstekenden man
der wetenschap, van den grooten zendeling die Ferdinand Verbiest
heette en tot eer strekt van ons Vlaamsche volk, wiens edel kind hij was
en van de Jezuïetenorde, tot dewelke hij behoorde, en van de
Roomsche Katholieke Kerk, wier trouwe zoon hij was en die hij heeft
gediend door zijn arbeid en zijn wetenschap.
Fernandus Verbiest stierf op 28 Januari 1688, met eer en roem
overladen en nu nog, op zijn stoffelijk overblijfsel, rijst het
praalgraf, dat het dankbare
China aan zijnen weldoener heeft opgericht.
Vlaanderen, waarom moest gij zoolang uwen groote zoon vergeten?
Goddank, de dag der eerherstelling nadert3.
Nawoord.
Om de nieuwsgierigheid van sommige lezers te bevredigen.
Wat is er van het groot christen beschavingswerk van Pater Verbiest en
diens medearbeiders overgebleven? Niet veel...
De toekomst van den katholieken godsdienst ging zwanger aan rijke
beloften, maar de oogst die stond te rijpen, leed groote schade door
het onkruid der tweedracht en werd grootendeels door de stormen der
vervolging vernietigd.
Er ontstond onder de zendelingen een heilige strijd ―strijd die tot
in Rome weerklank vond― omtrent het accomodatiesysteem; dat is
omtrent het aanpassen van sommige Oostersche ritussen en gebruiken
bij den katholieken godsdienst. “Ook sedert 1631 waren
missionarissen van andere Orden in China werkzaam, wien het
gedeeltelijk aan voorzichtigheid ontbrak. Men zou gezegd hebben dat
zij kwamen om te maaien waar ze niet gezaaid hadden, om twist te stoken
en het bekeeringswerk te vertragen.”4
In het jaar 1722 kwamen darenboven den christenen vijandige vorsten
op den troon. Tien jaren lang woedde er een hevige vervolging. De
herders werden vermoord of uit het land gedreven; de kudde liep
verstrooid uiteen.
Goddank, sinds de tweede helft der laatste eeuw bloeien de Chineesche
missiën weder op, en hier mogen wij met fierheid wijzen op tal van
Vlaamsche zendelingen, die 't christen beschavingswerk van Pater
Verbiest in China voortzetten.
Moge het zaad, dat zij in 't zweet huns aanschijns uitstrooien en met
hun tranen, soms met hun bloed bevochtigen, gedijen tot een
prachtigen oogst, vrij, inwendig, van alle onkruid en beschut tegen
alle stormen van buiten.
E. Van de Perre, pr.
|