|
Het geschil tusschen Oostenrijk en Servië.
Pas had het vraagpunt van het meesterschap over de
Middellandsche Zee het ontwerp geweest van ernstige
besprekingen in Engeland, Frankrijk, Italië en Duitschland en
―zooals wij in een vorig artikel bewezen―
tot eene versterking der Engeslsche vloot in gemelde zee aanleiding
gegeven, of een ander vraagpunt van dezelfden aard rijst op, en
dreigt eenen nieuwen oorlog te enten op degene welke de Bulgaren
tot voor de poorten van Constantinopel hebben gebracht.
Het geldt hier het meesterschap over de Adriatische Zee. Tot
nu toe had Oostenrijk-Hongarije slechts met eenen mededinger
af te rekenen, te weten: Italië. Voorwaar, heel eigenaardig
die aanhoudende tweespalt tusschen twee deelgenooten van den
Driebond! Thans dreigt een derde mededinger op te treden,
namelijk Servië.
Sedert jaren snakken de Serviërs naar eenen uitweg langs de zee,
van dewelke zij, door het toedoen der Turken, sedert eeuwen waren
afgescheiden. Dat zij den oorlog te baat nemen om hunne steeds
zegevierende troepen nu naar de Turksche kust der Adriatische Zee
te sturen, alwaar de Montenegrijnen hen reeds waren voorafgegaan en
de haven van San Juan de Medua hadden bemeesterd, moest
niemand verwonderen. De haven van Allesio is reeds in hunne
macht.
Doch Oostenrijk ziet reeds 't spook van eenen economischen en zelfs
van eenen staatkundigen mededinger, die de hand uitstrekt naar
Durazzo, de groote haven, om er eene oorlogshaven van te maken.
Meer nog: schuilt de Rus niet achter den Serviër? Had
Rusland Servië niet opgestookt?
Evenmin kan Oostenrijk-Hongarije vrede hebben met de inlijving van
Albanië door een of ander der Balkaansche Staten. Die
gewezen Turksche provincie wordt bespoeld door de wateren der
Adriatische Zee. Steeds is het vraagpunt van Albanië een
heimelijke twistappel geweest tusschen Oostenrijk en Italië.
Beiden verdachten elkander de inbezitneming of ten minste de
bezetting van Albanië na te jagen. Men herinnert zich ook dat,
tijdens den oorlog tusschen Turkije en Italië, Oostenrijk
alles in het werk stelde om te bekomen dat deze laatste het
Turksche grondgebied onaangeroerd zou laten uit vrees dat Albanië
de prijs der onderneming zou wezen.
In de oogen van Oostenrijk-Hongarije moet Albanië onafhankelijk
worden. En zijne regeering roept twee flinke beweegredenen in. De
eerste is getrokken uit het gemis aan vriendschapsbetrekkingen
tusschen Serviërs en Albaneezen en de zucht dezer laatsten naar
onafhankelijkheid; de tweede is de leus der Balkaansche bondgenoten
zelven: de Balkans aan de Balkaansche volkeren.
Welnu, zegt Oostenrijk tegen Servië, past uwe schoone leus toe op
de Albaneezen en geef hun de onafhankelijkheid!
Ziedaar, in een paar woorden samengevat, de kern van het dubbel
geschil tusschen Servië en Oostenrijk, dewelke in de laatste
jaren meer dan eens in onmin geraakten. Zal Oostenrijk, om Servië
van de vruchten harer zegepralen te berooven, zijnen toevlucht
nemen tot de wapens? Zal het machtige Slavisch bestanddeel zijner
bevolking ―23 miljoen in totaal― zijne stem niet verheffen, ten
gunste zijner Servische stambroeders? En zal het Balkaansch
bondgenootschap niet als één man optreden, om Servië in hare
aanspraken te ondersteunen? En welke houding zullen Oostenrijks
bondgenooten aannemen?
On mogelijk deze vragen te beantwoorden, zelfs eene waarschijnlijke
oplossing aan te duiden. Wij staan immers voor gansch nieuwe
toestanden. Oostenrijk heeft reeds voorgesteld Servië eene uitweg
te vergunnen op de zee, elders dan te Durazzo, en zonder
uitbreiding van grondgebied tot aan de kusten der Adriatische Zee,
over dewelke zij het meesterschap met twee, doch niet met drie wil
deelen. Zulkdanige oplossing zou de betrekkingen van Servië met
de zee van de willekeur van haren groote nabuur laten
afhangen.
Heeft het voorstel van afstand eener haven van Montenegro meer
kans van te gelukken? De Montenegrijnen hebben zulkdanige oplossing
heel koel onthaald, dat wil al veel zeggen.
Het eenvoudigste ware, volgens den raad der Engelsche regeering,
deze en alle andere netelige vraagstukken voor te behouden, en
dezelve in eene wederlandsche conferentie te bespreken, bijeen te
roepen na het sluiten van den vrede ― dewelke nu toch in aantocht
is.
Eilaas! De eenvoudigste middelen worden niet altoos aanzien als de
beste.
De Albaneezen.
Vervolg van ons artikel in het vorig nummer
Alhoewel de Albaneezen geen eigenlijken staat bezitten, verdienen
ze toch meer bijzonder onze aandacht, niet alleen omdat zij een
roemrijk verleden achter de rug hebben, maar ook, omdat zij door
bemiddeling van Oostenrijk, na afloop van den huidigen oorlog,
waarschijnlijk een onafhankelijk land zullen krijgen.
Oorspronkelijk zijn de Albaneezen uit denzelfden stam ontsproten
als de Grieken. Door de Turken worden zij Arnauten genoemd.
Feitelijk bestaan zij uit twee hoofdstammen: de Geggen, die
naar den Islam overgingen, en de Tosken, die meer
aanhangers bleven van de Grieken.
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
Behalve deze hoofdstammen heeft men nog verschillende kleinere
stammen, waarvan in het Noorden de katholieke stammen der
Malissoren en Mirdieten de voornaamste zijn.
In de oudheid was Albanië, aldus de “Lamb. Corresp.”, een
geheimzinnig gewest; hier stroomde de Acheron en de
Cocytus, twee rivieren die volgens de Grieken naar de
onderwereld geleidden; hier verhief het muzenverblijf van den
Pindus zijn door wolken omkransde bergtop; hier strekte zich
het heilige woud van Dodona uit.
De Skipetaren, zooals de bewoners van dit land zich noemden,
waren onderworpen aan het koninkrijk Macedonië en deelden in
de wisselvalligheden waaraan de Illyriërs en de
Macedoniërs onderworpen waren.
Toen het Byzantijnsche keizerrijk tot stand kwam, werd het
grondgebied der Skipetaren verdeeld in provinciën, die gedurende
eenigen tijd onder de heerschappij der Bulgaren geraakten. Als
aaneengesloten eenheid treden echter de Albaneezen pas in de
geschiedenis op in het begin van de 15e eeuw; sindsdien hebben zij
aan het voortdringen der Turken op het Balkan-schiereiland altijd
den hevigsten weerstand geboden.
Een schitterende heldenfiguur staat aan het begin van dezen
vrijheidsstrijd tegen de Turken, nl. Skanderberg, de vorst van
Kroja, die de vestingen zijner bergen verdedigde tegen de
geheele legermacht van den sultan. In het hart van de Albaneezen
leeft nog altijd de herinnering aan dien heldenstrijd, waarin hun
voorvaderen, gesteund door de Venetiërs, als laatste
vooruitgeschoven post der Christenheid zich opwierpen tegen den
overweldigenden invloed der Mahomedanen.
Bij de verdediging van Skoetari verrichtten zij
bovenmenschelijke heldendaden. De stad, door de Venetiër
Antoneo Loredano voortreffelijk verdedigd, bood in 1474 het
hoofd aan de Turken; drie jaren later lagen deze weer met een leger
voor de stad. “Het Turksche leger” zoo vermeldt de
geschiedschrijver Chalkondylas “was zoo talrijk, dat men in
de vlakten, op de bergen, aan de kusten en overal zoover het oog
reikte, niets anders zag dan tenten en wapenen.” Bij deze
belegering maakten de Turken voor den eerste maal gebruik van
vuurkogels, die zij door middel van dubelloops kanonnen in de stad
schoten. Maar noch de ontzaglijke inspanningen, noch het tot dan
nooit geziene geschut, waren in staat de moed der Albaneezen te
breken. Ook de vrouwen legden een heldenmoed van in den strijd
vergrijsde krijgers aan den dag: “zij stelden zich bloot aan
allerlei gevaren en wedijverden met de mannen, zoodat velen harer
op de wallen door de kanonnen gedood werden...”
Sultan Mohammed II zag tenslotte de onmogelijkheid in, de stad
te veroveren, en daarom liet hij aan den honger over, wat zijn
wapenen niet hadden kunnen uitrichten. Nog 15 maanden lang hielden
de dapperen stand onder onbeschrijfelijke ontberingen; in April
1478 moesten zij de stad aan de Turken overleveren.
Maar terwijl zij de stad aan de gehate vijanden overlieten, bleven
zij zelf er niet wonen. Op Venetiaansche schepen verliet het
meerendeel der bevolking Skoetari en vestigde zich in de
ontoegankelijke bergen van Albanië, waar zij aldoor tegen de
muzelmannen zijn blijven strijden en zich nooit door hen
geheel hebben laten onderwerpen.
In den loop der eeuwen won echter den Islam meer veld onder hen; de
Albaneezen vormden de elite van de keurbenden der Janitsaren.
Evenwel, er heerschte nooit vrede en rust onder hen; streden zij
niet tegen de Turken, dan waren zij in bloedige gevechten gewikkeld
met de Montenegrijnen. De Porte1 ook voedde in het geheim den
naijver tusschen de verschillende rassen, en zag maar al te gaarne
dat zij door den oorlog elkander wederkerig verzwakten. De
Skipetaren droegen slechts in naam het Turksche juk, en er behoefde
slechts een stoutmoedige man, een nieuwe Skanderberg, op te staan
om het af te schudden. Deze man stond in 1770 werkelijk op in den
door de Porte benoemden Pascha Mahmoed, die tot het oude en
machtige Albaneesche geslacht der Boetschalty behoorde.
Na een gelukkigen strijd tegen de Montenegrijnen, verklaarde hij
zich onafhankelijk, en versloeg onder de muren van Skoetari de
Turksche troepen, die tegen hem afgezonden waren. Maar in een
nieuwen oorlog met Montenegro verliet hem het geluk, hij werd
overwonnen en doodde zich zelf.
De opvolgers van Mahmoed, die noch zijn dapperheid noch zijne
krijgskunde bezaten, moesten de Turksche opperheershappij weer
herkennen; alleen de laatste uit het geslacht van de Boetschalty,
Moestapha, ondernam nog een wanhopige poging om voor zijn vaderland
de vrijheid en onafhankelijkheid te bevechten. Hij ondersteunde den
Pascha van Janina, Ali van Tepelen, die tegen de Turken
in opstand was gekomen, en zocht de Albaneezen tot een
gemeenschappelijk samengaan te bewegen. Maar de dood van Ali
beroofde Moestapha van zijn voornaamste steun; hij moest Skoetari
overleveren, werd door den Sultan begenadigd en tot stadhouder van
verscheidene provinciën aangesteld. Daarmede was de laatste
ernstige algemeene opstand der Albaneezen onderdrukt.
De tallooze opstanden in de 19e eeuw getuigen van het ongebroken
verzet dat de Albaneezen steeds getoond hebben tegen iedere
inkrimping van hun persoonlijke vrijheid, of dan hun vijanden al de
Turken, de Montenegrijnen of de Serviërs waren.
De Mahomedaansche Albaneezen ―oorspronkelijk de Geggen―
steunden in den laatste tijd den bekenden “rooden sultan”,
Abdul Hamid en werden dan ook door hem begunstigd. Toen in
1908 deze sultan onttroond werd en de Jong-Turken zegevierden,
kregen het de Albaneezen weer te kwaad. Men wilde hunne
nationaliteit verturkschen, men sloot hun scholen en men drong de
Turksche taal met geweld op. Toen kwam er weer een opstand die het
voorspel was van den huidigen oorlog.
Ed. Vlietinck
|