Vorige: De oorlog op den Balkan(5).   Omhoog: Balkan.   Volgende: De oorlog op den Balkan(7).
Inhoudsopgave   Index


De oorlog op den Balkan(6).


Gepubliceerd op 30 november 1912

Het geschil tusschen Oostenrijk en Servië.

RoodKruisBalkan Pas had het vraagpunt van het meesterschap over de Middellandsche Zee het ontwerp geweest van ernstige besprekingen in Engeland, Frankrijk, Italië en Duitschland en ―zooals wij in een vorig artikel bewezen― tot eene versterking der Engeslsche vloot in gemelde zee aanleiding gegeven, of een ander vraagpunt van dezelfden aard rijst op, en dreigt eenen nieuwen oorlog te enten op degene welke de Bulgaren tot voor de poorten van Constantinopel hebben gebracht.
Het geldt hier het meesterschap over de Adriatische Zee. Tot nu toe had Oostenrijk-Hongarije slechts met eenen mededinger af te rekenen, te weten: Italië. Voorwaar, heel eigenaardig die aanhoudende tweespalt tusschen twee deelgenooten van den Driebond! Thans dreigt een derde mededinger op te treden, namelijk Servië.

Sedert jaren snakken de Serviërs naar eenen uitweg langs de zee, van dewelke zij, door het toedoen der Turken, sedert eeuwen waren afgescheiden. Dat zij den oorlog te baat nemen om hunne steeds zegevierende troepen nu naar de Turksche kust der Adriatische Zee te sturen, alwaar de Montenegrijnen hen reeds waren voorafgegaan en de haven van San Juan de Medua hadden bemeesterd, moest niemand verwonderen. De haven van Allesio is reeds in hunne macht.
DoodsberichtStatusQuo Doch Oostenrijk ziet reeds 't spook van eenen economischen en zelfs van eenen staatkundigen mededinger, die de hand uitstrekt naar Durazzo, de groote haven, om er eene oorlogshaven van te maken. Meer nog: schuilt de Rus niet achter den Serviër? Had Rusland Servië niet opgestookt?
Evenmin kan Oostenrijk-Hongarije vrede hebben met de inlijving van Albanië door een of ander der Balkaansche Staten. Die gewezen Turksche provincie wordt bespoeld door de wateren der Adriatische Zee. Steeds is het vraagpunt van Albanië een heimelijke twistappel geweest tusschen Oostenrijk en Italië. Beiden verdachten elkander de inbezitneming of ten minste de bezetting van Albanië na te jagen. Men herinnert zich ook dat, tijdens den oorlog tusschen Turkije en Italië, Oostenrijk alles in het werk stelde om te bekomen dat deze laatste het Turksche grondgebied onaangeroerd zou laten uit vrees dat Albanië de prijs der onderneming zou wezen.
In de oogen van Oostenrijk-Hongarije moet Albanië onafhankelijk worden. En zijne regeering roept twee flinke beweegredenen in. De eerste is getrokken uit het gemis aan vriendschapsbetrekkingen tusschen Serviërs en Albaneezen en de zucht dezer laatsten naar onafhankelijkheid; de tweede is de leus der Balkaansche bondgenoten zelven: de Balkans aan de Balkaansche volkeren.
Welnu, zegt Oostenrijk tegen Servië, past uwe schoone leus toe op de Albaneezen en geef hun de onafhankelijkheid!

Ziedaar, in een paar woorden samengevat, de kern van het dubbel geschil tusschen Servië en Oostenrijk, dewelke in de laatste jaren meer dan eens in onmin geraakten. Zal Oostenrijk, om Servië van de vruchten harer zegepralen te berooven, zijnen toevlucht nemen tot de wapens? Zal het machtige Slavisch bestanddeel zijner bevolking ―23 miljoen in totaal― zijne stem niet verheffen, ten gunste zijner Servische stambroeders? En zal het Balkaansch bondgenootschap niet als één man optreden, om Servië in hare aanspraken te ondersteunen? En welke houding zullen Oostenrijks bondgenooten aannemen?
On mogelijk deze vragen te beantwoorden, zelfs eene waarschijnlijke oplossing aan te duiden. Wij staan immers voor gansch nieuwe toestanden. Oostenrijk heeft reeds voorgesteld Servië eene uitweg te vergunnen op de zee, elders dan te Durazzo, en zonder uitbreiding van grondgebied tot aan de kusten der Adriatische Zee, over dewelke zij het meesterschap met twee, doch niet met drie wil deelen. Zulkdanige oplossing zou de betrekkingen van Servië met de zee van de willekeur van haren groote nabuur laten afhangen.
Heeft het voorstel van afstand eener haven van Montenegro meer kans van te gelukken? De Montenegrijnen hebben zulkdanige oplossing heel koel onthaald, dat wil al veel zeggen.
Het eenvoudigste ware, volgens den raad der Engelsche regeering, deze en alle andere netelige vraagstukken voor te behouden, en dezelve in eene wederlandsche conferentie te bespreken, bijeen te roepen na het sluiten van den vrede ― dewelke nu toch in aantocht is.
Eilaas! De eenvoudigste middelen worden niet altoos aanzien als de beste.

De Albaneezen.

Vervolg van ons artikel in het vorig nummer

Alhoewel de Albaneezen geen eigenlijken staat bezitten, verdienen ze toch meer bijzonder onze aandacht, niet alleen omdat zij een roemrijk verleden achter de rug hebben, maar ook, omdat zij door bemiddeling van Oostenrijk, na afloop van den huidigen oorlog, waarschijnlijk een onafhankelijk land zullen krijgen.
Oorspronkelijk zijn de Albaneezen uit denzelfden stam ontsproten als de Grieken. Door de Turken worden zij Arnauten genoemd. Feitelijk bestaan zij uit twee hoofdstammen: de Geggen, die naar den Islam overgingen, en de Tosken, die meer aanhangers bleven van de Grieken.

(Naar het begin van de volgende kolom)

  Behalve deze hoofdstammen heeft men nog verschillende kleinere stammen, waarvan in het Noorden de katholieke stammen der Malissoren en Mirdieten de voornaamste zijn.
In de oudheid was Albanië, aldus de “Lamb. Corresp.”, een geheimzinnig gewest; hier stroomde de Acheron en de Cocytus, twee rivieren die volgens de Grieken naar de onderwereld geleidden; hier verhief het muzenverblijf van den Pindus zijn door wolken omkransde bergtop; hier strekte zich het heilige woud van Dodona uit.

De Skipetaren, zooals de bewoners van dit land zich noemden, waren onderworpen aan het koninkrijk Macedonië en deelden in de wisselvalligheden waaraan de Illyriërs en de Macedoniërs onderworpen waren.
Toen het Byzantijnsche keizerrijk tot stand kwam, werd het grondgebied der Skipetaren verdeeld in provinciën, die gedurende eenigen tijd onder de heerschappij der Bulgaren geraakten. Als aaneengesloten eenheid treden echter de Albaneezen pas in de geschiedenis op in het begin van de 15e eeuw; sindsdien hebben zij aan het voortdringen der Turken op het Balkan-schiereiland altijd den hevigsten weerstand geboden.

Een schitterende heldenfiguur staat aan het begin van dezen vrijheidsstrijd tegen de Turken, nl. Skanderberg, de vorst van Kroja, die de vestingen zijner bergen verdedigde tegen de geheele legermacht van den sultan. In het hart van de Albaneezen leeft nog altijd de herinnering aan dien heldenstrijd, waarin hun voorvaderen, gesteund door de Venetiërs, als laatste vooruitgeschoven post der Christenheid zich opwierpen tegen den overweldigenden invloed der Mahomedanen.
Bij de verdediging van Skoetari verrichtten zij bovenmenschelijke heldendaden. De stad, door de Venetiër Antoneo Loredano voortreffelijk verdedigd, bood in 1474 het hoofd aan de Turken; drie jaren later lagen deze weer met een leger voor de stad. “Het Turksche leger” zoo vermeldt de geschiedschrijver Chalkondylas “was zoo talrijk, dat men in de vlakten, op de bergen, aan de kusten en overal zoover het oog reikte, niets anders zag dan tenten en wapenen.” Bij deze belegering maakten de Turken voor den eerste maal gebruik van vuurkogels, die zij door middel van dubelloops kanonnen in de stad schoten. Maar noch de ontzaglijke inspanningen, noch het tot dan nooit geziene geschut, waren in staat de moed der Albaneezen te breken. Ook de vrouwen legden een heldenmoed van in den strijd vergrijsde krijgers aan den dag: “zij stelden zich bloot aan allerlei gevaren en wedijverden met de mannen, zoodat velen harer op de wallen door de kanonnen gedood werden...”
Sultan Mohammed II zag tenslotte de onmogelijkheid in, de stad te veroveren, en daarom liet hij aan den honger over, wat zijn wapenen niet hadden kunnen uitrichten. Nog 15 maanden lang hielden de dapperen stand onder onbeschrijfelijke ontberingen; in April 1478 moesten zij de stad aan de Turken overleveren.
Maar terwijl zij de stad aan de gehate vijanden overlieten, bleven zij zelf er niet wonen. Op Venetiaansche schepen verliet het meerendeel der bevolking Skoetari en vestigde zich in de ontoegankelijke bergen van Albanië, waar zij aldoor tegen de muzelmannen zijn blijven strijden en zich nooit door hen geheel hebben laten onderwerpen.

PrinsPeterMalissoren In den loop der eeuwen won echter den Islam meer veld onder hen; de Albaneezen vormden de elite van de keurbenden der Janitsaren. Evenwel, er heerschte nooit vrede en rust onder hen; streden zij niet tegen de Turken, dan waren zij in bloedige gevechten gewikkeld met de Montenegrijnen. De Porte1 ook voedde in het geheim den naijver tusschen de verschillende rassen, en zag maar al te gaarne dat zij door den oorlog elkander wederkerig verzwakten. De Skipetaren droegen slechts in naam het Turksche juk, en er behoefde slechts een stoutmoedige man, een nieuwe Skanderberg, op te staan om het af te schudden. Deze man stond in 1770 werkelijk op in den door de Porte benoemden Pascha Mahmoed, die tot het oude en machtige Albaneesche geslacht der Boetschalty behoorde.
Na een gelukkigen strijd tegen de Montenegrijnen, verklaarde hij zich onafhankelijk, en versloeg onder de muren van Skoetari de Turksche troepen, die tegen hem afgezonden waren. Maar in een nieuwen oorlog met Montenegro verliet hem het geluk, hij werd overwonnen en doodde zich zelf.
De opvolgers van Mahmoed, die noch zijn dapperheid noch zijne krijgskunde bezaten, moesten de Turksche opperheershappij weer herkennen; alleen de laatste uit het geslacht van de Boetschalty, Moestapha, ondernam nog een wanhopige poging om voor zijn vaderland de vrijheid en onafhankelijkheid te bevechten. Hij ondersteunde den Pascha van Janina, Ali van Tepelen, die tegen de Turken in opstand was gekomen, en zocht de Albaneezen tot een gemeenschappelijk samengaan te bewegen. Maar de dood van Ali beroofde Moestapha van zijn voornaamste steun; hij moest Skoetari overleveren, werd door den Sultan begenadigd en tot stadhouder van verscheidene provinciën aangesteld. Daarmede was de laatste ernstige algemeene opstand der Albaneezen onderdrukt.

De tallooze opstanden in de 19e eeuw getuigen van het ongebroken verzet dat de Albaneezen steeds getoond hebben tegen iedere inkrimping van hun persoonlijke vrijheid, of dan hun vijanden al de Turken, de Montenegrijnen of de Serviërs waren.
De Mahomedaansche Albaneezen ―oorspronkelijk de Geggen― steunden in den laatste tijd den bekenden “rooden sultan”, Abdul Hamid en werden dan ook door hem begunstigd. Toen in 1908 deze sultan onttroond werd en de Jong-Turken zegevierden, kregen het de Albaneezen weer te kwaad. Men wilde hunne nationaliteit verturkschen, men sloot hun scholen en men drong de Turksche taal met geweld op. Toen kwam er weer een opstand die het voorspel was van den huidigen oorlog.

Ed. Vlietinck



Voetnoot

...Porte1
“Verheven Porte” de regering van het Turkse rijk (Pros)


Vorige: De oorlog op den Balkan(5).   Omhoog: Balkan.   Volgende: De oorlog op den Balkan(7).
Inhoudsopgave Index

Valid HTML 4.01 Transitional

Pros Robaer - 2009