Vorige: Het Verre Oosten.   Omhoog: Het Verre Oosten.   Volgende: Uit de Chineesche Revolutie(1).
Inhoudsopgave   Index


De Omwenteling in China.

Gepubliceerd op 28 october 1911

Men pleegt het Chineesche volk te rangschikken onder de onveranderlijke volkeren: verkleefd en verslaafd aan eeuwenoude overleveringen, aan voorvaderlijke slenter, afgeleefde wetten en instellingen. Er zit waarheid in die bewering. Beziet eenen Chinees zijnen tabbaard en zijnen haarstaart, in een Europeesch gezelschap: alleen zijn groote bril schijnt het verband te betekenen tusschen oude en nieuwe beschaving. De andere volkeren ― ook Japan ― gaan vooruit. De afstammeling van Confucius blijft bestaan. De geschiedenis der laatste jaren is echter niet van aard om ze ten volle te rechtvaardigen. Zou onze opvatting van het Chinese volk niet voortvloeien uit de onwetendheid van zijn verleden? Misschien wel...

Velen dachten dat na den oorlog met Japan (1895) en de Boxersbeweging (1898) een tijdvak van rust voor China was aangebroken1. Men bedroog zich. Wel is er van wederwraak tegen den overwinnaar geen spraak geweest, maar den heirtocht naar Thibet, een jaar geleden, gewaagde van krijgslust en heerschzucht. In het hart zelf van het “Hemelsch rijk” is, sedert een viertal jaren, een gedurige gisting aan het werk. Het voorbeeld van Japan, dat zich bijna teenemaal ― wij drukken op dit woord, want het Japaansche volk heeft zijn verleden nog niet bepaald verloochend ― op zijn Europeesch heeft ingericht, spoorde de Chinezen aan , ook moderne instellingen in te burgeren. Onder drukking der openbare meening, riep de regeering ― nu dat de oude keizerin-regentes naar de andere wereld was vertrokken, en een klaarstaande prins het bewind in handen genomen had ― de provinciale staten in het leven, vaardigde eene grondwet uit en beloofde, na een proeftijd van eenige jaren, een parlement in te richten.

  Doch dieper dan de zucht naar verbetering en ontvoogding lag de veet tussen Chinezen en Mantsjoeren. Sedert twee eeuwen, ten gevolge van eenen gelukkigen inval, heerschten dezen laatsten over China. Aan hen schrijven de Chinezen alle kwalen toe van den tegenwoordigen tijd: het voortduren van verouderde gebruiken en instellingen, de misbruiken van het bestuur, de tekortkomingen der gerechtelijke instellingen, de inmenging der vreemdelingen. De geheime maatschappijen die in China krielen en welke de regeering door alle middelen bekampt, baatten de openbare misnoegdheid uit, om het volk tegen het Tartarenras op te hitsen. “China aan de Chinezen”: dat is de leus der omwentelaars, die in weinig dagen Wuchau overmeesterden, Hankeon en Nankin bedreigden. Hun plan is het juk der Mantsjoeren af te schudden, een gemeenebest op te richten, eene economische omwenteling door eene nieuwe verdeeling van den grond te bewerken, dit alles ― zoo beweren zij tenminste ― zonder de belangen of het leven der vreemdelingen in gevaar te brengen.

Indien dit geschiedt, dan is het vooroordeel nopens het “onveranderlijke”, tot vooruitgang ontoegankelijk China bepaald den bodem ingeslagen. Zoover echter zijn we nog niet.2

Intusschen dreigt het gevaar de tusschenkomst van eene of meer vreemde mogendheden. Zou er opnieuw van eene verdeeling van China sprake zijn! Dit ware voorzeker de slechtste oplossing die men kan uitvinden.

Ed. Vlietinck



Voetnoot

...aangebroken1
Men schat dat de opeenvolgende oorlogen en opstanden in China tijdens de 19e eeuw zo'n 40 miljoen mensen het leven gekost hebben; niet zozeer door oorlogsgeweld, maar door hongersnood. (Pros)
...niet.2
Nu wel, natuurlijk. Deze “Gele-Bloemen-Opstand” betekende het einde van de Keizerlijke Bestuursvorm in China; maar niet het einde van de ellende... (Pros)


Vorige: Het Verre Oosten.   Omhoog: Het Verre Oosten.   Volgende: Uit de Chineesche Revolutie(1).
Inhoudsopgave Index

Valid HTML 4.01 Transitional

Pros Robaer - 2009