Gepubliceerd op 24 februari 1912
Op die samenvatting der mythologie in Gylfaainning en
Bragaroedhur volgden in de proza-Edda het
Skaldkaparnal, de school der skalden met voorbeelden uit 70
dichters. En het 4e deel heet Hattatal (opsomming). Daarin
geeft Snorre zijn eigen voorbeelden, in een gedicht op
Koning Haakon en Jarl Skule met verschillende
versmaten over 120 strofen verspreid.
Snorre is ten tweede de verzamelaar en de styleerder der
prachtige koningssagen, een van de heerlijkste boeken der
Middeleeuwen. In 't voorbericht haalt Snorre zijn bronnen aan;
de overlevering, de skaldenliederen, de schriften van Ari.
Hij vertelt ons de geschiedenis van al de Noorsche koningen,
aanvangend in den mythologischen oertijd en reikend tot den
slag bij Ré in 1177. Alles is levendig, en door 't koude
Noorden van die taal, vertellend met wetenschappelijke ernst,
gloeit en vlamt de hartstocht van een prachtig dichterschap.
En zoo kreeg het Noorden zijn populairste heldenboek, een schat
voor allen en voor ieder, den schat waarop de Noor ook het
fierst is en blijft. In ieder huis van Noorwegen en Ijsland
vindt ge dat boek, vooral in de mieuwste bewerking. Door dit
boek is Snorre Sturlison de voedstervader van al de
Noorweegsche grooten der 19e eeuw; met zijn leeuwenmerg heeft
die oude Sagaman de jeugd van Ohlensläger en Tegner
en Grutnig en Ibsen en Björnston en
Bjerregaard en Lagerlof en zooveel anderen gevoed.
Dat weergalooze boek is meteen de grootste bron voor de vroegste
geschiedenis van Noorwegen en Ijsland. Alles wat hier
over die geschidenis in verband met de literatuur werd verteld
is daar in te vinden. De titel der zoo populair geworden nieuwe
uitgave luidt: “Snorre Starlasön, Kongesagaer, oversat ad Dr Gustar Storm, med Illustrationer af Helvadan Egidius, Christian Krogh, Gerhard Muntle, Eilif Petersen, Erik Werenskiold, Wilhelm Wetlesen, Kristiana, 1900.” Aan de binnenzijde van het titelblad staat:
“Den 12en Mei heeft de Storting eene toelage bewilligt, groot
20.000 kronen, voor de uitgave van Snorre Sturlasön's
koningssagen in de gewone schrijf- en volkstaal, opdat dit werk
door zijn lageren prijs algemeen kan verkocht worden. Het Kirke
Departement heeft den prijs dezer uitgave aldus bepaald:
ingenaaid 1,90 kr. ; schoolband 2,50 kr. ; originele band
3,00kr. De oplage dezer uitgave is 70.000 ex...”
Een statig boek van XLVI hoofdst. en 834 blz. Die ontzaglijke
voorraad was nog 't zelfde jaar uitgeput, bij zoover dat in
November 1900 reeds een tweede uitgave verscheen1
De taal zelve werd op Snorre's voorbeeld een geliefkoosd
voorwerp van studie. 't Bloeiende rijk was nu ook staatkundig
een steviger eenheid geworden. De eilanden-kolonie werd met het
vasteland verbonden. Zonderling, bij 't nauwer toehalen van den
politieken band komt er intellectueel verval, voor 't vasteland
althans. Het laatste groot prozawerk der Oud-Noorweegsche
letterkunde is koning Haakon's rijkswet.
Intusschen werd ook in kathedralen en kerken en paleizen een
eigenaardige Noorsche bouwkunst ontwikkeld. De welstand had in
Noorwegen een aristocratie gekweekt, die allengskens het goede,
groote Noorwegen van voorheen aan het minachten ging, die liever
uitkeek naar vreemde beschaving en de eigen taal als
boerendialect liet liggen. Ook was 't aloude koninklijk huis in
't begin der XIVe eeuw uitgestorven, en in 1319 werd Noorwegen
met Zweden en Denemarken vereenigd... In 1328, na de
Unie van Kalmar werd Scandinavië onder een koning
wezenlijk één, en voortaan mocht Noorwegen zwijgen en
dulden. Meteen houdt zijne letterkundige ontwikkeling op en is
het oud-Noorweegsch tijdvak afgesloten.
Bij den groeiende invloed der aristocratie kwam nu ook de
cosmopolitische geest der Hansa. Denemarken en
Duitschland voerden in Noorwegen den hoogen toon, vooral
sedert de zwarte pest op 't einde der 14e eeuw de steeds
schaarse landbevolking erg had uitgedund.
Bergen, de Noorweegsche kern der Hansa,
werd bepaald eene Deensche stad.
Intusschen was ook de Noorweegsche taal mee in 't verval
geraakt. Sedert het midden der XIVe eeuw schreef men niet langer
de oude sagen over. Reeds in dien tijd golden in de
aristocratische kringen het Zweedsch en het Deensch als de
hoofsche verkeerstalen. In de XVe eeuw had Ste Brigitta een
eigenaardige poging gedaan om de verschillende Scandinaavsche
dialecten die zich al tamelijk ver zelfstandig ontwikkeld
hadden, tot één taal terug te voeren. Maar die kunstmatige
schepping had natuurlijk geen toekomst.
Met dat alles was de Noorweegsche boerentaal de zuiverste
voortzetting van het Oernoorsch gebleven. Ook was het
Noorweegsch na de Unie van Kalmar officiëel niet onttroond.
Zoo bleven de wetten, de handelingen der things en de
rechterlijke stukken nog immer in de landstaal gesteld.
Weelde was er genoeg, overal. Als koningen leefden de boeren op
hun gaarde. Het heerlijkste tafereel van de zeden der XIVe eeuw
werd opgehangen door Ibsen in zijn jeugdstuk: “Feest op
Solhang”. Het echte volk bewaarde desondanks zijn scheppende
fantasie, en de naïeve dichterlijkheid van visschers en
boeren bleef rondom de oude sage's fladderen en zong Snorre en
de andere in prachtige volksliederen na, of spon in de lange
wintermaanden die boeiende vertellingen, zwirrelend langs de
fjorden eeuw in eeuw uit, tot ze in de 19e eeuw door mannen als
Asbjörnson werden opgevangen in hun onsterfelijke
verzamelingen.
“Daar in 't Noorden heeft het Noorsch volksgeloof reeds in den
sagentijd het vaderland verlegd van alle kwaad. Daar heeft het
Lappenvolk zijn tooverkunst uitgeoefend, en daar aan de
donkere, wintergrauwe, barenbrekende ijszee, wonen nog de goden
van den oertijd, nu tot aan de uiterste grenzen der aarde
verdreven, die demonische, vreselijke, half-vormelooze machten
der duisternis, met welke de Asen kampten, maar die eerst
door den heiligen Olaf met zijn zegenrijk zonnehel kruiszwaard
werden verdreven.”2
Maar nikkers en huldren en kabouters en
alven bleven steeds voortleven, en wat voor poetsen zij
jegens de menschen bedreven kunnen we ook in onze taal vernemen,
want Asbjörnson's boek werd uitstekend vertaald door T. Terwey3.
Laat ons eens luisteren:
“Er was eens een boer, die in Thelemarken woonde, waar zijn vader vandaan kwam, en eene groote hoeve bezat. Maar die man was heel ongelukkig met zijn vee, telkens verloor hij beesten aan allerlei ziekten en kwalen, en eindelijk moest hij huis en hof verkopen. Slechts weinig hield hij over, en daarvoor kocht hij eene kleine plaats, in een afgelegen oord, ver van de stad, bij dichte bosschen en woestijnen.
Op zekeren dag, toen hij zijn erf rondging, ontmoette hij een man.
― Goeden dag, buur, zei de man.
― Goeden dag, zeide de boer, zijt gij mijn gebuur? Ik meende, dat ik hier alleen woonde.
― Daar ginds ziet ge mijne hoeve, zeide de man, die is niet zoo ver van de uwe.
En zie, daar lag ook werkelijk eene hoeve, die hij nooit te voren had opgemerkt, groot en fraai en nieuw gebouwd. Toen begreep onze man, dat hij met een aardgeest te doen had, maar 't vervaardde hem niet; hij verzocht den buurman binnen te komen en eene kroes bier met hem te drinken, en deze liet zich 't browsel wel smaken.
― Hoor eens, sprak de buurman, in één ding moet ge mijn zin doen.
― Laat mij eerst hooren, wat gij wenscht, zei de boer.
― Gij moet uw koestal afbreken, want hij staat mij in den weg, zei de buurman.
― Nee, dat doe ik niet, zei de boer. Ik heb hem dezen zomer pas gebouwd en nu komt de winter aan. Waar moet ik dan mijn vee bergen?
― Ja, doe wat ge wilt, maar breekt gij den stal niet af, dan vrees ik dat 't u nog zal rouwen, zeide de buurman. En meteen ging hij heen.
Onze man zag hem verbaasd na, en wist niet, wat hij doen zou. Een nieuwen stal tegen 't begin van den winter af te breken leek hem al te dwaas, en waar zou hij hulp vandaan krijgen?
Een dag of wat later stond hij in den koestal en ... daar zonk hij opeens door den vloer in de diepte. Op de plaats waar hij terecht kwam, zag 't er wondermooi uit. Alles was van goud en zilver. Eensklaps stond de man, die zich zijn buurman had genoemd, voor hem en verzocht hem te gaan zitten. Weldra werden er spijzen in zilveren vaten en bier in zilveren kroezen binnengebracht en de boer werd uitgenodigd tot te tasten.
Hij dorst niet weigeren en zette zich aan tafel, maar op 't zelfde oogenblik, dat hij den lepel in de schotel wou steken, viel er iets van boven neer in de spijs, dat hem alle eetlust benam.
― Ja, zeide de Hulderman, nu kunt ge eens zien, hoe vriendelijk uw koeien voor ons zijn. Nooit kunnen wij rustig eten, want, telkens we aan tafel zitten, komt er ontuig van boven, en, als we dan niet helemaal uitgehongerd zijn, is onze eetlust voor goed verdwenen. Maar wilt ge mij nu gehoorzamen en uw stal naar een andere plek brengen, dan zal 't u nooit aan iets ontbreken. Weigert ge echter, dan zult ge, uw leven lang, niets ondervinden dan ramp en tegenspoed.
Toen de boer dit gehoord had, was hij spoedig bezig met den stal omver te halen en hem op eene andere plaats weer op te bouwen. Maar hij behoefde dit niet alleen te doen, want des nachts, als alles sliep, werd er even druk getimmerd als des daags, en hij begreep zeer goed, dat niemand anders dan zijn buurman hem zoo goed bijstond. Ook later rouwde het hem volstrekt niet, dat hij den Hulder had gehoorzaamd, want altijd had hij voeder en koren in overvloed en zijn vee gedijde uitstekend.Eens ―'t was toen een zeer onvruchtbaar jaar― had hij zoo weinig voeder, dat hij er ernstig aan dacht, de helft van zijn vee te verkopen of te slachten.
Maar op zekeren morgen, toen de meid in de stal kwam, was de hond verdwenen en alle koeien en al 't jong vee met hem. Ge kunt denken hoe zij schrok, en hoe snel ze naar haar meester liep om het hem te vertellen. Doch deze vermoedde dadelijk dat 't zijn buurman was, die 't vee in den kost had genomen. En zoo was 't ook, want toen 't voorjaar aankwam en 't weer groen werd in 't bosch, hoorde men op zekeren morgen den hond vroolijk blaffende van den boschkant naderen, en, achter hem aan kwam al 't vee, jong en oud, en 't was een lust op te merken hoe flink 't er uit zag...”