Gepubliceerd op 30 december 1911
Intusschen was de Ijslandsche sage haar schatten aan 't
verzamelen: de prozavertelling der geschiedenis-feiten, iets
eenig-schoons in de toenmalig Europeesche letterkunde.
Even beroemd als de Ijslandsche Skald werd de Ijslandsche
sagaman. En hier hebben we te doen met het meest zelfstandige
voortbrengsel der Ijslandsche litteratuur; want de sagen
steunden niet op Noorsche voorbeelden. De stof der vertelkunst
was aanvankelijk het verloop der Ijslandsche
familiegeschiedenissen; Iselendingasögur,
levensbeschrijvingen van invloedrijke Ijslanders. Op den
achtergrondvan het dagelijks volksleven ―zooals men 't nergens
elders toen te schilderen vermocht― verschenen de helden,
flink getypeerd door beschrijving en gesprek. Vooreerst werd de
sage gesproken, niet geschreven. Maar sedert het oud-Engelsche
alphabet was overgekomen en sedert het Christendom op 't eiland
de kerktaal verspreidde, werd alles opgeteekend, 't zij in 't
Latijn door priesters als Saemund Sigfusson (1056 -
1133) die in Parijs had gestudeerd, maar wiens boek (over de
Noorsche koningen) verloren ging, 't zij in 't Ijslandsch door
mannen als Ari Torgilsson (1067 - 1148). Zijn
“Ijslanderboek” geeft ons kort en keurig de geschiedenis
van 't eiland van af de bezetting (874) tot 1120. Treffend
vertelt hij o.a. de ontdekking en koloniseering van Groenland (982 - 986), en de aanneming van 't Christendom op
den allding van 't jaar 1000. 't Blijft een meester van
vorsching en beschrijving zooals geen ander Germaansch volk der
Middeleeuwen een heeft voortgebracht.
De verdere Ijslandsche
gebeurtenissen van de 12e en de 13e eeuw bleven evenmin ongeboekt,
maar dit werd meer zuivere wetenschap en minder letterkunde in de
Sturlunga Saga voor de wereldlijke en in de
Biskupasögur voor de kerkelijke geschiedenis. Hierin
worden o.a. het leven en de wonderen verteld van twee grooten wien de
Kerk een altaar heeft geschonken. St. Torlàk en St. Jon Ogmundarson. De keurigste Ijslandse sagen werden door Artur Bonus meesterlijk in modern Duitsch overgebracht. Zijn werk heet
“Isländerbuch” en beslaat 3 bundels.
Van de Islendigasögur kwamen sagamannen tot tot de algemeene
Noorsche Konungesögur. 't Waren vooral monniken die
overstaken naar Noorwegen, en dan in hun Ijslandsche kloosters
kwamen boeken wat ze in 't oude moederland hadden gehoord en gezien en
meegemaakt. En dat was de moeite waard, wij weten het reeds voor de
eerste helft.
Harald Hardraadi had het in zijn Skaldenbrein gekregen
Engeland te veroveren. Hij sneuvelde te York, in 1066,
even voor den inval van Willem's Noormannen. Een van zijn zonen
―Magnus Barfod― wilde ook langs den Britschen kant uit, en
vond in Ierland de dood. Sigurd Jorsalfar, zijn zoon, was
een roemvolle kruisvaarder, die in 1110 Sidon veroverde.
Het heele Magnus-geslacht bleef een reeks van groote krijgers
en groote beschavers. Onder Olaf Kyrre (1086-1093) werd
Bergen gesticht, de kern van 't handelsverkeer met Engeland.
De hoofdstad was echter nog altijd Nidaros, het latere
Trondjem, de stad daar zoo heerlijk gelegen aan de Nid, den
stroom die bijna nooit en de fjord die nooit bevroor; zoo zacht
was er het klimaat, dat de bodem aldaar een oogstland was bij
uitnemendheid. 't Was en 't bleef de residentie van al de groote
koningen die we volgen gaan, hoewel vanaf de 19e eeuw, toen het dorpje
Oslose zich begon te ontwikkelen tot Christiana, de
grootstad van heden.
Onder Eristein Magnusson, in 1117, nam de allding van
Ijsland de heugelijke beslissing, de wetten van het eiland,
gesteund op het aloude recht van Noorwegen, in de volkstaal te
boeken.
Maar ondertusschen was het op 't Noorsche vasteland onder de
nakomelingen van Magnus Barfod een heele verwarring gevonden ― een
woelen onder mekaar van volk en adel en priesterschap. In 1164 was
Magnus Erlingsson, nog een kind, door den aartsbisschop
gekroond geworden op de belofte van zijn vader, Erling Skakke,
dat de kroon onder de hoede van St. Olaf zou blijven, en ze na 's
konings dood weer in 't bereik van den aartsbisschop als offerande op
't altaar van St. Olaf zou prijken.
Maar tegen dit bedrijf stond in 1177 pretendent Sverre op; hij
eischte erfelijkheid1 voor de kroon en
onafhankelijkheid van de kerk. Deze Sverre is de eerste Germaanse
politieke kerkbestrijder... Hij was de Gibellijn vóór de
letter. Midderwijl sneuvelde Erling Skakke in 1179 en zijn zoon
Magnus in 1184. Sverre had het zooverre gebracht dat de aartsbisschop
Eysteyn genoodzaakt was hem de kroon op het hoofd te zetten. De
opvolger van Eysteyn wou 't Sverre lastig maken. De koning joeg hem 't
land uit en de paus op zijn beurt sloeg Sverre in den ban. Maar Sverre
liet door een priester een lange aanklacht opstellen tegen de
bisschoppen. Rechts en links stonden bedreigende groepen op tegen
Sverre, die midden in de moeilijkheden door den dood werd verrast
(1202). Eerst in 1240, onder zijn kleinzoon Haakon Haakonsson,
werden de eischen der geestelijkheid voorgoed door de koninklijke
wilskracht doorbroken.
Weeral in Ijsland vond de geniale Sverre een genialen
geschiedschrijver: priester Karl Jonsoen (+1213). Zelfs
redevoeringen en brieven van Sverre werden in dat “leven”
opgenomen. Björnstjerne Björnson heeft een van zijn meest
pakkende dramas uit de geschiedenis van koning Sverre gehaald.
Op de Ijslandsche kusten heerschte in dien tijd eene waarlijk
weergalooze schrijfbedrijvigheid in 't Latijn en in de volkstaal. 't
Zijn ook de jaren, waarin al de oude sagas, overgeleerd van ouder tot
kind, al de oude Eddazangen, gevat in de rhytmen der tijden waarvan ze
den roem bezongen, worden opgeteekend. Door elke familie werd het
hare aangebracht, tot het straks een reusachtig geheel zal worden: de
geboekte oudere Edda, waaruit we reeds vroeger vertelden.
De synoptische prozabewerker der Edda's, de leermeester der
Skalden, de verzamelaar der schoonste Konungesögur is de groote
Snorri Sturluson.