Gepubliceerd op 28 october 1911
In den beginne was er een Nilfheim en een Muspelheim.
Muspelheim was warm en schitterend van licht. Nilfheim was 't rijk der
nevelen en ijzige misten.
Muspelheim's warmte wekte het leven, dat zich eerst openbaarde in
Oergelmer. Eens dat Oergelmer lag te slapen begon hij duchtig te
zweeten. En van onder zijn linker arm kwamen een man en een vrouw te
voorschijn; terzelfdertijd baarden zijn beide voeten een zoon. Die
zoon was Ymir, de vader aller reuzen.
Terzelfdertijd als Ymir was ook, men weet niet waar, een koe geboren:
ze heette Audhumla. Uit haar uiers vloeiden vier melkrivieren;
dat was het voedsel van Ymir.
Maar ook de koe moest zich voeden; die lekte het zouterig ijs dat in
Nilfheim onder de vonken van Muspelheim smolt. Nu, terwijl ze haar
voedsel oplikte, likte ze ook weer een reuzenvorm bloot; den eersten
dag verscheen het haar, den tweeden het heele hoofd, den derden dag het
lichaam voluit: dat was de groote schoone Buri. Al dadelijk werd
Buri vader van Bör. Deze Bör huwde met Bisla. En dat
waren de stamouders der eerste Asen (strijdgoden); Odin,
Wile en We. Kort na zijne geboorte was Odin blijven hangen
aan den wereldesch: Ygdrasil1.
Odin, Wille en We hadden 't gemunt tegen Ymir en ze kregen hem dood. Uit
zijn lichaamsdelen schiep Odin 't Heelal; zijn romp is onze aarde,
zijn schedel het uitspansel, zijn beenderen de bergen, zijn bloed de
zee, zijn hersenen de wolken, zijn haren de bomen.
Op Ymir's lijk hadden ook maden geaasd; de Edda's noemen er 92;
uit die maden ontstonden de dwergen. Vier daarvan, de allersterkste,
werden uitgekozen om den ouden schedel van Ymir ―het uitspansel―
te dragen; ze heeten Norani, Sudri, Osdri,
Westri.
Odin en zijn broers hadden intusschen groot werk te verrichten. De
lichtglensters uit Muspelheim hielden ze vast en plaatsen ze in 't
uitspansel; 't werden allemaal sterren. Op een tochtje langs de zee
ontwaarden de zonen van Bör twee boomen, een esch en een els, die ze
omschiepen tot menschen. Ask, den man, en Embla, de vrouw.
Dat zijn de stamhouders van 't menschdom2.
Ook voor een eigen mooi verblijf zorgden de Asen, die intusschen al
talrijker werden. In 't midden der wereld bouwden ze Asgard. 't
Omvat twaalf paleizen, opgetrokken uit goud en edelsteenen.