Gepubliceerd op 21 september 1911
Hoog in 't Noorden van Europa gaat een sage dat God, toen hij de aarde had
geschapen en gereed was met zijn werk, plotseling in zijn denken werd
gestoord door den val van een ontzettend lichaam dat in de baren der
wereldzee plofte. De Schepper zag op en ontdekte den duivel, die een
schrikbarend rotsblok aangesleept en in de diepte geslingerd had,
zoodat de as der nieuwe schepping onder den last boog en dreigde te
breken, en nog daarvan trilt op dit uur.
Van volslagen ondergang redde de Heer zijn werk, door zijn macht en
sterkte. Hij steunde het met zijn geweldige hand; met de andere hand
dreigde hij den boozen vijand, zoodat deze huilend wegvluchtte; maar
overal stak het ontzaglijke rotsblok uit de wateren op1.
Hoog en dreigend reikte hij uit den vloed tot in de wolken, zwart en
verbrand; met reten en kloven daalden
zijn naakte wanden en ondoorgrondelijke diepten af, en ze vulden de
zee, mijlen en mijlen in 't rond, met tallooze klippen en rotsen.
God de Heer wierp een treurige blik op dezen baaierd; vervolgens nam
hij wat hem aan vruchtbare aarde was overgebleven, en hij strooide ze
uit over de zwarte rotsen. Maar ach, dit weinige was ontoereikend.
Ternauwernood werd in de kloven en dalen den bodem bedekt, en slechts
op enkele plaatsen lieten Gods vingeren zooveel achter, dat er
vruchtbomen groeiden, en granen en zaden rijpen konden.
Hoe verder naar 't Noorden, des te geringer werd de gave, tot er
eindelijk niets meer overschoot; daar moest des duivels werk blijven
zooals het was, beladen met den vloek van eeuwige onvruchtbaarheid.
Maar God strekte zijn handen uit en zegende den zoo karig toebedeelden
bodem. “Moge hier geen bloem groeien, geen vogel zingen, geen halm
rijpen,” sprak zijn scheppende stem “toch zal de booze geest geen
deel hebben aan u. Ik wil mij over u erbarmen, en hier menschen laten
wonen die met liefde en trouw aan deze rotsen hangen en daarop gelukkig
zullen worden.”
Toen beval de heer aan de visschen, de zee in ontelbare zwermen te
bevolken en boven op de rotsen en ijsvelden plaatste hij een
wonderbaarlijk schepsel, half koe, half hert, dat met melk en boter,
met vleesch, vel en pezen, de menschen voeden en kleeden
moest2.
't Is een bewering van de jongste wetenschap dat er visschers en jagers
in Noorwegen woonden reeds 6.000 jaar vóór Christus. Dat
was voorzeker geen familie van ons, geen volk dus behoorend tot den
Arischen stam. Tot enkele jaren geleden meende men dat het
Lappen waren. Maar 't wekte toch achterdocht dat nog heden in de
taal van 't hooge Noorden de Lappen “Finne” heeten.
Nu schijnt het bewezen dat de Lappen eerst omstreeks 't jaar 1.000
vóór Christus Noorwegen binnendrongen; en dat ze daar vonden een
vreedzame bevolking van Finsch ras, waarmee ze zich waarschijnlijk
vermengden.
Eveneens vóór Christus werd Noorwegen, van Denemarken
uit, stilaan door Germanen bevolkt. 't Bleef toch altijd een
schaarsche nederzetting, want veel plaats om zich neder te zetten
vonden de menschen er nooit. 't Is waarlijk 't Alpengewest van 't
Noorden. Geen spitsen en hoornen zooals in Midden-Europa, maar
afgeronde, afgeslepen massa's. Niets geen slankheid; pijnlijk
zwaar en log beuren zich de reuzen omhoog. Tot diep in het land dringt de
zee met haar fjorden. De vraag naar hun
ontstaan houdt sinds lang de geleerden bezig...
“Een vergelijking met op eerdere wijze gespleten kusten heeft bewezen dat de fjorden nagenoeg enkel voorkomen op oevers waar langsheen gebergten liggen, in tegenstelling met andere, waarop de ketens uitloopen in voorgebergten, dalen of vlakten. Dergelijke langhoogkusten treft men aan in alle werelddeelen en onder alle luchtstreken, en toch zien wij enkel fjorden in Noorwegen, aan de westkust van Groenland, in 't noordelijkste en zuidelijkste gebied van West-Amerika, aan de oostkust der New-England-staten en aan de westzijde van 't zuidelijkste van Nieuw-Zeeland-eilanden. Daarbij mag nog de westkant van Groot-Brittanië worden gerekend.
Men vind dus enkel fjorden in 't koelere deel der gematigde luchtstreken, nooit in de evenaarsstreken; en ook meest altijd langs den westkant. Nu is de westkant in al de opgenoemde landen den regenkant. En men heeft uitgemaakt dat de fjordkusten vroeger vergletscherd waren. Zoo zullen stroomende wateren en gletschers aan de uitholling des steilwandige dalen hebben meegewerkt”3
Deze gletschers inderdaad, die zich in zee ontlasten, hebben immer dieper het gebergte doorkorven.
“Dan zijn die valleien onder water gezonken en de zee is vele kilometers ver het land in getrokken. Later zijn de kusten weer geklommen, maar de vroegere valleien zijn nog niet droog getrokken en de reiziger kan per boot al de natuurschoonheden der fjorden, de steilkusten, de watervallen, de gletschers bewonderen.”4
Langs die inhammen vestigen zich sinds duizenden jaren de Noren. Van
daar zeilden ze uit, de oude zeehelden die den schrik over Europa
joegen; van daar zeilden ze uit de vreedzame vissers, die hun land en
ons werelddeel voorzien van lekkernijen dier milde wateren.
Langs diezelfde fjorden wordt ook de akkerbouw bedreven, in de
heerlijke landschappen van Molde-, Stor-, Nord-, Sogne- en
Hardangerfjord; ofwel dieper 't land in, waar de riviervallen van 't
Gudbrandsdal, Valdres, Hallingdal, Numedal en Sätersdal bloeien
in een kader van ijs.
Nog behooren tot de eigenaardige landschapsvormen van Noorwegen de
tallooze groote en kleine eilanden en rotspuinen in zee, die de heele
kust met een dichten zwerm omzoomen. “Skjaere” noemt men de
kleinste daaronder. Deze
“Skjaergaard”5 is voor het
kustverkeer zeer gewichtig, daar de lokaalschepen altijd veilig
kunnen varen tusschen het vasteland en de eilanden, en aldus niet zijn
blootgesteld aan de gevaren der open zee.6
“Het glanspunt der Noorweegsche skjaergaards wordt ongetwijfeld in 't Lofogebied bereikt. Tot daartoe stijgt de indruk van het landschap onafgebroken in grootheid en ook in Noorsch uitzicht. De wereld der Lofoten, met hare enge sonden, hare rotsgedrochten, duizend meter hoog, hare gletschers, hare ravijnen, vereenigt de grootsche schoonheid van hooggebergte en oceaan.
Om de scheepvaart tusschen deze eilanden te beveiligen werd de heele kust zorgvuldig gemeten en het vaarwater afgebakend. Op de klippen staan daar kleine witte, met brandende lampen voorziene wachthuisjes, of op lage rotsen zijn steenmerken gemetseld of door stangen zijn gevaarlijke plaatsen aangeduid. Zoo worden de skjaergaarden, die vroeger om hun gevaren sluiphoeken waren voor roofkoningen, thans veranderd tot onschatbare hulpmiddelen voor inheemsche en vreemde scheepvaart. Om de schepen een halt te bezorgen, zijn van in de oudste tijden ijzeren ringen met lood in de rotsen gegoten; en aaraan bevestigt men de touwen...”7
Als een dichter heeft Nansen die gewesten bezongen bij zijn heenvaren naar de poolstreken:
Zoo voeren wij dan meestal bij schoon weder, zelden in regen of nevel, tusschen sonden en eilanden door, langs de Noorweegsche kust, 't Noorden in. Wat een heerlijk land! 'k Zou wel willen weten of er in de gansche wereld nog een dergelijk vaarwater bestaat. Onvergetelijk zijn die morgenuren, als de natuur uit haar sluimer ontwaakt, als “nevelheim” wit en zilverglansend ligt op de bergen, wier toppen lijk eilanden boven de mist zweven. Die stralende dag over de glinsterende sneeuwbergen! En dan die avonden met hun zonsondergangen en hun bleeke maan, bergen en eilanden zwijgend en droomend als in verzuchtingen der jeugd. Af en toe varen we voorbij vriendelijke hofjes en huisjes, lachend omgeven met groene boomen. Laat ze maar de schouders ophalen over natuurschoonheden. Heerlijk is het voor een volk een schoon land te bezitten, ook als dat volk arm is. Nooit is me dat klaarder geworden dan op het oogenblik dat ik het verliet...”8
Als voorbereiding op de
“Middernachtzon” in de
letterkunde, kunnen we best deze meer wetenschappelijke
beschrijving gebruiken:
“Tot negen uur 's avonds of nog langer heerscht de gewoonlijk helle zonnedag. Maar nu nadert de zon tot den gezichteinder. De schaduwen worden lang, de wolkjes die aan den hemel zweven worden rood geverft, en ook de spitsen der bergen.De lage voorlanden zinken langzaam in den schaduw, ook de zeespiegel verdonkert, behalve de plaats waar gouden, koperkleurige terugkaatsingen blinken, die loopen tot den einder, waar de zon als een gloeiende, bijna stralenlooze bol, tusschen heel verre, lichtende wolkenstrepen hangt. Dicht bij ons liggen tegenover de weerglanzen op 't water, langs de schaduwzij der golfjes, de wonderbaarste diepgroene, blauwe en zwarte tegentinten. De lucht koelt voelbaar af; stilte valt op de natuur, maar onbebluscht gloeit het zonnerood op de bergtoppen; daghelder blijft het rondom. De boot glijdt almaar door over den vloed door den nacht, die geen nacht is. Niemand denkt aan slapen. Alles staart zwijgend op het kleurenschouwspel, dat nu uren en uren speelt aan den hemel en op de zee, en dat nog zijn grootste betoovering ontleent aan de trotsche bergtoppen der kusten en der eilanden.
Te middernacht, als de zon het diepst hangt, zijn 't slechts enkele zeer hoog stijgende toppen en vrij naar 't Noorden uitloopende gewesten, die in een zacht rood liggen. Zwart staan de silhouetten der eilanden en voorgebergten, daar voor ons, op den gelen hemel, met hier en daar op hun rand een streep rood licht.
Om één uur neemt het licht reeds toe; het bleek rose der bergen gaat over tot geel, en om twee uur blinken reeds de eerste krachtige stralen der hooger stijgende zon over 't berglandschap.”9