Gepubliceerd op 30 augustus 1913
Ter gelegenheid van het Eeuwfeest der geboorte van
onzen Vlaamschen kunstenaar, gedenkt “Ons Volk” eerbiedig een
zijner talentvolste schilders, die na de jaren 30, in het
tijdstip dus onzer onafhankelijkheid, zijne klinkende
romantische kunst grootendeels ten dienste stelde van de
verheerlijking des vaderlands.
De scheuring die er rond dien tijd in de kunst ontstond met het
koude klassisisme van een Navez, het opbruisend romantisch
gevoel voor ongedwongenheid en kleurenrijkdom, viel
allergelukkigst samen met de eischen welke de jong-opbloeiende
staat aan “zijne kunst” te stellen had.
Op reusachtig groote en bontgekleurde tafereelen zou de ideale
kamp voor vrijheid, en bijzonder de grootheid en de heldenfeiten
van “voorheen” verheerlijkt worden, opdat hierdoor, het
verdrukte en ontmoedigde volk zich weer zou opbeuren bij het
opzien naar naar de vervlogen grootheid van zijnen stam.
Naast De Keyser zouden Wappers, de Fièvre,
Wiertz, Slingeneyer en Gallait zich van die hooge
zending kwijten.
En wij beseffen des te meer nog de waarde van hunne kunst,
doordien ze een terugkeer heette naar de traditie onzer oude
meesters.
Doch wij moeten het bekennen: te zeer was in haar de naklank te
bespeuren van 't conventioneele en academische, hare blonde, van
de Meesters overgenomen kleuren, evenals het gebaar en
de gelaatsuitdrukking hadden veelal slechts den schijn van de
natuur, en te vergeefs zou men in haar de discrete, mystieke
spanning van het echte leven zoeken.
De Keyser echter verdient, om zijne bovengenoemde beteekenis, onze groote belangstelling. Hij was buitengewoon intellectueel aangelegd en bezat eene begaafdheid van samenstellen, teekenen en schilderen, eene voortbrengingskracht die onze bewondering afdwingen. De sierlijke kunst van onzen schilder, gepaard met de sensatiewekkende voorgestelde tafereelen, kon dus niet anders dan eene onuitsprekelijke geestdrift verwekken bij het toen van vaderlandsliefde dweepende volk. Trouwens, vanaf 't begin zijner loopbaan klinkt De Keysers naam van mond tot mond; misschien wel bijzonder in de Scheldestad waar de kunstenaar in 1834 reeds een Rubiaansch groot doek tentoonstelde, een Golgotha. Het was een werk hem door de Kerkfabriek van Manchester besteld: de armen op het kruis opengespreid, hangt daar de Heiland in plechtige houding, terwijl een groep vrouwen aan zijn voet hare jammerklachten ten hemel sturen. Het karakteristieke van heel het latere œuvre van De Keyser komt in dit schilderij reeds duidelijk uit.
Bij al den ophef dien het maakte, hechtte zich bovendien aan het
leven van den schilder eene romantieke legende, die onzen
kunstenaar nog meer in de verbeelding van het publiek deed
opleven: men verhaalde dat eene Antwerpsche dame op zekeren dag
een herdertje ontmoette dat schaapkens hoedde in de weide, en
bezig was, in het zand, met zijnen herderstaf te teekenen.
De dame naderde tot den jongen, gaf hem een beeldeken van Onze
Lieve Vrouw, potlood en papier, en als een tweede
Cimaluië, teekende ons herdertje dadelijk de beeltenis na
van de Heilige Maagd.
De weergave was zoo treffend dat de dame het zich tot plicht
rekende het jeugdig genie uit zijn nederig midden te nemen
waarin het voorzeker nooit tot zijne ontluiking zou gekomen zijn.
Dat herdertje was niemand anders dan de kleine De Keyser.
Onze kunstenaar zou nu zijne reizen ondernemen en, gedreven door
zijn romantische kunstenaarsziel, vertrekt hij met een paar
vrienden naar 't romantische Engeland en Schotland.
Van daar zien wij hem Parijs en het Louvre museum bezoeken
alwaar hij studeerende kennis maakt met Gallait.
Beide schilders worden intieme vrienden en Gallait staat De
Keyser toe zijn portret te maken. |
Het stelde het bloedveld voor van 1302 toen de Fransche ridders
onder de macht van de Vlaamsche gemeentenaren sneuvelden.
Zooals wel te denken was, behaalde De Keyser hiermee een
ongehoord succes.
De doeltreffende schilderij getuigt van zooveel jonge kracht en
kennis, ―wij moeten hier bijvoorbeeld bewonderen in welke mate
de schilder toen reeds de kunst van het schilderen van paarden
bezat― deed het volk weer terugzien naar een groot verleden.
De harten werden door geestdrift en fierheid ontstoken; al die
moedige krijgers waren Vlamingen die geen dwingelandij duldden,
en hadden het machtige Fransche leger kunnen verpletteren! De gemoederen schoten vol nationalen trots. Overal eischte men het ridderkruis der orde van Leopold voor den jongen Vlaamschen kunstenaar, te jong in de werkelijkheid, om zulke hooge onderscheiding te kunnen ontvangen; hij zou zich dan met “den eerepenning” vergenoegen. De schilderij was bestemd om het stadhuis van Kortrijk te versieren. De komst van De Keyser in deze stad geleek een koninklijke ontvangst. Al de overheden gingen hem te gemoet en, bij zijne aankomst was het een onbeschrijfelijk gejuich van oud en jong, van arm en rijk. Heel Vlaanderen zou den schilder dankbetuigingen toesturen. En welk feest werd er al niet gehouden in het polderdorpje Santvliet!! De weg van de kunst ligt nu voor De Keyser wijd open. Door eer en welstand gesteund zou hij hem tot het einde triomfantelijk bewandelen. De kunstenaar onderneemt reizen naar Rome waar de Italiaansche school eenen gouden invloed op hem uitoefend. Bij Paul Veronèse merkt hij bijzonder de sierlijkheid van houding en de drapeering, de adelheid van lijn en samenstelling. Te Rome vervaardigt hij het mooie schilderij “De Jonge Moeder”. Het geeft ons een portret van Bella Telghuys, die later zijne vrouw zou worden.
In 1841 eindigt de schilder zijn “Slag van Woeringen”,
thans in het museum van Brussel bewaard.
En meer succes nog dan met het eerste schilderij viel hiermee
onzen kunstenaar ten deel.
In Holland en Duitschland eveneens tentoongesteld werden
beide schilderijen overal met grooten lof onthaald.
Het Hollandsche vorstenhuis bestelde hem een “Slag van
Nieuwpoort” waarin de portretten voorkomen van Maurits,
Lodewijk en Frederik Nassau; van aartshertog Albert, den gemaal
van Isabella van Spanje, eindelijk het portret van den
admiraal van Aragon.
Dit schilderij, even prachtig als het vorige, bezorgt hem 't
ridderkruis van de Nederlandsche Leeuworde en geeft aanleiding
tot het melden van een zeer geestig woord ―door koning Willem
I alsdan uitgesproken― “Ik decoreer wel graag op het
slagveld,” zeide hij, en bevestigde het kruis aan de lijst.Van alle kanten ook kwamen er nu bestellingen toegestroomd. De koning en koningin van Wurtemberg, de groothertogin Olga wenschen werken van den grooten schilder te bezitten.
In 1855 wordt De Keyser bestuurder der Antwerpsche Academie in
plaatsvervanging van Wappers, en stelde er zijne uitgebreide
kennis ten dienste zijner leerlingen.
Maar noemen wij nog enkele zijner beste schilderijen.
In 1887 woonde De Keyser met zijne dochter Mejuffer Maria De Keyser, eveneens een schilderes van talent, nabij de
Antwerpsche Warande1.
De oud geworden romantieke kunstenaar, was
toen de mooie grijsaard, dien wij kennen uit het zelfportret in
het Antwerpsch museum; en men kon hem, bij gunstig weer, bijna
dagelijks zien wandelen langs de lommerige dreven der Warande.
|