|
Het eerste land dat den reusachtigen krijg op den Balkan heeft
aangepakt, was Montenegro, een landeken nauwelijks
merkbaar op de kaart van Europa...
En deze dwerg zette den kamp in met zooveel stoutmoedigheid,
zooveel snelheid en onvergelijkbare dapperheid in 't uitvoeren
der krijgsbewegingen in, dat menigeen er verbaasd over stond.
Wie echter de roemvolle geschiedenis kent van dat volkje, dat
immer de macht van den Islam tarten durfde, vond het bericht,
dat Prins Peter, de jongste zoon van Koning Nicolaas,
op 9 October 1912, naamdag van den Koning, zijn vader, ten 8
uren, het eerste kanonschot loste, nadat zijn vader het
kruisteeken had gemaakt, heel natuurlijk
1.
Montenegro werd tot hiertoe nooit overwonnen. 't Is waar, de
natuur heeft wonderen verricht om dat plekje tegen alle
aanvallen te verdedigen; een Montenegrijnsche legende zegt het
ons:
“Toen God de wereld schiep, trok Hij door het luchtruim met
een zak, waarin de bergen waren. Hij zaaide ze met volle hand
waar 't Hem beliefde... Doch de zak
scheurde2, en een vervaarlijke massa zwarte
bergen stortte hier neer: en alzo werd Tzerna-Gora
geschapen.”
Tzerna-Gora beteekent in de Servische taal ―welke ook die
van Montenegro is― “Zwarte Berg”; Montenegro is er de
Italiaansche vertaling van.
In dien warboel van de schier ontoegankelijke rotsen zijn de
Montenegrijnen tegen elken inval beschut. Telkenmale de Turken
gepoogd hebben er binnen te dringen, werden al de bergpaden
bezaaid met hun lijken. Evenals in Zwitserland is er de
krijgsdienst niet ingericht. De Montenegrijn oefent zich
―evenals de Zwitser― op eigen hand in den wapenhandel...
en wordt soldaat als de verdediging des lands het vordert.
Kenschetsend is de wensch tot elken nieuwgeboren Montenegrijn
gericht: “Moget gij niet op uw bed sterven!”
De geschiedenis van Montenegro bestaat uit een onafgebroken
reeks oorlogen tegen de Turken. Het landeken dankt zelfs
zijnen oorsprong aan een oorlog, waarvan de herinnering als 'n
heilig pand bewaard blijft. Amurat I, een sultan der
Turken, die in 1360 den Hellespont of zeeëngte der
Dardanellen, voorbij trok, en Adrianopel veroverde,
bracht het Grieksche keizerrijk geweldige slagen toe. Zoo
verre ging het, dat de Grieken beloofden in den schoot der
Roomsch-Katholieke kerk te treden en een eind te stellen aan
de scheuring van het Oosten, opdat het Westen hun ter hulp zou
komen. De pauzen Urbanus V en Gregorius XI deden
eenen kruistocht prediken, waaraan de Hongaren, de Polen
en de Franschen deelnamen. Jan zonder vrees, hertog van
Burgondië, ging echter zoo roekeloos te werk, dat de strijd
in het voordeel der Turken afliep.
Bajaret I, zoon en opvolger van Amurat I, breidde
voortdurend het Ottomaansche rijk in Europa uit. In 1369
versloeg hij de Serviërs te Kossovo. Daar sneuvelde
Lazaro, de laatste Servische keizer, en met hem de
kern van het leger.
Een enkele Servische vazal, prins Zenta, behield zijne
onafhankelijkheid, doordat hij zich met een handvol dapperen
verschansen kon in de bergachtige streek tusschen de
bergkruinen van Herzegovina en het meer van Scutari.
Enige honderden Serviërs, die te Kossovo ontsnapt waren,
gelukten er in zich bij Zenta aan te sluiten en onder
zijn gezag het nieuwe rijk te stichten, dat zij Tzerna-Gora
noemden.
Toen het vorstenhuis van Zenta uitgestorven was, ging het
gezag over tot Czernovitch, die den strijd tegen den Turk
hedhaftig en met welgelukken voortzette.
Toen Joris V, een afstammeling van Czernovitch, zijn
heerschappij afgestaan had aan Babylas, bisschop van
Cettinje, werd Montenegro van 1516 tot 1861 door
prinsbischoppen geregeerd. Deze waren niet minder
krijgshaftig dan hun wereldlijke voorgangers.
Hoor slechts:
In 1806 waren de Franschen tot aan de Montenegrijnsche grens
geraakt. De prinsbisschop, Peter I, verzamelde een leger,
en, als huldeblijk aan den Russischen Keizer, die met
Napoleon in oorlog was, zonder de minste uitdaging
vanwege de Franschen, ging hij deze te Ragusa belegeren.
Vervolgens viel hij den vijand aan te Breno. De Franschen
moesten de streek ontruimen, ontelbare dooden achterlatende.
De Montenegrijnen waren echter weinig beschaafd. Elken vijand
die ze op hun weg ontmoetten, sneden zij het hoofd af,
onverschillig of deze gevangen, gekwetst of reeds dood was.
Zelfs de gekwetste generaal Delgorgue onderging dit
vreeschelijk lot. Talrijke hoofden van Franschen werden naar
Cettinje gezonden, om er op den Toren der Turken geplaatst
te worden. Die toren werd aldus genaamd, omdat er gewoonlijk
de hoofden der verslagen Turken op geplaatst werden, als
versiering. Wanneer van die hoofden nog enkel de kale schedels
overbleven, dan dienden ze bij het bolspel! Zelfs bij het
vermaak werd de haat tegen den vijand aangevuurd.
Men verhaalt, dat een Fransch reiziger, die rond 1850
Montenegro bezocht, deze akelige scherts mocht horen: “De
Franschen zijn voorzeker lichtzinnig; doch al zijn hunne
koppen licht, ze bollen toch goed.”
Napoleon kon dien hoon en de neederlaag zijner troepen niet
verkroppen. Hij zond Marmont met een groote krijgsmacht
om de Montenegrijnen uit hunne bergen te verdrijven. Doch
intusschen werd de vrede met Rusland te Tilsitt gesloten; en
alzoo kwam er een eind aan de vijandelijkheden. Sedert dien
tijd hebben de Montenegrijnen uitsluitend tegen de Turken en
dezer bondgenooten gestreden. Geen gelegenheid lieten zij
ontsnappen om de wapens op te nemen tegen den erfvijand.
De Montenegrijnsche kronijken, de legenden, gedichten en
volksliederen vermelden den roem der vaderlandsche helden, die
als de grootste Turkendooders bekend staan. Eerst kwam
Ivan de Zwarte, die Mahomet II, de veroveraar van
Constantinopel, het beleg van Scutari deed opbreken en de
Turksche strijdmacht vernietigde in de bergpassen van
Keinvooska.
Toen Danilo I, de stichter van het thans regeerende
geslacht der Petrovitch, die op Kerstnacht van 1702 een
algemeene slachting bevool onder de Turken, welke zich op
Montenegrijnsch grondgebied gevestigd hadden; en die in 1712
een Turksch leger van 70.000 man verpletterde en 30.000
vijanden in den slag van Karevlatz deed sneuvelen.
Toen Slava, die in 1768 met 10.000 Montenegrijnen een
leger van 130.000 Turken en Venetianen op de vlucht dreef.
Toen Danilo II, oom en voorganger van den thans
regeerenden Nicolaas I, die in 1853 opvolgentlijk vijf
Turksche legers versloeg, welke langs verschillende kanten
poogden het land te overweldigen; en die in 1858 te
Grahovo een Turksch leger insloot, dat 4.000 dooden
achterliet.
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
En de huidige koning Nicolaas of
Nikita, in de landstaal... O, die is zijner voorvaderen
geheel en al waardig. Pas op den troon gestegen, bood hij in
1862 zegepralend met 25.000 zijner manschappen het hoofd aan
100.000 Turken. In 1876, tijdens den Russisch-Turkschen oorlog,
wist hij van de Turken vergrooting van zijn grondgebied af te
dwingen langs den Zuidkant, zoodat Montenegro thans een
twintigtal kilometers zeekust bezit. En thans zien wij den
grijzen koning voor de derde maal den erfvijand bestrijden.
Doch, hoe is er het vorstelijk gezag opnieuw in wereldlijke
handen geraakt? Danilo II, die zijn oom Peter II
opgevolgd was, veranderde ―met toestemming des volks― de
troonopvolging, welke voortaan erfelijk zou wezen, en op
wereldlijke personen berusten. Wijl Danilo II slechts een
dochter naliet, werd zijn neef, Nicolaas Petrovitch, met
het vorstelijk gezag bekleed op 14 Augustus 1860. Deze was de
eerste van zijn geslacht die zich in betrekking stelde met de
beschaafde wereld. Hij studeerde aan het lyceum van Lodewijk
den Groote, te Parijs, waar hij de andere volken leerde kennen
en waardeeren zonder het zijne te minachten. Sedert zijne
troonbestijging heeft hij zijn landeken fel in aanzien doen
stijgen. Aanvankelijk een prinsdom, is het in 1905 door
Nicolaas I tot grondwettelijk koninkrijk verheven. Dank aan
zijn voorzichtig en wijs bestuur en zijne verlichte
staatkunde, wordt die kleine koning als een groot man geteld.
Zijn huis is met verscheidene Europeesche vorstenfamiliën
verwant door huwelijken zijner kinderen. Ziehier overigens de
samenstelling van zijn huis:
Nicolaas I, geboren op 22 September 1842 en gehuwd
met Milena Vricotitch, in 1860.
Kinderen:
- Militza, 1866, gehuwd met Peter-Nicolaas van Rusland.
- Stana, 1867, gehuwd met Joris van Leuchtenberg.
- Danilo, 1871, gehuwd met Jutta van Mecklemburg-Strelitz.
- Helena, 1872, gehuwd met Victor-Emmanuel III, koning van Italië.
- Anna, 1874, gehuwd met J. von Battenberg.
- Mirko, 1879, gehuwd met Nathalie Constantinovitch.
- Henia, 1881
- Vera, 1887
- Peter, 1889
In zijn tegenwoordigen toestand is Montenegro begrensd door
Oostenrijk-Hongarije, Dalmatië en Herzegovina, Turkije, het
sandjak3 Novibazar en Albanië, en de Adriatische zee.
Zijne uitgestrektheid bedraagt 9.000 vierkante kilometers, en
zijne bevolking 250.000 inwoners; het zij 27 per vierkante
kilometer. De hoofdstad Cettinje telt slechts 4.350 inwoners.
Het land bestaat uit hoogvlakten met diepe valleien
doorsneden, waarin maïs en fruitboomen groeien. De talrijke
bergen, wier zwarte spitsen tot ruim 2.500 meters boven den
zeespiegel uitsteken, zijn met dichte wouden bedekt. Buiten
den landbouw, houdt het volk zich bezig met verschillende
nijverheden: was en honing, kaas, siropen. Zijn handel
bedraagt 10.000.000 fr. De Oostenrijksche munt is het meest in
omloop. Door de zeehavens Dulcigno en Antivari,
heeft Montenegro toegang tot de Adriatische zee. De
Montenegrijnen spreken de Servische taal. Behalve 4.000
Roomsch-katholieken en 4.000 Mahomedanen, behoren zij tot den
Griekschen eredienst.
Als uitbreiding van grondgebied na den Balkan-oorlog verlangt
Montenegro de aangrenzende helft van het sandjak
Novibazar4, alsook
een deeltje van Albanië met de stad Scutari.
Montenegro bestaat dus sedert 1369... De zes eeuwen van
aanhoudenden strijd hebben dat volk met heldenmoed bezield en
zijn karakter met ontembare dapperheid gestaald. Alles getuigd
er van ruwe kracht en barsch geweld, tot zelfs de wetten. In
1854 gaf Danilo II een wetboek, dat thans nog van kracht is.
Sommige bepalingen weerspiegelen wondergoed den aard des
volks. Als voorbeeld enkele artikelen:
“Als er een lafaard wordt gevonden, zal men hem zijne wapens
afnemen; en heel zijn leven lang zal hij er geen meer mogen
dragen noch eenig aanzien genieten. Darenboven zal men hem
vrouwenvoorschoot om het lijf binden, om duidelijk te doen
zien dat in zijne borst geen mannenhart meer klopt.”
De gewoonte om lafaards met een vrouwenvoorschoot te omgorden,
dagteekent van 1832. De Montenegrijnen hadden het eiland
Salkovina bemachtigd en onder eenige boeren verdeeld, die
het gingen bewerken. Om hunne machtelooze woede te koelen,
beschoten de Turken het eiland met hunne kanonnen, vanuit het
fort Jabliah. Aldus werd nu en dan een Montenegrijnse
boer neergeveld in de groeve, welke hij met de ploeg gemaakt
had. Heel natuurlijk was het, dat sommigen uit vrees nalieten
het land te gaan bewerken. Daarom werd bepaald dat, wie ook
zijn werk zou verlaten uit vrees voor de kogels, een boet van
20 talaris zou betalen, en met een vrouwenvoorschoot zou
omgord worden, tot teeken van lafheid.
Hoor nu verder: “Wie een Tzerna-Goriaan met den voet
geschopt, of met den tschibouk zal geslagen hebben, zal
50 ducaten boet betalen. Indien de beleedigde zijnen
beleediger doodt in een oogenblik van gramschap, zoo zal hij
vrij wezen van alle verantwoordelijkheid; alsof 't een dief
betrof, op heeterdaad betrapt.”
En de Montenegrijnsche vrouwen? O, die koesteren jegens den
erfvijand dezelfde gevoelens als de mannen. Tijdens de
oorlogen van 1862, 1876-1877, 1888 en 1912, waren zij gelast
met de bevoorrading des legers. Over ruwe, schier
ontoegankelijke paden dragen zij op hunne hoofden
schietvoorraad en levensmiddelen. In vredestijd leven zij, met
hun groote donkere oogen, in een staat van stille
onderworpenheid, waarvan wij, beschaafden, ons geen gedacht
kunnen vormen. Ofschoon zij in tijd van gevaar onschatbare
diensten bewijzen tot verdediging des vaderlands, worden zij
in het gewone leven behandeld met eene bijna gemeene
onbeschoftheid, waaraan zij gewoon blijken te zijn en welke
hen niet ergert.
Hoor liever:
Een herbergier in de omstreken van Cettinje had een
beeldschone dochter, Gordanna. Tusschen de velen die haar hart
bestormden en naar haar hand dongen, nodigde zij er drie uit,
om op dezelfden dag naar haars vaders huis te komen, ten einde
een van hen tot man te kiezen.
De eerste der drie, die te Cattaro de manieren van de
stad geleerd had, vroeg haar beleefd te mogen doorgaan...
Gordanna ging opzij, om hem binnen te laten, maar al brommende
“Gij zult nooit mijn man worden.”
De tweede, minder beschaafd, zegde kortaf: “Laat me door!”.
Gordanna gehoorzaamde, doch hare lippen murmelden: “Gij ook
zult niet met mij trouwen.”
De derde ging er ruw naar toe, vatte zonder spreken het meisje
bij den arm en wierp haar barsch opzij, om driftig de zaal in
te stappen. Jubelend riep Gordanna dezen achterna: “Gij zijt
een echte Tzerna-Goriaan, alleen van zulken man wil ik de
vrouw worden!”.
Des. Allaeys.
|