|
Hei! 't Was in de Mei zoo blij!
Hei! 't Was in de Mei
(Volkslied)
Is er in het gansche jaar wel ééne maand die in 't
volksleven zoóó telt als de schoone lieve Mei?
Op den buiten en ook in menige Vlaamsche stad wordt de
Meiplanting naar het voorvaderlijk gebruik nog altijd
gevierd. Van waar komt dit volksgebruik?
In 't Vlaamsche land is het voorzeker twintig eeuwen oud; de
oude Germanen immers huldigden de Godheid die hen het vernieuwen
van het landgroen gunde, op zulke wijze dat het jeugdig groen
ter harer eere geofferd werd. De oude eikenstam werd toen met
jonge twijgen en groene slingers omwonden, de lente verdoofde
den winter, en de bewoners te lande dansten errond, en zongen
blijde huldeliederen.
Wanneer de kristene geloofspredikers de Germanen tot het waar
geloof brachten, konden en wilden zij niet zoo met eens de oude
gebruiken uitroeien; zij verkristelijkten die gebruiken, en aan
de oude boomen waaraan de goden vereering gehecht was, hingen
zij een heiligenbeeld, doorgaans het beeld der Heilige Maagd.
Was de bloemenmaand de schoonste van het jaar bij voorkeur
gevierd, zij werd door hen aan Maria toegewijd, en van toen af
weerklonk er ter plaatse het lied Maria ter eere.
De Meifeesten zijn tweeërlei: het ware volksfeest, de
Meiplanting en het plaatsen van den Meitak aan de
woonst der geliefde of huwbare dochters.
De Meiboom ziet men nog op vele plaatsen in onze Vlaamsche
gewesten; het planten ervan gaat gepaard mat allerlei
feestgevier. Dagen te voren is men gaan zoeken in bosschen en
kanten naar een effen den, berk of esch, en op Meiavond wordt
hij door de jeugdige bewoners der gebuurte of van de wijk ter
uitgekozen plaats gebracht. Gewoonlijk bevindt zich deze plaats
aan een kruispunt van straten waar een kapelleke van Onze Lieve
Vrouwe hangt. De boom wordt met frisch lover versierd en met
papieren vlgskens omhangen en dan, in het bijzijn van de buurt,
geplant.
Het is eene ware kristene herinnering, die heden ten dage dit
feest bezielt, want nauwelijks staat de boom in den grond vast,
of de oudste der buurt (de deken) knielt door allen omringd
neder en bidt ter eere van Maria. Na het einde van het gebed,
staat iedereen op, en nu begint het Meifeest dat bij de planting
past. De ouderlingen verwijderen zich stilaan, terwijl de jeugd,
alleen gebleven, zich tot een wijden kring vormt om hunne herten
in zang en spel lucht te geven. De kinderen komen eerst met een
meitak in de hand vooruit, een meisje blijft in het midden staan
terwijl hare gezellinnetjes de ronde vormen, en het oude liedje
zingen van:
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
'k Heb een meiboom in mijn hand,
aan wie zal ik hem geven?
Aan een jong (meisje) van nevens mij
zal ik hem presenteren.
Dansen en springen,
kermis houden en zingen:
Al onz' werken zijn gedaan,
wederom in den dans gegaan!
Hoepsa! Falderiere!
Hoepsa! Faldera!
En terwijl kiest het meisje in het ronde eene gezellin aan wie
zij den meitak biedt, en danst er mee in de ronde.
Zoo duurt het tot den avond, de oudere jonge lieden die hunne
geliefde reeds uitverkoren hebben, voegen zich bij den dans tot
wanneer zij allen samen in een vriendenhuis rond de tafel
vereenigd zijn aan het maal.
Het schenken van den Meitak aan een “jonk” had een
ernstiger beteekenis, het werd soms aanzien als eene
liefdesverklaring. De vrijer had de gewoonte op Meiavond
vóór het venster zijner beminde, of ook wel boven op het
dak, een meitak te plaatsen. Deze meitak, op sommige plaatsen
nog in voege, wordt soms spottenderwijze gebruikt; waar vele
huwbare dochters zijn worden er zoo vele geplaatst als er
meisjes zitten te wachten; eene rijke boeren dochter die zich te
hoog waant voor de jongens van het dorp, krijgt dan wel eens een
vogelschrik in de plaats der lieve Mei; eene dartele meid, die
eens of meermaals de zot hield met de jongens krijgt een
strooien pop; eene lichte deerne ontvangt dan ook een dorre tak;
het zal dan niet te verwonderen zijn wanneer men 's morgens
vroeg de huwbare meisjes voor 't zonnegloren aan de deur ziet
staan om te zien welk een tak hun huis versiert om daardoor het
gedacht te kennen dat de jongelingen van hen hebben.
Wanneer de “vrijagie” door het dorp gekend is en met der
ouders goedkeuring geschiedt, dan gebeurt het dat een gansche
stoet den gelukkigen jongeling naar de woonst der dochter
vergezeld met muziek en zang, en dat de geliefde boven op het
dak de Meitak planten moet. Valt hij er bij ongeluk af of door
―wanneer het een stroodak is― dan voorspelt dit zeker
ongeluk in den huwelijken staat; men heeft reeds aanstaande
huwelijken erom zien verbreken, zoo innig hecht men er geloof
aan, en dan blijven de zinspelingen op het gebeurde jaren lang,
bij zoover de wet er moet tusschen komen om de familieveeten te
voorkomen.
Zoo ziet men dat uit de beste gewoonten soms erg kwaad kan
voortkomen wanneer alles niet in eer en deugd vergaat.
G. Celis pr.
|