|
Ter gelegenheid van de opening der school Ste Lutgardis
brengt “Ons Volk” gaarne hulde aan haar, die voor de
verstandelijke verheffing en de hoogere beschaving van ons
Vlaamsche volk zooveel voelt en zooveel ijvert, aan Juffrouw
Maria Elisa Belpaire.
Jufvrouw1 Belpaire werd geboren te Antwerpen in 1853. Van
hare ouders, den kundigen ingenieur Alph. Belpaire en de
mystiek-vrouwe Betsy Teichman, de dochter van wijlen
gouverneur Teichman, ging van jongs af in haar over de stevige
denkersnatuur, en de stille kunstenaarsziel, die wij in haar
bewonderen. De families Belpaire en Teichman zijn steeds voor hun
stad en hun volk een goede voorzienigheid geweest; een
voorzienigheid, die eerst aan Antwerpen zijn “goeden Engel”
heeft geschonken, de onvergetelijke en heilige Jufvrouw
Constance Teichman, en meede aan 't Vlaamsche volk een tweeden
gouden engel in de persoon van M. E. Belpaire.
Op haar 14 jaar bleef Jufvrouw Belpaire reeds thuis uit de school; toen was het
uit met leskrijgen en met schoolgaan en schooltucht, maar hoegenaamd
niet met eigen studie. In den idealen huiskring begon eerst haar
veelzijdige ontwikkeling; niets wat den mensch aangaat mocht haar
vreemd blijven, en met rusteloozen ijver werkte zij zich op in de
stille huiskamer, tot de meest mannelijk-ontwikkelde vrouw van ons
land. Haar eerste opleiding geschiedde in het Fransch, maar weldra
was zij even goed thuis in het Engelsch, en kende zij daarbij
Nederlandsch, Duitsch en de Noorsche talen.
Door haar wijsgeerige natuur gedreven, door haar studie geleid en
later door de aanraking met Dr Schaepman aangespoord en
beïnvloed, werd zij spoedig een democratische en daardoor een
Vlaamschgezinde vrouw.
Zoo groeide ook stilaan haar drang tot
schrijven en werken voor het volk en in de taal van het volk. Onder
leiding van Jan De Laet had zij zich reeds aan
Vlaamsche-verzen-maken gezet; in 1884 kwam de kennismaking met
Hilda Ram, de te vroeg gestorvene Antwerpsche schrijfster, en
in 1887 gaf zij hare eerste pennevruchten uit in het
Davidsfonds: Uit het Leven.
In trouwe en vriendschappelijke samenwerking met Hilda Ram gaf
Jufvrouw Belpaire verzamelingen , sprookjes en vertellingen uit
voor kinderen: “Wonderland”. Daarbij schreef zij onverpoosd in
“Het Belfort” en “De Dietsche Warande” hare merkwaardige
bijdragen, waarin zij haar rijk en diep gedachtenleven en haar groote
belezenheid openbaart. Vooral sedert de versmelting dier beide
uitgaven, in 1900, heeft zij er haar tijdschrift van gemaakt en het
opgetilt tot het eerste tijdschrift van Vlaanderen.
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
Daarin
verschenen achtereenvolgens ―later ook als boek uitgegeven―
“Het Landleven in de Letterkunde”, “Kunst- en Levensbeelden”,
“Christen Ideaal”, “Constance Teichman”, “Beethoven”.
Haar letterkundig werk is een hulde aan Christus en het Christendom,
aan de kunst en de schoonheid; het is gesproten uit en wordt gedragen
door haar liefde tot de Christene Kerk en tot het Vlaamsche volk. Deze
liefde tot haar kerk en tot haar volk vult ook gansch het dagelijks
leven dezer buitengewone vrouw. Want al de uren niet aan de muziek
of letterkunde besteed, worden ingenomen door sociale of liefdadige
bezigheden. Dag in dag uit ijvert zij voor haar hoog ideaal in
sociale instellingen, op het gebied van onderwijs en ontwikkeling
van het volk, in werken van liefdadigheid.
Zij sticht en steunt
vrouwenbonden en sociale studiedagen; zij brengt een
onderwijsinrichting tot stand waar aan de meisjes uit den gegoeden
stand een opvoeding en een onderricht wordt verstrekt naar al de
eischen onzer huidige maatschappij; zij richt mede een
Hoogeschool-uitbreiding
op tot verdere onwikkeling van het volk; zij
sticht een lagere school waar de Vlaamsche kinderen zullen gevormd
worden, in hun bloed-eigen moedertaal, volgens al de beginselen
eener gezonde opvoedkunde; zij houdt steeds haar pen, haar woord en
haar vermogen veil voor de bevordering van de waarheid, de
schoonheid en de liefde.
Jufvrouw Belpaire leidt een eenvoudig maar een schoon, een groot en
een vruchtbaar leven. Zij is een vrouw met fijnen kunstzin, met
voornamen smaak en met kloeke denkkracht. Maar nooit heeft hare
hoogere beschaving haar sociale werkzaamheid geschaad. Integendeel,
zij is, zelfs langs om meer, vrouw van de daad, door hare
mannelijk-strijdlustige natuur immer gedreven, om haar gedachten en
verlangens in daden om te zetten. Zeer veel van wat er sinds twintig
jaar te Antwerpen is ontstaan op gebied van christelijke kunst, van
sociale of vlaamsche beweging, van christelijke vrouwenbeweging, van
volksontwikkeling, is of door haar zelf of onder haar aanmoediging
en bezieling ontstaan. Zoo is zij geworden een van de zuiverste en
edelste dochteren harer stad, een van de ruimdenkendste vrouwen van
onzen tijd. Zulke vrouwen smaken in het leven ook het hoogste geluk;
want het hoogste genot is zich zelf te geven ten dienste van zijn
geloof en van zijn volk. En zulke vrouwen zijn een zegen voor een
land.
Moge Jufvrouw Belpaire nog lang blijven de goede schutsengel van
haar duurbaar volk.
A. E. De Boeck, pr.
|