Vorige: Pol de Mont.   Omhoog: België.   Volgende: Dr. Is. Bauwens.
Inhoudsopgave   Index


Lodewijk Dosfel.

Gepubliceerd op 28 september 1912

Het kon niet anders of de Oud-hoogstudentenbond van Oost-Vlaanderen zou bij zijn tienjarig jubelfeest, naast de hoogst verdienstelijken hoofdman, Dr. Isidoor Bauwens, ook den besten officier van zijnen staf huldigen.
Dat was zoo natuurlijk dat het elk zou verwonderd hebben, ware de naam van Lodewijk Dosfel niet glanzend in het licht gesteld geweest, bij 't vieren van dit tweede lustrum; en nu zal slechts een onder ons geërgerd zijn om die daad van de meest eenvoudige erkentelijkheid, namelijk Dosfel zelf. En 'k zie hem al tot mij komen op onze feestvergadering te Gent, en met den licht spottenden glimlach die hem eigen is, me vriendelijk verwijten: “Dat moest ge niet gedaan hebben!”
Welnu, vriend Dosfel, toch doe ik het, al vaarde ik gelijk J. Persyn, wanneer hij u een groot dichter noemde1, want 'k zou aan mijn plicht te kort komen, moest ik zwijgen. 'k Betreur slechts dat geen bekwaam letterkundige, iemand van uw gehalte, uitgekozen werd om uw verdiensten te doen kennen en bewonderen. Maar, die me dit artikel eerst vroeg, stopte mij onmiddelijk den mond met iets dat geen tegenspraak dulde: “Hoor eens, gij kent den Dos, gij weet wat wij hem verschuldigd zijn; pen dat nu neer en laat daarbij uw hart spreken.” - en hij liet me staan...

't Is waar, beste lezers van “Ons Volk”, ik ken Lodewijk Dosfel sedert lang; en als ik niet mis ben, sedert 1892, toen ik in mijn tweede jaar aan de Leuvensche Alma Mater was, en mijn volle Sturm- und Drangperiode doorleefde. Hij stond ingeschreven voor de rechten, maar zijn liefde tot onze taal noopte hem ertoe ook de Germaansche Philologie te volgen; en zoo kwamen we op dezelfde bank te zitten. Nu zal ik niet zeggen, dat met onze opvattingen van “lustige philologen van Windsor”, zooals de drie ongekruinde studenten uit onzen kursus zich betitelden, de “nieuwe” ons zeer welkom was; nee, wij vonden hem immers te ernstig, te droog; en vooral, hij leverde op een dag werk, waar wij beweerden een heele week voor noodig te hebben en werd ons door den professor te dikwijls ten voorbeeld gesteld; neen, we konden niet hoog oploopen met “dien blokker”, en een onder ons, de Fred, beweerde zelfs dat met zulke menschen de philologie ―de lustige, natuurlijk― om zeep ging... Zoo dacht ik ook... totdat in een der wintervergaderingen van “Met Tijd en Vlijt”, Dosfel den eersten keer 't spreekgestoelte beklom, en een paar gedichten las van eigen maaksel, waarvan de toon mij nog in de ooren klinkt en de “rotsgedachten” ons deden rillen.
Van toen af ontstond in mij bewondering voor dien jongen denker en ze steeg nog, toen ik vernam dat deze diep-ernstige dichter pas 16 jaar oud was en, buiten zijn schitterende humaniora, reeds flink mannenwerk verricht had, in 't Onze Lieve Vrouwcollege zijner geboortestad, het “heerlijke Dendermonde” zooals Hiel het noemt.
Daar had hij al in 1896 een studentenkring gesticht, “Jong maar Moedig”, waarvan hij zeker wel de jongste en stellig ook de moedigste zal geweest zijn; in alle geval mannen van de “Vlaamsche Kar” zooals men toen de meest ernstige flaminganten onder 't Leuvensch studentendiet noemde, hadden reeds van Dosfel gehoord en trachtten vurig naar zijne komst; immers zij wisten dat hij aan die “kar” zou meestooten. Maar hij wilde beginnen met krachten bijeen te garen en, zoo getuigt Dr. Frans Mets, die thans rustig geneesheer is te Lier, maar destijds een der kranigste voerlieden der “Karre” was2:

“hij leefde erg stil en teruggetrokken, op zijne studeerkamer, en zat zijn eigen te verstalen in den Vlaamschen kamp, totdat hij welhaast gansch geharnast plots te voorschijn trad; 't was in Met Tijd en Vlijt dat hij opkwam en de leden omzeggens overweldigde van den eerste keer, met een macht van gedachten en beschouwingen.
En hij ging zoo voort, overweldigend. Al onze Vlaamsche kringen te Leuven hebben hem gekend: “Met Tijd en Vlijt”; “De Katholieke Oost-Vlaamsche Studentenbond”; “Dr Constantius Buter”; “Het Rechtsgenootschap”; “De Sprekersbond”; “St. Thomasgenootschap”; enz., al onze Vlaamsche tijdschriften hebben zijne artikelen rondgestrooid, wijd en zijd: “Ons Leven”; “Jong Dietschland”; “Dietsche Warande en Belfort”, enz. Overal zegde hij kort en bondig zijn gedacht over de Vlaamsche Beweging, bonkend als de zware hamerslagen van den smid op 't ijzeren aambeeld; raak elken keer... Hij was jong, maar moedig; hij kon werken, hij wilde werken, hij werkte veel!
Dat was zeer belangrijk: toen nog meer dan nu waren er werkers te kort; daarbij zulke van de gehalte van Dosfel vindt men niet veel, die met hun breede schouder tegen de Vlaamsche “Kar” aandrummend, haar stootelings uit een poel waar ze te verzinken stond, kunnen opheffen.”

't Was toen het tijdperk waarop de strijd voor de gelijkheidswet volop aan den gang was; De Senaat verwierp in Februari 1897 't wetsontwerp De Vriendt-Coremans en er ontstond een woeling in den lande, die o.a. te Leuven de meest slaperige Vlamingen deed wakker springen. De zweepslag had gewerkt. In dichte drommen trokken de Vlaamsche studenten met hun kleurrijke gildevlaggen naar al de betoogingen tegen “Vilain, Surmont, Van den Bossche en Dumont”, die in den omtrek gehouden werden; zoo zag men ze met honderden in elken optocht en overal trok Dosfel mee; maar niet zingend en stokkenzwaaiend als de anderen, nee, hij stapte zwijgend naast zijn woelende buren en hield zijn handen diep in de zakken van zijn overjas.
Zoo kan men hem nu nog zien gaan, in de stoeten, te midden het jonge studentenvolk, in schijn onverschillig, maar zoohaast hij in de vergadering hun het woord toestuurt, wordt men gewaar hoe onder die koude korst een vlammend hart gloeit. En zeker is het woord van Paul de Cassagnac “de Vlaming is een ijsberg, maar die een vuurberg in zijn ingewanden draagt” op niemand meer toepasselijk dan op Dosfel.
Dat is volgens hem, ook eigen aan “Zeemeeuwe”, zijn lievelingsdichter, waarvan hij ons het volgende beeld teekent3:

“Hij (Zeemeeuwe) is een droomer met wijdstarend oog over verten en tijden; onder eene ijskorst van schijn-onverschilligheid en vries-koelheid voor de meesten, kookt een gulf-stream, ziedt een vuurberg van liefde in Hem. Hij voelt naar Liefde een woestijndorst, een zeebarengestijg, een stormwindgegier. Verdord en afgemat is hij er door; ontbladerd staan zijn jonge geluksboomen. Maar hij weet dat in Oceaan zal veranderen zijn ziel-sahara, dat eens elke baar zal nederliggen, zooals kinderen op den schoot van moeder, dat een oerwoud van geluk zal openbloesemen in Lentegestreel. Ik gis dat hij een priester is - of een kloosterling of een zendeling. Tot geene vrouw zal hij zeggen “mijne bruid”. Hij kent slechts “Onze Lieve Vrouw”. Geen kind zal hem vader heeten; Hij zal vader zeggen tot het Godkind. Geen huiskring heeft hij. Slechts een paar vrienden en boeken. Zijn huiskring is daar waar zijne hoop en gedachten henevaren... Hij is een verstrooide, een verdwaalde onder de menschen.
Hij gaat voorbij aan het gekoketteer van bonte villas aan bonte stranden, ziet niet naar lentezonnezotternijen in teer-blauwe luchten, luistert niet naar Sonales pastorales van zilverbronne-lintjes om weiden met groen en herderinnetjes, zet geen voet op de groene glooiïng van miniatuurheuveltjes, vlucht voor Souza-marchen, gehuppel van Valses bleues, en voor na-noenpraatjes over wijnen of sigarenmerken. Hij haat het gedoe van autokarren, motorfietsen, turbinebooten, verfoeit de kunstcircussen vol geclown, gearlekijn en acrobatie, loopt weg uit de schouwburgencarnavals met hun confettis van schijngeestige, lamkrachtige woorden en papieren gebliksem van driftjesserpentines.

(Naar het begin van de volgende kolom)

  LDosfel Hij is boos op de moderne richting der Nederlandsche literatuur, kijkt eens terzijde op de talentbloemen die overal zoetkleurig aan zijn voet ontluiken, houdt niet van sonettendiamantgeciseleer, of van het patientiespelachtig inzetten van novelletjes, maar hij gaat zijne ziel te luisteren leggen onder de schaduwen der kunstreuseiken die boven eeuwen en landen hun schoonheidslied uitruischen, hij wenscht volken te zien spelen op het tooneel, bedrijven uit de nooit voltooide `Légendes des Siècles'. Hij mint Aischylos, de Grieken, Goethe, De Musset, De Vigny, Vondel, Rodenbach.” Verschooning dat ik zoo ver gegaan ben met die aanhaling, maar ik kon die mooie brok uit Dosfel's opstel over “Zeemeeuwe” niet schenden en bovendien hebben we daar niet, in groote trekken, een sprekend portret van Dosfel zelf? Want zeker heeft hij in den diepsten grond van zijn eigen ziel gezien, wanneer hij het beeld schiep van den dichter, dien hij niet kende, maar van wien zulke aantrekkingskracht op zijn gemoed uitging, dat hij zelf getuigd: “Stellig is het dat zonder `Zeemeeuwe' Jong Dietschland niet zou bestaan en dat al mijne gedichten en studiën vol zijn met reminiscenten aan zijn werken4.”
Jong Dietschland”, waarvan hier sprake, is een letterkundig tijdschrift, dat Dosfel in 1898 stichtte, in 't begin bijna alleen recht hield en toch tot weelderigen bloei bracht. Daarin verschenen van zijn hand tal van prachtige bijdragen over kunst en wetenschap, alsook zijne gedichten, de meeste gewijd aan onderwerpen die een ander niet zou aandurven, als: “Abel dood gevonden”, “Wereldeinde”, “Ontwerpen van Babel”, waarvan dichter Walgrave getuigd: “Ik kan dat niet lezen zonder te huiveren van echte bewondering voor de grootheid, voor de verbeeldingskracht die geheel dat werk doortintelen.”
Hij teekende gewoonlijk Godfried Hermans, een deknaam die heel het innerlijk wezen van Dosfel zoo getrouw weergeeft; en zoo veelzijdig was zijn gebied, dat ik tweemaal een wedding won met een student, die niet wilde gelooven dat die Godfried Hermans Dosfel kon zijn. Het scheen ook bijna onmogelijk dat een en dezelfde mensch al dit werk kon leveren en zulk werk dan nog! Men bedenke daarbij dat hij pas geloot had toen de faculteit hem in 1901 “doctor juris” uitriep.
Door mijn verblijf in 't buitenland was het eerst in 1908 dat ik het geluk had Dosfel weer te zien, en wel op de studentenvergadering te Dendermonde. Het was een feestzitting ter zijner eer gehouden door zijn gilde “Jong maar Moedig”. De studenten jubelden hun liefde uit voor hun gevierden hoofdman; geestdriftige redevoeringen werden uitgesproken en lofdichten afgelezen, totdat tenslotte de held van het feest zelf aan 't woord kwam. Zijn breede, zware gestalte stak af tegen de knapen, die hem nu reikhalzend in godsdienstige stilte aanhoorden; en daar “smeet hij weer zijn woord met een krachtigen worp”.
“Ik aanvaard uw lof gelijk den priester de wierook, die hem wordt toegezwaaid: niet tot hem gaat dit eerbetoon, maar wel tot het kruis, dat op zijn kazuifel prijkt. Zoo ook hebt ge in mij de edele zaak willen huldigen, waarvoor ik strijd...” en zoo ging hij voort “op zijn Dosfel's” en de jongens hingen aan zijn lippen.
Op dit Oogenblik voelde ik het goed; we hadden hier met een nieuwe leider in onze Studentenbeweeging te doen, een opvolger van Rodenbach. Diens werk zette hij voort. En vermits Rodenbach's geniaal plan om Vlaanderen te doen herleven door de jeugd, regelrecht uitloopt op het stichten van Oud-Hoogstudentenbonden, zoo is het niet te verwonderen dat Dosfel in 1902 den bond tot stand bracht die nu in de volle ontplooiïng van zijn krachtigen groei, zijn tienjarig jubelfeest viert.
Wat hij in onzen bond, binnen die spanne tijds verwezenlijkt heeft, weten enkel diegenen welke in het bestuur zijn nederige werken hebben kunnen nagaan; enkel eenige uitingen daarvan, sprongen in 't oog van de buitenwereld. Ik zal hier enkel herinneren aan zijn moedig optreden, waardig van een O'Connell, tijdens de jubelfeesten der Leuvensche Hoogeschool en op het Katholiek Congres te Mechelen. O! wat was hij heerlijk toen hij daar stond, voor die bomvolle zaal, op dien hoogen katheder, zoo kalm, zoo edel, en ons goed recht bepleitte met een overtuigingskracht, die de vurigste Waalschgezinden stil deed luisteren.
“Ik bewonderde hem”, zoo schreef Advocaat Van Dieren5 “om zijne kalmte, om zijne zekerheid. Hij leek mij een kloeke metser die met sterke materialen aan het gebouw werkt voor welks voltooiïng hij leeft. De grondvesten staan er, rotsvast en onwrikbaar, dagelijks brengt hij steenen aan; hij zal het voltooien tot aan den toren. Werk dapper op, kloeke maat, de erkentelijkheid van geheel ons volk zal u om uw zwoegen beloonen en gij zult beleven de bekroning van uw werk: Het gebouw van het Vlaamsch onderwijs voltrokken, als een sterk belfort, met bovenaan, de lang gewenschte Vlaamsche Hoogeschool.”
En zoo is hij blijven voortwerken op de meetings, in vlugschriften, dag- en weekbladen, heeft hij zonder een oogenblik te rusten den goeden strijd voortgezet, wakker en taai. Hij paste steeds op zichzelf de woorden toe van O'Connell, waarmee hij zijn Vlaamsche Kronijk van 1911, in het jaarboek van het Davidsfonds sluit: “Niet heden of morgen dient er gesproken te worden; altijd gesproken, altijd geschreven, altijd vertoogschriften verzonden, altijd vereenigingen opgericht totdat het doel bereikt en de rechtvaardigheid bekomen is”.
En intusschen vond hij nog den tijd om zijn “Kern van het Burgerlijk Wetboek” uit te geven; de “Belgische Taalwetten” te verzamelen en voor het volk toe te lichten ―een echt Benedictijnerwerk, waarmee hij ons weerom de grootste diensten bewees― verscheidene tooneelstukken te schrijven, o.a. “Ten Aanval”; “Passiespel” en “Joas”. Hij richtte het eerste Congres in voor het Katholiek Vlaamsch Tooneel; hielp de katholieke Vlaamsche Tooneelvereeniging stichten; stelde in het verslag der Hoogeschoolcomissie het deel op dat handelt over de “Vlaamsche Rechtsfaculteit”; en wat deed hij niet nog voor de hoogeschooluitbreiding, het Davidsfonds, het Rechtskundig Tijdschrift, enz., enz.?
O! hoe moet een fat, zooals er zooveel loopen in de officiëele ambtenaarswereld, waar Dosfel enkel door zijn bekwaamheden tot een hooge plaats is geklommen, hoe moet die zich inwendig schamen als hij zijn klein gedoe van “rond-de-cuir” vergelijkt met 't edel streven van dien grooten Vlaming, die nochtans in dat midden ook bij de “derviches hurleurs” en de “bachi-bouzoucks” van 't flamingantisme zal gerekend worden!
Onze Dosfel, dat is nu toch ook een, kleinzielige menschjes, dien ge niet kunt verdacht maken ook op plaatskens te azen en zijn overtuiging te zullen verschacheren. Noem mij in heel uw halfslachtige wereld, één enkel franskiljon, dien ge met dien jongen man kunt meten en wiens onbaatzuchtigheid, opofferingsgeest en zielegrootheid tegen de zijne opwegen.

Enkel een boom gevoed met de kracht van eigen bodem en wiens takken in de blauwe lucht reiken van 't reinste idealisme, zooals onze heilige Vlaamsche Beweging, kan zulke schoone vruchten voortbrengen. O! mocht nu toch eens onze boom deze heerlijke vrucht blijven dragen, totdat zij tot volle rijpheid gekomen is; dat het onverbiddelijk fatum hetwelk ons Rodenbach, Omer De Laey, Paul Back en anderen bij 't opstaan van hun lente ontrukte, U toch spare, beste vriend Dosfel, en mocht gij die nu in de volle kracht van uw dertig jaar gekomen zijt, een bloeitijd beleven waarvan uw aanbeden Vlaamsche volk al die heerlijkheid bewonderend moge aanschouwen en dankbaar genieten. Daarmee vertolk ik den innigsten wensch van onzen feestvierenden oud-hoogstudentenbond, waarvan ieder lid U en onze geliefden Voorzitter in 't harte draagt, en die genegenheid zullen we U toonen, met elk in de maat onzer krachten Uw voorbeeld te volgen.

Aug. Borms.



Voetnoot

...noemde1
Zie de voorrede van Godfried Hermans' “Verzamelde Opstellen en Gedichten”. Vlaamsche Boekhandel. 1907. Brussel.
...was2
“Lodewijk Dosfel, zijn streven en zijne werken” door zijne Gilde “Jong maar Moedig”, hem aangeboden ter gelegenheid van haar tienjarig bestaan. Uitgegeven bij J. Van Lantschoot, Dendermonde (1906)
...teekent3
Verzamelde opstellen en gedichten, blz. 39.
...werken4
Verzamelde opstellen en gedichten. blz. 42.
...Dieren5
Het Vlaamsch Incident in het Congres te Mechelen. September 1909. Keurboekerij. Leuven.


Vorige: Pol de Mont.   Omhoog: België.   Volgende: Dr. Is. Bauwens.
Inhoudsopgave Index

Valid HTML 4.01 Transitional

Pros Robaer - 2009