|
Het kon niet anders of de Oud-hoogstudentenbond van
Oost-Vlaanderen zou bij zijn tienjarig jubelfeest, naast de
hoogst verdienstelijken hoofdman, Dr. Isidoor Bauwens, ook den besten officier van zijnen staf
huldigen.
Dat was zoo natuurlijk dat het elk zou verwonderd hebben, ware
de naam van Lodewijk Dosfel niet glanzend in
het licht gesteld geweest, bij 't vieren van dit tweede lustrum;
en nu zal slechts een onder ons geërgerd zijn om die daad van
de meest eenvoudige erkentelijkheid, namelijk Dosfel zelf.
En 'k zie hem al tot mij komen op onze feestvergadering te
Gent, en met den licht spottenden glimlach die hem eigen
is, me vriendelijk verwijten: “Dat moest ge niet gedaan
hebben!”
Welnu, vriend Dosfel, toch doe ik het, al vaarde ik gelijk
J. Persyn, wanneer hij u een groot
dichter noemde1, want 'k zou aan mijn plicht te kort
komen, moest ik zwijgen. 'k Betreur slechts dat geen bekwaam
letterkundige, iemand van uw gehalte, uitgekozen werd om uw
verdiensten te doen kennen en bewonderen.
Maar, die me dit artikel eerst vroeg, stopte mij onmiddelijk den
mond met iets dat geen tegenspraak dulde: “Hoor eens, gij kent
den Dos, gij weet wat wij hem verschuldigd zijn; pen
dat nu neer en laat daarbij uw hart spreken.” - en hij liet me
staan...
't Is waar, beste lezers van “Ons Volk”, ik ken
Lodewijk Dosfel sedert lang; en als ik niet mis
ben, sedert 1892, toen ik in mijn tweede jaar aan de
Leuvensche Alma Mater was, en mijn volle Sturm- und Drangperiode doorleefde. Hij stond ingeschreven voor de
rechten, maar zijn liefde tot onze taal noopte hem ertoe ook de
Germaansche Philologie te volgen; en zoo kwamen we op dezelfde
bank te zitten. Nu zal ik niet zeggen, dat met onze opvattingen
van “lustige philologen van Windsor”, zooals de drie
ongekruinde studenten uit onzen kursus zich betitelden, de
“nieuwe” ons zeer welkom was; nee, wij vonden hem immers te
ernstig, te droog; en vooral, hij leverde op een dag werk, waar
wij beweerden een heele week voor noodig te hebben en werd ons
door den professor te dikwijls ten voorbeeld gesteld; neen, we
konden niet hoog oploopen met “dien blokker”, en een onder
ons, de Fred, beweerde zelfs dat met zulke menschen de
philologie ―de lustige, natuurlijk― om zeep ging... Zoo
dacht ik ook... totdat in een der wintervergaderingen van “Met
Tijd en Vlijt”, Dosfel den eersten keer 't spreekgestoelte
beklom, en een paar gedichten las van eigen maaksel, waarvan de
toon mij nog in de ooren klinkt en de “rotsgedachten” ons
deden rillen.
Van toen af ontstond in mij bewondering voor dien jongen denker
en ze steeg nog, toen ik vernam dat deze diep-ernstige dichter
pas 16 jaar oud was en, buiten zijn schitterende humaniora,
reeds flink mannenwerk verricht had, in 't Onze Lieve
Vrouwcollege zijner geboortestad, het “heerlijke
Dendermonde” zooals Hiel het noemt.
Daar had hij al in 1896 een studentenkring gesticht, “Jong maar
Moedig”, waarvan hij zeker wel de jongste en stellig ook de
moedigste zal geweest zijn; in alle geval mannen van de
“Vlaamsche Kar” zooals men toen de meest ernstige flaminganten
onder 't Leuvensch studentendiet noemde, hadden reeds van Dosfel
gehoord en trachtten vurig naar zijne komst; immers zij wisten
dat hij aan die “kar” zou meestooten.
Maar hij wilde beginnen met krachten bijeen te garen en, zoo
getuigt Dr. Frans Mets, die thans rustig geneesheer is te
Lier, maar destijds een der kranigste voerlieden der
“Karre” was2:
“hij leefde erg stil en teruggetrokken, op zijne studeerkamer,
en zat zijn eigen te verstalen in den Vlaamschen kamp, totdat
hij welhaast gansch geharnast plots te voorschijn trad; 't was
in Met Tijd en Vlijt dat hij opkwam en de leden
omzeggens overweldigde van den eerste keer, met een macht van
gedachten en beschouwingen.
En hij ging zoo voort, overweldigend. Al onze Vlaamsche kringen
te Leuven hebben hem gekend: “Met Tijd en Vlijt”; “De
Katholieke Oost-Vlaamsche Studentenbond”; “Dr Constantius
Buter”; “Het Rechtsgenootschap”; “De Sprekersbond”; “St.
Thomasgenootschap”; enz., al onze Vlaamsche tijdschriften
hebben zijne artikelen rondgestrooid, wijd en zijd: “Ons
Leven”; “Jong Dietschland”; “Dietsche Warande en Belfort”,
enz. Overal zegde hij kort en bondig zijn gedacht over de
Vlaamsche Beweging, bonkend als de zware hamerslagen van
den smid op 't ijzeren aambeeld; raak elken keer... Hij was
jong, maar moedig; hij kon werken, hij wilde werken, hij werkte
veel!
Dat was zeer belangrijk: toen nog meer dan nu waren er werkers
te kort; daarbij zulke van de gehalte van Dosfel vindt men niet
veel, die met hun breede schouder tegen de Vlaamsche “Kar”
aandrummend, haar stootelings uit een poel waar ze te verzinken
stond, kunnen opheffen.”
't Was toen het tijdperk waarop de strijd voor de
gelijkheidswet volop aan den gang was; De Senaat verwierp
in Februari 1897 't wetsontwerp De Vriendt-Coremans en
er ontstond een woeling in den lande, die o.a. te Leuven de
meest slaperige Vlamingen deed wakker springen.
De zweepslag had gewerkt.
In dichte drommen trokken de Vlaamsche studenten met hun
kleurrijke gildevlaggen naar al de betoogingen tegen
“Vilain, Surmont, Van den Bossche en
Dumont”, die in den omtrek gehouden werden; zoo zag men ze
met honderden in elken optocht en overal trok Dosfel mee; maar
niet zingend en stokkenzwaaiend als de anderen, nee, hij stapte
zwijgend naast zijn woelende buren en hield zijn handen diep in
de zakken van zijn overjas.
Zoo kan men hem nu nog zien gaan, in de stoeten, te midden het
jonge studentenvolk, in schijn onverschillig, maar zoohaast hij
in de vergadering hun het woord toestuurt, wordt men gewaar hoe
onder die koude korst een vlammend hart gloeit.
En zeker is het woord van Paul de Cassagnac “de Vlaming is
een ijsberg, maar die een vuurberg in zijn ingewanden draagt”
op niemand meer toepasselijk dan op Dosfel.
Dat is volgens hem, ook eigen aan “Zeemeeuwe”, zijn
lievelingsdichter, waarvan hij ons het volgende beeld
teekent3:
“Hij (Zeemeeuwe) is een droomer met wijdstarend oog over verten
en tijden; onder eene ijskorst van schijn-onverschilligheid en
vries-koelheid voor de meesten, kookt een gulf-stream, ziedt een
vuurberg van liefde in Hem.
Hij voelt naar Liefde een woestijndorst, een
zeebarengestijg, een stormwindgegier.
Verdord en afgemat is hij er door; ontbladerd staan zijn jonge
geluksboomen. Maar hij weet dat in Oceaan zal veranderen zijn
ziel-sahara, dat eens elke baar zal nederliggen, zooals kinderen
op den schoot van moeder, dat een oerwoud van geluk zal
openbloesemen in Lentegestreel.
Ik gis dat hij een priester is - of een kloosterling of een
zendeling. Tot geene vrouw zal hij zeggen “mijne bruid”.
Hij kent slechts “Onze Lieve Vrouw”.
Geen kind zal hem vader heeten; Hij zal vader zeggen tot het
Godkind. Geen huiskring heeft hij. Slechts een paar vrienden en
boeken. Zijn huiskring is daar waar zijne hoop en gedachten
henevaren... Hij is een verstrooide, een verdwaalde onder de
menschen.
Hij gaat voorbij aan het gekoketteer van bonte villas aan bonte
stranden, ziet niet naar lentezonnezotternijen in teer-blauwe
luchten, luistert niet naar Sonales pastorales van
zilverbronne-lintjes om weiden met groen en herderinnetjes, zet
geen voet op de groene glooiïng van miniatuurheuveltjes,
vlucht voor Souza-marchen, gehuppel van Valses bleues, en
voor na-noenpraatjes over wijnen of sigarenmerken.
Hij haat het gedoe van autokarren, motorfietsen, turbinebooten,
verfoeit de kunstcircussen vol geclown, gearlekijn en acrobatie,
loopt weg uit de schouwburgencarnavals met hun confettis van
schijngeestige, lamkrachtige woorden en papieren gebliksem van
driftjesserpentines.
(Naar het begin van de volgende kolom)
|
Hij is boos op de moderne richting der Nederlandsche literatuur,
kijkt eens terzijde op de talentbloemen die overal zoetkleurig
aan zijn voet ontluiken, houdt niet van
sonettendiamantgeciseleer, of van het patientiespelachtig
inzetten van novelletjes, maar hij gaat zijne ziel te luisteren
leggen onder de schaduwen der kunstreuseiken die boven eeuwen en
landen hun schoonheidslied uitruischen, hij wenscht volken te
zien spelen op het tooneel, bedrijven uit de nooit voltooide
`Légendes des Siècles'. Hij mint Aischylos, de Grieken,
Goethe, De Musset, De Vigny, Vondel,
Rodenbach.”
Verschooning dat ik zoo ver gegaan ben met die aanhaling, maar
ik kon die mooie brok uit Dosfel's opstel over “Zeemeeuwe”
niet schenden en bovendien hebben we daar niet, in groote
trekken, een sprekend portret van Dosfel zelf?
Want zeker heeft hij in den diepsten grond van zijn eigen ziel
gezien, wanneer hij het beeld schiep van den dichter, dien hij
niet kende, maar van wien zulke aantrekkingskracht op zijn
gemoed uitging, dat hij zelf getuigd: “Stellig is het dat
zonder `Zeemeeuwe' Jong Dietschland niet zou bestaan en dat al
mijne gedichten en studiën vol zijn met reminiscenten aan zijn
werken4.”
“Jong Dietschland”, waarvan hier sprake, is een
letterkundig tijdschrift, dat Dosfel in 1898 stichtte, in 't
begin bijna alleen recht hield en toch tot weelderigen bloei
bracht. Daarin verschenen van zijn hand tal van prachtige
bijdragen over kunst en wetenschap, alsook zijne gedichten, de
meeste gewijd aan onderwerpen die een ander niet zou aandurven,
als: “Abel dood gevonden”, “Wereldeinde”, “Ontwerpen van
Babel”, waarvan dichter Walgrave getuigd: “Ik kan dat
niet lezen zonder te huiveren van echte bewondering voor de
grootheid, voor de verbeeldingskracht die geheel dat werk
doortintelen.”
Hij teekende gewoonlijk Godfried Hermans, een deknaam die
heel het innerlijk wezen van Dosfel zoo getrouw weergeeft; en
zoo veelzijdig was zijn gebied, dat ik tweemaal een wedding won
met een student, die niet wilde gelooven dat die Godfried
Hermans Dosfel kon zijn. Het scheen ook bijna onmogelijk dat een
en dezelfde mensch al dit werk kon leveren en zulk werk dan nog!
Men bedenke daarbij dat hij pas geloot had toen de faculteit hem
in 1901 “doctor juris” uitriep.
Door mijn verblijf in 't buitenland was het eerst in 1908 dat ik
het geluk had Dosfel weer te zien, en wel op de
studentenvergadering te Dendermonde. Het was een
feestzitting ter zijner eer gehouden door zijn gilde “Jong maar
Moedig”. De studenten jubelden hun liefde uit voor hun
gevierden hoofdman; geestdriftige redevoeringen werden
uitgesproken en lofdichten afgelezen, totdat tenslotte de held
van het feest zelf aan 't woord kwam. Zijn breede, zware
gestalte stak af tegen de knapen, die hem nu reikhalzend in
godsdienstige stilte aanhoorden; en daar “smeet hij weer zijn
woord met een krachtigen worp”.
“Ik aanvaard uw lof gelijk den priester de wierook, die hem
wordt toegezwaaid: niet tot hem gaat dit eerbetoon, maar wel tot
het kruis, dat op zijn kazuifel prijkt. Zoo ook hebt ge in mij
de edele zaak willen huldigen, waarvoor ik strijd...” en zoo
ging hij voort “op zijn Dosfel's” en de jongens hingen aan
zijn lippen.
Op dit Oogenblik voelde ik het goed; we hadden hier met een
nieuwe leider in onze Studentenbeweeging te doen, een opvolger
van Rodenbach. Diens werk zette hij voort. En vermits
Rodenbach's geniaal plan om Vlaanderen te doen herleven door de
jeugd, regelrecht uitloopt op het stichten van
Oud-Hoogstudentenbonden, zoo is het niet te verwonderen dat
Dosfel in 1902 den bond tot stand bracht die nu in de volle
ontplooiïng van zijn krachtigen groei, zijn tienjarig
jubelfeest viert.
Wat hij in onzen bond, binnen die spanne tijds verwezenlijkt
heeft, weten enkel diegenen welke in het bestuur zijn nederige
werken hebben kunnen nagaan; enkel eenige uitingen daarvan,
sprongen in 't oog van de buitenwereld. Ik zal hier enkel
herinneren aan zijn moedig optreden, waardig van een
O'Connell, tijdens de jubelfeesten der Leuvensche
Hoogeschool en op het Katholiek Congres te Mechelen. O! wat was
hij heerlijk toen hij daar stond, voor die bomvolle zaal, op
dien hoogen katheder, zoo kalm, zoo edel, en ons goed recht
bepleitte met een overtuigingskracht, die de vurigste
Waalschgezinden stil deed luisteren.
“Ik bewonderde hem”, zoo schreef Advocaat Van Dieren5 “om zijne
kalmte, om zijne zekerheid. Hij leek mij een kloeke metser die
met sterke materialen aan het gebouw werkt voor welks
voltooiïng hij leeft. De grondvesten staan er, rotsvast en
onwrikbaar, dagelijks brengt hij steenen aan; hij zal het
voltooien tot aan den toren. Werk dapper op, kloeke maat, de
erkentelijkheid van geheel ons volk zal u om uw zwoegen
beloonen en gij zult beleven de bekroning van uw werk: Het
gebouw van het Vlaamsch onderwijs voltrokken, als een sterk
belfort, met bovenaan, de lang gewenschte Vlaamsche
Hoogeschool.”
En zoo is hij blijven voortwerken op de meetings, in
vlugschriften, dag- en weekbladen, heeft hij zonder een
oogenblik te rusten den goeden strijd voortgezet, wakker en
taai. Hij paste steeds op zichzelf de woorden toe van O'Connell,
waarmee hij zijn Vlaamsche Kronijk van 1911, in het jaarboek van
het Davidsfonds sluit: “Niet heden of morgen dient er
gesproken te worden; altijd gesproken, altijd geschreven, altijd
vertoogschriften verzonden, altijd vereenigingen opgericht
totdat het doel bereikt en de rechtvaardigheid bekomen is”.
En intusschen vond hij nog den tijd om zijn “Kern van het
Burgerlijk Wetboek” uit te geven; de “Belgische Taalwetten” te verzamelen en voor het volk toe te lichten
―een echt Benedictijnerwerk, waarmee hij ons weerom de
grootste diensten bewees― verscheidene tooneelstukken te
schrijven, o.a. “Ten Aanval”; “Passiespel” en “Joas”.
Hij richtte het eerste Congres in voor het Katholiek Vlaamsch
Tooneel; hielp de katholieke Vlaamsche Tooneelvereeniging
stichten; stelde in het verslag der Hoogeschoolcomissie het deel
op dat handelt over de “Vlaamsche Rechtsfaculteit”; en wat
deed hij niet nog voor de hoogeschooluitbreiding, het
Davidsfonds, het Rechtskundig Tijdschrift, enz., enz.?
O! hoe moet een fat, zooals er zooveel loopen in de officiëele
ambtenaarswereld, waar Dosfel enkel door zijn bekwaamheden tot
een hooge plaats is geklommen, hoe moet die zich inwendig
schamen als hij zijn klein gedoe van “rond-de-cuir” vergelijkt
met 't edel streven van dien grooten Vlaming, die nochtans in
dat midden ook bij de “derviches hurleurs” en de
“bachi-bouzoucks” van 't flamingantisme zal gerekend
worden!
Onze Dosfel, dat is nu toch ook een, kleinzielige menschjes,
dien ge niet kunt verdacht maken ook op plaatskens te azen en
zijn overtuiging te zullen verschacheren.
Noem mij in heel uw halfslachtige wereld, één enkel
franskiljon, dien ge met dien jongen man kunt meten en
wiens onbaatzuchtigheid, opofferingsgeest en zielegrootheid
tegen de zijne opwegen.
Enkel een boom gevoed met de kracht van eigen bodem en wiens
takken in de blauwe lucht reiken van 't reinste idealisme,
zooals onze heilige Vlaamsche Beweging, kan zulke schoone
vruchten voortbrengen.
O! mocht nu toch eens onze boom deze heerlijke vrucht blijven
dragen, totdat zij tot volle rijpheid gekomen is; dat het
onverbiddelijk fatum hetwelk ons Rodenbach, Omer De Laey,
Paul Back en anderen bij 't opstaan van hun lente ontrukte,
U toch spare, beste vriend Dosfel, en mocht gij die nu in de
volle kracht van uw dertig jaar gekomen zijt, een bloeitijd
beleven waarvan uw aanbeden Vlaamsche volk al die heerlijkheid
bewonderend moge aanschouwen en dankbaar genieten.
Daarmee vertolk ik den innigsten wensch van onzen feestvierenden
oud-hoogstudentenbond, waarvan ieder lid U en onze geliefden
Voorzitter in 't harte draagt, en die genegenheid zullen we U
toonen, met elk in de maat onzer krachten Uw voorbeeld te
volgen.
Aug.
Borms.
| |