Gepubliceerd op 13 april 1912
De zoowel in uitheemsche als inlandsche dagbladen geprezen en
prachtvolle uitvoering der “Matthäus Passion” van
Bach, heeft aller oogen gevestigd op den held van dien
triomf, den heer Lodewijk Ontrop. Met deze
kunstuiting heeft hij rang genomen tusschen de eerste figuren
van België's muziekwereld.
Heer Ontrop was Peter Benoit's laatste leerling, schreef
een aantal liederen, meest onuitgegeven, die van een zeer
oorspronkelijke ingeving getuigen.Sedert een tiental jaren is hij muziekbestuurder van St. Augustinuskerk. Nadat het beruchte Motu proprio van Pius X verschenen was, beieverde hij zich, op raad van den muziekgeleerde E. H. Verhelst, om op het oksaal van St. Augustinus de echte kerkmuziek tot Gods glorie te doen heerschen. Op korten tijd bekwam hij prijzenswaardige uitslagen, doch gemis aan ondersteuning en tegenkanting hebben hem belet den ingeslagen weg te blijven bewandelen. Al zijne verknochtheid, al zijnen iever, al zijn taaie werking zal hij voortaan aan de concerten van gewijde muziek besteden, en dank zij hem mochten we te Antwerpen sinds eenige jaren van de belangrijkste muzikale gewrochten genieten. O.m. noem ik Josua, Judas Maccabäus, Messias van Händel, de H. Moll Misse, de Johannis en Matthäus Passionen van Bach, de Missa Solemnis van Beethoven, de Requiem van Brahms, Franciscus van Tinel . Trapsgewijs heeft hij getoond een onzer begaafste dirigenten te wezen, een leider van wien een ongemeen bezielende kracht uitgaat. Ook als een uitstekend en fijnzinnig schrijver munt de heer Ontrop uit. Van hem verschenen mooie verzen in “Vlaanderen” en zijn kritieken in “Het Handelsblad” zijn van het beste dat we op dat gebied te lezen krijgen. De uitmuntende korrespondent van de “Nieuwe Rotterdamsche Courant”, M. Emmanuel De Bom, wijdde het vorig jaar den heer Ontrop, ter gelegenheid van de uitvoering vab Bach's Hoogmis, een prachtig artikel waaraan we het volgende ontlenen: “Ik acht het een... uitdaging, een trotsch en formidabel waagstuk, dat een jonge kerel als Lodewijk Ontrop ―een geboren musicus voorzeker, en een die getoond heeft dat hij vatbaar is voor het groote, het zeer groote, en het bewees in zijne uitvoering van Johannis Passion, van Händel's Messias, van Brahm's Requiem, van Beethoven's Missa Solemnis― dat deze, naar ik schat, drie- of vier-en-dertigjarige dit zou aandurven, nu ik het bijgewoond heb..., nu ik het met oogen gezien en met ooren gehoord heb..., nu sta ik er nog versteld van. |
Deze dirigent, die enorme koren te beheerschen
heeft en zijn legerscharen als een David tot den zege weet te
voeren, deze als een riet zoo ranke, maar door het geloof der
kunst gesterkte en bezielde jonge man, heeft dat wonder
volbracht. Het is inderdaad om er even van te duizelen. En ik bedenk hoe deze eenvoudige jongen ―wien, geloof ik, in ons Vlaamsche Koninklijk Conservatorium, de edele taak toevertrouwd wordt om aan knapen in de eerste broek, de geheimen der notenleer te ontvouwen!― hoe hij dit waagstuk heeft met eere doorstaan. Hij is er niet bij gestruikeld, laat staan gevallen. En de duur verworven palm der zege wuifde heerlijk om zijn in de hitte des gevechts wakgeworden slapen... Het is ook voor hem een merkwaardige dag geweest, inderdaad. En dat ik dien dag heb mogen beleven, daar zal ik na jaren nog, Ontrop en de zijnen dankbaar voor blijven.”
Lodewijk Ontrop, die een uitstekend en zinnig schrijver is
―zijn muzikale kritieken in “Het Handelsblad” van Antwerpen
zijn het beste van dien aard, wat ik ooit in een Antwerpsch
dagblad heb gelezen― heeft in het programma van de muzikale
plechtigheid gisteren een ontleding van deze mis geschreven, die
inderdaad meer dan knap, die meesterlijk mag heeten. Met de
uitgezochtste, fijns genuanceerde woordvondsten, zonder dat hij
ooit in literair-snobistischen omhaal vervalt, weet hij door het
wonderland van Bach's rythmen en motieven den weg te wijzen, zoo
dat gij, oningewijde, er niet meer in verdwaalt en gij van ieder
nieuwe schoonheid met nieuwe verassing genieten kunt. “De leiding was echt Ontrop'sch: als door Appolonische geestdrift bezeten staat hij daar, en zijn armen, nee: zijn wieken, zwieren in 't ruim en delven uit de muzikale massa's de klanken op. Of hij uit breede wateren schepte, zoo laat hij zijn gebaren ―die soms algeheel met den klankenstroom schijnen weg te drijven― opeens met zich bezinnende kracht, onder zijn beheer terugvaren en sterk en strak spreken. De manschappen door electrische vonken doortinteld, hebben hem in 't oog, een sympathieke fluide gaat van den leider tot de uitvoerders, en keert met verdubbelde intensiteit terug tot hem.
|