Genck - Waterscheide.
Gepubliceerd op 9 december 1911
Tusschen Asch en Genck, halverwege omtrent, en in die streek beteekent “halverwege twee dorpen” eene stevige Kempische uur gaans, ligt het gehucht Waterscheide, aldus gedoopt omdat de lijn er door kronkelt, die de scheiding teekent van Maas- en Scheldekom. Genck, het Kempisch toeristendorp met zijn gezonde dennenlucht, zijn stille vijvers en zijn lieve zandheuvels was sinds lang bekend, doch Waterscheide scheen vergeten geraakt bij God en de menschen, een Kempisch Congoplekje bijna, waar de beschaving met moeite kon doordringen.
En al met eens is die vergeten hoek uit zijn vergetelheid geraakt, daar
rijst hij uit een machtig gedoe hoog boven de groote stille vlakte: de
twee torens der
koolmijn “André Dumont” steken hunne fiere koppen in de
lucht en schijnen heel de omliggende hei met schrik en verwondering te
slaan.
We naderen door eenen zandweg met diepe sporen, tusschen twee lange
rijen eiken- en elzenstruiken, draaien rond eenen hoek van 't groote
dennenbosch en daar staan we voor de centraalgebouwen, de
wit-cmenten schouw en de zwarte planken toren der nieuwe mijn. 't Is
een wonder gezicht: hier het gewoel der rustelooze nijverheid, het
krassen en kraken van zware mahienen, de zwarte rook der schouwen, het
gewerk en gezwoeg om den weg te banen naar den diepen schoot der aarde en
den grond weldra zijne schatten te ontvoeren; ginder, de groote hei,
zoo ver men kijken kan, tot Zwartberg en Winterslag, een
stille zee zou men zeggen, die daar eeuwen lang gelegen heeft, kalm en
rustig omdamd door de boorden der diepe dennenbosschen. Schoone hei,
met hare diepe vergezichten en haren stillen eenvoud, een beeld der
eeuwigheid bijna en onwillekeurig staan we 't te betreuren dat de hand
des menschen hare rust kwam storen.
Daar binnen in de torens werkt men vlijtig voort; op honderden meters
diepte heeft men den grond vol cement laten loopen en 't overige
gedeelte gaat men nu bevriezen, 't eenigste middel om het drijfzand te
verharden. Lang en lastig is het werk, eer men beginnen kan den diepen
put te graven, doch de mannen, die het ondernomen hebben, deinzen voor
geen tegenkantingen terug. Hunne onderneming, hun ideaal, de eer van
hunnen grooten meester Dumont, waar ze met eerbied en liefde van
spreken, staan op het spel, het moet en zal lukken. Tot hunne
beschikking staat een schoon centraalgebouw, met machtige
stoomtuigen en electriciteitsmachienen, ingericht naar de jongste
vereischten der moderne wetenschap.
Wat verder ligt de moderne City, eene lange dubbele rij van
een veertigtal huizen of liever blokken met elk vier woningen; de
daken zijn plat en zoo gelijkt het alles, wanneer men van verre staat,
niet slecht op eenen trein, die met eenen langen sleepwagen daarheen
stoomt over de hei. Al dadelijk toch herkent men den trant der moderne
vakmanswoningen en betreurt men het gemis aan afwisseling en
verscheidenheid... Voor 't “comfortable” is er gezorgd; breede
straat ―er is nog plaats genoeg― een tuin rond elke woning,
waterleiding, electrische verlichting, enz.
Vreemd is den indruk, dien men ondergaat wanneer men bij 't vallen van
den avond daar komt aangewandeld langs het groote dennenbosch. 't Oog
blijft geboeid aan de bekoorlijke heide, waar de avondmist op zweeft
en de nacht met zijn geheimnisvolle duister er op neerdaalt; doch zie,
daar opeens gaat de vlakte aan 't leven, de lichten zijn ontstoken in de
hooge torens en stralen als vurige oogen in de verte; we naderen;
hamers klinken, vonken spatten en de rook schiet omhoog. En weer
schept onze verbeelding het leger der aloude alvermannen, die
hier dwaalden over de hei of den grond deden daveren onder het felle
gehamer hunner onderaardsche smidse; spookachtig reizen de
gedaanten en roepen ons menig wonder vertelsel van ons Kempisch volk
voor den geest.
Goddank, heidespoken en alvermannen zijn uit de
volksverbeelding verdwenen. De gewijde klokken van het christen
volksleven zingen over het stille gouw en ook hier klept er een klokje
boven het voorloopig noodkerkje reeds zijn blijde lied. Het kruis
werd er geplant en onder zijne schaduw waakt een herder met een echt
Kempischen eenvoud, doch met een groot hart en een schranderen geest
over zijne kleine kudde, die weldra vertiendubbelen zal. Geve God dat
zijn werk gedije en de geest van het kwaad nu gelijk weleer voor de tonen
van 't parochiekerkje verschrikt heenwijkte.