Vorige: David Livingstone.   Omhoog: Europa.   Volgende: Richard Wagner.
Inhoudsopgave   Index


Korte levensschets van Wagner.

Gepubliceerd op 24 mei 1913

Den 22en Mei zal het voor heel de beschaafde wereld hooggetij zijn. Op dien dag valt de honderdste geboorteverjaring van Richard Wagner, den grootsten toondichter die ooit ergens voor het tooneel gewerkt heeft.
In de voornaamste steden van het Germaansche gebied en ook daarbuiten worden er Wagnerconcerten en -vertooningen gehouden. Te Brussel, in den Muntschouwburg, werd de “Ringtetralogie”, het vierdaagsch heldenspel, reeds opgevoerd. En te Antwerpen zullen, deze week, gedurende de drie dagen van het gelegenheidsfestival, beroemde Wagnerzangers uit beide werelddeelen zich hooren laten in de reusachtige feesthalle van den Dierentuin.
Wij Vlamingen mogen bij deze hulde niet achterwege blijven.

Richard Wilhelm Wagner werd te Leipzig geboren.
In zijnen schooltijd gaf hij veel meer blijken van literarischen dan van muzikalen aanleg. De Grieksche Mythologie trok hem bijzonder aan en van Shakespeare leverde hij brokken metrische vertaling. Deels uit “Koning Lear” deels uit “Hamlet” trok hij eene navolging, eene zeer vrij bewerkte! Een veertigtal personen hadden daarin vóór het slotbedrijf reeds, het lieve leven moeten derven, zoodat hunne schimmen voortaan tot het bezetten der vacante rollen opgecommandeert moesten worden. De volgeling wilde voor de meester niet onderdoen.
Zijn tooneelarbeid leidde hem tot de muziek. Op het spoor van den phantast Th. A. Hoffmann, wilde hij drama's schrijven waarvan hij de muziekbegeleiding zelf leveren zou. Op het klavier had hij reeds vroeg bij zich zelf de “Freischützouverture” ontcijferd. Karl Maria von Weber, te dien tijde, naast Glück, den koning van het zangtooneel, had hij wel eens bij zijne ouders ontmoet. Dien eens als dirigent op te volgen werd zijn vurigste verlangen. Doch om zich de technische beginselen des klaviers onder de leiding eens leeraars eigen te maken ontbrak hem geduld.
Zoo zou het hem eveneens met zijne middelbare studiën vergaan. Zooveel smaak en iever betoonde hij nochtans voor letterkunde en geschiedenis dat men hem aanried daarin zijne toekomst te zoeken.
MiaPlaner In 1830 als student ter Leipziger hoogeschool, voor de studie der muziek ingeschreven, nam hij ―doch slechts zeer korten tijd― aan het dolzinnigste studentenleven deel. Plotseling brak hij daar mee af en begon voorgoed ernstig te werken en te studeeren, onder de kundige leiding van Weinlig. Het vak leerde hij in den grond.
Weldra begon hij als kapelmeester te Wurzburg (1833), dan te Magdeburg (1834), en daarna te Riga. Te Magdeburg huwde hij, in bekrompen geldelijke toestand, Mina Planer, een goed, bescheiden meisje, doch dat tegen het harde, woelige kunstenaarsleven opgewassen was.
Riga moesten zij wegens schulden verlaten.
Te Parijs ging Wagner dan zijn geluk zoeken. Onderweegs, in de stormen der Noordzee, vatte hij zijnen “Vliegenden Hollander” op. Parijs echter was zijn vagevuur op aarde. “Riënzi”, den “Hollander”, de “Faustouverture” schrijven, Beethoven's “IXe Symphonie” in het Conservatoreum besturen en tezelfdertijd, voor den kost, de smakeloosste operadeuntjes voor de schuiftrompet moeten omwerken dat was al erg genoeg voor een genie als het zijne.

(Naar het begin van de volgende kolom)

  Doch tot den droesem zou hij den lijdensbeker ledigen. Terwijl hij, wegens onbetaalde rekeningen, weken lang in de gevangenis gegijzeld zat, had zijne vrouw, na de trouwringen ten gelde gemaakt te hebben, gebedeld langs de boulevards en was zij, ten slotte, in het bosch eetbare wortelen gaan opgraven om niet van honger te sterven.
In 1842 keerde de kaart ietswat. Naar Dresden ontboden voor de opvoering van “Riënzi”, vond hij daar aanvankelijk bijval voor zijn “Tannhäuser”. Doch de geestdrift verflauwde en “Lohengrin” (1848) kon hij te Dresden zelfs niet gespeeld krijgen. Men was er voor zulke kunst nog niet rijp. Ten andere, toen hij in den oproer van 1849, edelmoedig als altijd, voor het volk opgetreden was, moest hij op de vlucht gaan, achternagezet door het gerecht, en ―zeer valschelijk― van brandstichting beschuldigd.
CosimaWagner Nogmaals waagde hij eene poging om zich te Parijs een weg te banen doch moest het aldra opgeven. In Zwitserland ging het hem beter. Otto en Mathilde Wesendonck bouwden voor hem een rustoord nabij hunne villa in de bergen en eene bewonderaarster uit Dresden bezorgde hem een vast jaargeld. Concerten te Zurich en te Londen brachten aanzienlijke sommen op. Doch zijne kunstenaarsphantasie en zijne financiëele onbeholpenheid dompelden hem steeds weder in de diepste ellende. Zijn nooit volprezen vriend Franz Liszt bleef hem, gelukkiglijk, onverdroten met koninklijke vrijgevigheid bijstaan.
Napoleon III, door gravin Metternich daartoe aangezet, wilde te Parijs “Tannhäuser” doen opvoeren. Dit was een doorn in het oog van Wagner's benijders. Meyerbeer en gansch het Jodendom in de Kunst, dat hij, in een geschrift met dien titel, ter dood gekwetst had, gingen hem verwoed te lijf. De hoogste aristocratie van Frankrijk, de Jockey Club, stelde ten dien tijde, in 1861, de wet in de Opera. Met gemeene onderbrekingen, met fluitjes en met jachthoorns kwamen de heeren de openingsvertooning storen.
Voorts ging nu Wagner's kruisweg langs Weenen, Biebrich op den Rhijn, en Penzing, bij Weenen. Ondanks stijgenden bijval bleef de geldnood spoken. In 1864 dan, trof hij met den jongen Koning van Beieren, Ludwig II, samen. De kunstminnende vorst dweepte met Wagner, ja, was zijn boezemvriend. Een schouwburg naar zijne opvatting zou te München worden gebouwd en 7 millioen mark kosten. Maar zijne benijders kwamen in opstand en Wagner moest opgeofferd worden. Te München toch was “Tristan en Isolde” opgevoerd geworden voor eene zaal waar louter prinsen en koningen het gelijkvloers bezetten. Toen verstigde Wagner zich te Geneve en weinig tijds daarna op het eiland Triebschen waar hij, in den tweeden echt, Cosima Liszt, de dochter van zijnen trouwen vrend Franz huwde, in 1870.
Nu bewerkte hij “De Meesterzangers van Nurenberg” en den “Ring der Nevelingen”. De zinnebeeldige beteekenis van den Ring luidt: zelfzucht is 't verderf van 't menschdom, zelfopoffering alleen kan het redden.
In 1872 werd de eerste steen van den Bayreuther schouwburg gelegd. Te Bayreuth bouwde hij zijne villa Wahnfried. Zijne laatste jaren (1877 - 1882) besteedde hij aan “Parsifal”, de Graalsage. De reine en christelijke grootmoedigheid huldigde hij daarin, als het hoogste wat de mensch heeft te betrachten.
Den 13en Februari 1883 stierf hij te Venetië.

Joz. Van den Broeck, adv.



Vorige: David Livingstone.   Omhoog: Europa.   Volgende: Richard Wagner.
Inhoudsopgave Index

Valid HTML 4.01 Transitional

Pros Robaer - 2009