Gepubliceerd op 24 mei 1913
|
Den 22en Mei zal het voor heel de beschaafde wereld hooggetij
zijn. Op dien dag valt de honderdste geboorteverjaring van
Richard Wagner, den grootsten toondichter die ooit ergens
voor het tooneel gewerkt heeft. In de voornaamste steden van het Germaansche gebied en ook daarbuiten worden er Wagnerconcerten en -vertooningen gehouden. Te Brussel, in den Muntschouwburg, werd de “Ringtetralogie”, het vierdaagsch heldenspel, reeds opgevoerd. En te Antwerpen zullen, deze week, gedurende de drie dagen van het gelegenheidsfestival, beroemde Wagnerzangers uit beide werelddeelen zich hooren laten in de reusachtige feesthalle van den Dierentuin. Wij Vlamingen mogen bij deze hulde niet achterwege blijven.
Richard Wilhelm Wagner werd te Leipzig geboren. |
Doch tot den
droesem zou hij den lijdensbeker ledigen. Terwijl hij, wegens
onbetaalde rekeningen, weken lang in de gevangenis gegijzeld
zat, had zijne vrouw, na de trouwringen ten gelde gemaakt te
hebben, gebedeld langs de boulevards en was zij, ten slotte, in
het bosch eetbare wortelen gaan opgraven om niet van honger te
sterven. In 1842 keerde de kaart ietswat. Naar Dresden ontboden voor de opvoering van “Riënzi”, vond hij daar aanvankelijk bijval voor zijn “Tannhäuser”. Doch de geestdrift verflauwde en “Lohengrin” (1848) kon hij te Dresden zelfs niet gespeeld krijgen. Men was er voor zulke kunst nog niet rijp. Ten andere, toen hij in den oproer van 1849, edelmoedig als altijd, voor het volk opgetreden was, moest hij op de vlucht gaan, achternagezet door het gerecht, en ―zeer valschelijk― van brandstichting beschuldigd.
Nogmaals waagde hij eene poging om zich te Parijs een weg te
banen doch moest het aldra opgeven. In Zwitserland ging het
hem beter.
Otto en Mathilde Wesendonck bouwden voor hem een rustoord nabij hunne villa in
de bergen en eene bewonderaarster uit Dresden bezorgde hem een
vast jaargeld. Concerten te Zurich en te Londen
brachten aanzienlijke sommen op. Doch zijne kunstenaarsphantasie
en zijne financiëele onbeholpenheid dompelden hem steeds weder
in de diepste ellende. Zijn nooit volprezen vriend Franz Liszt bleef hem, gelukkiglijk, onverdroten met koninklijke
vrijgevigheid bijstaan.Napoleon III, door gravin Metternich daartoe aangezet, wilde te Parijs “Tannhäuser” doen opvoeren. Dit was een doorn in het oog van Wagner's benijders. Meyerbeer en gansch het Jodendom in de Kunst, dat hij, in een geschrift met dien titel, ter dood gekwetst had, gingen hem verwoed te lijf. De hoogste aristocratie van Frankrijk, de Jockey Club, stelde ten dien tijde, in 1861, de wet in de Opera. Met gemeene onderbrekingen, met fluitjes en met jachthoorns kwamen de heeren de openingsvertooning storen. Voorts ging nu Wagner's kruisweg langs Weenen, Biebrich op den Rhijn, en Penzing, bij Weenen. Ondanks stijgenden bijval bleef de geldnood spoken. In 1864 dan, trof hij met den jongen Koning van Beieren, Ludwig II, samen. De kunstminnende vorst dweepte met Wagner, ja, was zijn boezemvriend. Een schouwburg naar zijne opvatting zou te München worden gebouwd en 7 millioen mark kosten. Maar zijne benijders kwamen in opstand en Wagner moest opgeofferd worden. Te München toch was “Tristan en Isolde” opgevoerd geworden voor eene zaal waar louter prinsen en koningen het gelijkvloers bezetten. Toen verstigde Wagner zich te Geneve en weinig tijds daarna op het eiland Triebschen waar hij, in den tweeden echt, Cosima Liszt, de dochter van zijnen trouwen vrend Franz huwde, in 1870. Nu bewerkte hij “De Meesterzangers van Nurenberg” en den “Ring der Nevelingen”. De zinnebeeldige beteekenis van den Ring luidt: zelfzucht is 't verderf van 't menschdom, zelfopoffering alleen kan het redden. In 1872 werd de eerste steen van den Bayreuther schouwburg gelegd. Te Bayreuth bouwde hij zijne villa Wahnfried. Zijne laatste jaren (1877 - 1882) besteedde hij aan “Parsifal”, de Graalsage. De reine en christelijke grootmoedigheid huldigde hij daarin, als het hoogste wat de mensch heeft te betrachten. Den 13en Februari 1883 stierf hij te Venetië. Joz. Van den Broeck, adv. |