Vorige: De Vlaamsche duinen.   Omhoog: België.   Volgende: Roerdompen.
Inhoudsopgave   Index


Het leven in de Duinen.

Gepubliceerd op 21 september 1912

Ze staan er heerlijk-schoon in hunne éénverwige pracht van alle dagen en van alle tijden, rustig-grootsch, te troonen, in de breede wijdte van het koel-koude Noorden. Hunne bleeke toppen en hunne geelzandige kruinen in eene ononderbroken reeks, schuin-glooiend en weerop-schietend tusschen de twee grenzen van Vlaanderen. Ze staan er te blinken in hunne immer gelijkende eenzelvigheid, die wisselt met de uren en toch dezelfde blijft; in 't guur-klare van de opene lucht, die hen omwaait, sterk-straf, met den zouten pekelasem van de zee.
DuinenHeystKnocke Hoog-blokkend, blekken ze hunne statige vastheid, als de onschendbare wachters van onze kusten, op 't blauwe van den neerzakkenden hemel, die wegdoezelt ginds verre in 't blauwende water. Ringsom striemt hunne grijsde wilheid als een reusachtige keten aaneengeschakeld met ongelijke afmetingen, maar vormen een harmonisch geheel, van trotsche grootheid en van stoere macht.
Een beeld van vaste kloekte en onoverwinnelijke kracht schijnen mij de duinen! Sterk en eeuwig, als de eeuwen zelf, door wien ze gemaakt zijn in eendracht met de eeuwige zee, die er tegen druischt, en de eeuwige winden die er over varen, staan ze onwrikbaar pal en onverroerlijk te heerschen op de boorden van de slaande zee die ze omzoomen! In 't ruwe-woeste van haar buldren heeft ze reeds zoo dikwijls hen willen verbrijzelen en vernietigen, met op haar te beuken en te smijten de ontzaglijke vrachten van haar ziedende water, wijl, loeiend, de winden schril-huilden op hunne toppen; maar ze hebben het iedere maal doorstaan, als gewoontelijke, wederkeerende natuurdingen die hen niet meer raken kunnen!
Na al het rumoer en 't ontzettend geweld, stonden ze weer beweegloos en stijf, 'lijk ze er altijd gestaan hadden en toonden niets aan, wat kon doen veronderstellen dat 't moorddadig gedoe gedaan en tenden was, en dat ze getart hadden als een zaak waaraan ze gewoon waren en die hen niet het minste letsel meer toebrengen kon. Gemaakt door de natuurkrachten zijn ze sterker geworden dan de natuur zelf, en uit haren schoot geboren, zullen ze er staan, zooals geen andere krachten, onafhankelijk van haren wil, hen zullen verminken of ten niete doen.
DuinenCoxyde1 Het duingebied: 't is een wereld op zijn eigen die altijd nieuw en altijd pas-gesticht schijnt, omdat tot nog toe geen gestadig en woelend menschenbedrijf er binnengedrongen is. Eenzaamheid troont in de duinen, en de stilte weegt zoo goed en stemt zoo innig! Kalmte overal! Zelfs uwen stap, die dof tert in 't zand, breekt ze niet, want ge doortrekt altijd maagdelijk-mulle gronden.
't Ligt hier nog alles in zijn oertijdstip, waar schaars een briezel leven wortel heeft geschoten!... Immers, geen wasdom op de kruinen... Hun schrale naaktheid spreekt luid de kale onvruchtbaarheid uit van allen groei op hunne bloote zanden. Alleen groenen er weelderig op spichtige biezenhalmen, hier dun gezaaid, verder saamgetrost met heele pakken. Diepe zitten ze gedolven in de flanken en houden 't afreuzelen van 't zand tegen en 't verminken van de wilde schoonheid die ze helpen behouden. Dusdanig zijn ze een teken van Hoop!
't Is ook 't symbool van de twee werelden die ze scheiden. Langs den eenen kant: de zee; wereld, 't leven gevend aan visschen en waterdieren, maar ook een wereld van duisternis en ondoordringbaarheden, van toomelooze woede, eene slokkende wereld van dood! Anderzijds de aarde; wereld die leven geeft aan plant en dier en menschen, die menschen baren, maar ook een wereld die 't al overmeesteren wil, behept met onverschoonbare ikzucht, overgoten met ondoofbaren haat, en onbegrijpelijken nijd, wereld van onnoemelijken menschenstrijd en broedermoord.
DuinenCoxyde2 Tusschen hen beide staan de duinen, als 't laatste uiteinde van iedere wereld, dragende op hunne flanken een weinig leven van zee en aarde, en toonend op hun kruinen de bange dood, die eensdaags heerschen zal over alles.Sidderend denkt ge daarop, als ge de duinen daar ziet lijnen, als de eind-afbakening van alles wat er eens is geweest, wat is, en wat eens zal zijn. Op het fijne zand speelt er steeds een glinsterende streeling van zonne en licht of loomt een doffe vale kleur van dikke lucht en drukkend zware ruimte. Hier en daar door de spleten piept en lacht, of donkert de zee!..
Langs den anderen kant versmelt de lijn der duinen bijna onmerkbaar in de glooiende afzakking van velden en landen, en 't is ineens al platte grond, uitgestrekt ver en wijd, bezaaid met troppen bomen, en hier en daar, als verloren gesmeten in de eindeloosheid van het land, een klein dorp, stompend zijn gelijke huisjes en zijn kerketoren in de helderheid van de lucht. Aan den voet van de duinen landewaarts in, is de groei er seffens van planten en vruchten, mager wel is waar, maar 't leven is er; en de akkers liggen bebouwd en bemest met noesten vlijt en taaie volherding om 't dagelijksch brood, voor de duineboertjes en de visschers, wier huizelkens, helwit en met groene blinden, blinken in de klaarte van de ruimte, te lachen staan aan de onderste rand der duinen, en geniepig afsteken bij de grootsche pracht der zandhillen, die als schutengels over hen waken en hen beschermen tegen winden en zee...
DuinenNieuwpoort1 Met 't wentlen der dagen, die hunnen eenbaarlijken gang, voortdoen van een staag wereldding, opkomend en wegzinkend, in de hun vastgestelde stonden, die reeds eeuwen en eeuwen dezelfde zijn, krijgen de duinen ook den gelijken tooi van de tijden die over hen gaan. Ze worden alzoo vereenigd en vereenzelfd met de deelen van het jaar, waarin ze vergroeid zijn als de kinderen der tijden, die gedoogzaam en lijdelijk het immer weerkeerende en afwisselende leven onderstaan en meevoelen, tusschen 't ontwaken van de zonne en 't opklaren van den nacht.

* * *

Pas begint in 't Oosten de zonne geregeld op te staan, met meer licht en inniger warmte, aankondigend de nakende lente, voorbode van glinster-pralende dagen, of daar scheeren over de duinen de grijze nevels weg en gaan boven de zee verzwinden, om, nu en dan, maar bij toeval meer, in een natten morgen weer te verschijnen.
De duinen ondergaan een heropwekkende werking in de davering van de zonne en daar rilt over hen eene huivering van nieuw leven! Ze voelen het tooverende licht op hunne flanken stralen en de sluimerende krachten, die maanden lang gedoken bleven, bersten los en schieten door. De morgenden klaren op, vol zoete frischheid; de biezen beginnen te glimmen van de vroege natte, en 't schaars gras groent blijgeestig, gelaafd en verkwikt door den dauw, die droomt vol wakke warmte.
In de kloven en dalen zingt een luwende wind, en blaast, met zijn adem, de leefte van 't getijde door mos en varens. Hier en daar ook priemt schuchter nog een bloempje zijn peuterig kopje boven. Aan den voet beginnen de rosse en uitgedroogde distels een glimmende wemeling te spinnen, die glanst teerblauw-lachend in de floerschheid van hun fluweelachtige kleur. En de dagen keeren; en de zonne zit te pralen in een blauwenden hemel, die als een laken op de duinen spant en een tastelijke jeugdigheid daarstelt van waar genoegen en voldaan-zijn. Het zand, dat mat nog scheen in de grijze luchten, begint te gloren en de toppen glinsteren hel-flonkerend, in de klare blijheid, rondom hangend als een zacht-wiegend geweefsel van stille welligheid. Warmtetrillingen loopen glinsterend langs de hillen, en 't dansend-bevend zand ontvangt de vonkelende flikkeringen die streulen uit de azuren transen.
DuinenNieuwpoort2 Zoo komt de hoop die 't leven geeft, en alles tegen lacht!.. In de ravijnen blinkt het groen van mos en mager gras en slingerende varens en plantjes, en in de deugddoende warmte, ranken gebladerd de duinstruiken, bloeien de duinbloempjes wittikkelend den grond, als zoovele peerlen achteloos en toch schoon georderd, overal, neergestrooid. De duindistels glanzen en glimmen fluweelblauw, hun stekelachtige popels dat 't een weelde om te zien is!
Nu komen de keuntjes al tegaar, hun snuffelende snuitjes uit hunne holen steken. Ze knijpen hun glazige oogjes toe als blind geslegen door het onverwacht-straffe van het eerste licht; ze huppelen buiten en beginnen hunnen eersten ommegang in hun herlevend gebied. Ze voelen 't warm-wordend zand kriebelen en kittelen onder hunne pootjes. Ze schieten en slingeren door de duinen, totdat ze moe, hier en daar, in een troepje, langs de glooiing van een grooten zandhoop zich te gare uitstrekken, en hunne blauw-grijze uitgerokken lijvetjes, lekker, te koesteren leggen in het warme licht van de streelende zonne.

DuinenDistels Somtemets trakelt reeds een garnaalvisscher op zijn bloote voeten door 't stekkend zand, naar de zee toe, om den inzet van zijn bedrijf te doen. Zijn logge gestalte teekent zwart af op de gele blekkering rondom hem, en hij loopt als een verloren mensch in die eenzame oneindigheid. Daar verdwijnt hij achter de laatste rij der duinen en weer keert alles in zijne eentoonige rust en verscheidenheid.
Dan dalen de vreedzame avonden daarover, kalm en innig, als wanneer de zonne in 't Westen weggevallen is in zee.

(Naar het begin van de volgende kolom)

  Er speelt nog eene wriemelende wemeling en een dartele schakeering van allerlei kleuren op 't zand, en een gulden striepe lijnt breed in de dellingen. Dan vervaagt alles en 't donkere zijgt koel en rustig in plechtige stilte. Kalmte en stilte den duinen eigen, en gewiegd op een eeuwigen rythmus van de gonzende en ruischende zee!
En, binst de nachten als de mane lacht, in eenen donkeren hemel, glimt een teerbleeke klaarte om de duistre toppen en in de zwarte ravijnen. Iets geheimzinnigs waart alom en ge kunt als een zweving voelen van bovenaardsche doezeldingen , die u droomen doen. Ge rilt van koude zoelte en van ongewone, diepstemmende gewaarwordingen, die de ziel vervoeren! 't Is 't mysterie van de schoone lentenachten, belovend den vrede en 't geluk en oneindige voldoening. Heel 't duingebied ligt eenzaam en eenig verlaten, maar in den schemelglans en 't lonken van den maneschijn dansen bendetjes keuntjes hun nachtelijke ronden in onverpoosden gang. Ze zitten soms braafjes neergebukt en ze spelen met hun voorpootjes, uitleggend allerhande zaken in keuntjesverstand. Plots richten ze hunne lapooren. Ritselde daar nu niet een ongewoon gerucht?Ze schieten met een wip in hun hol - gapende holen...
DuinenBegroeid Kalm-statig gewoon aan 't grootsche schoone en 't innige van zulke nachten, stapt traag gemeten, de donkere gestalte van den duinwachter over het zand. Hij tert onverschillig voort, klimt nu een heuvel op. Het maanlicht striept een bleeke lijn op zijn breede rugge, wijl de loop van zijn geweer glimt en blinkt. Op den top gekomen blijft hij staan, hoog-afblokkend tegen den donkeren hemel... Ontzaglijk grootsch lijkt hij nu, als een heerscher over 't vreemdsoortige van dees wonderbare wereld...
Weer daalt hij af, en 't visioen is verdwenen! De maneschijn, vol doezelende klaarte, ginds dansen de keuntjes opnieuw hunne nachtelijke ronden en alles troont in de kalmte en de stilte van den luisterenden nacht...

* * *

Gestadig de dagen wentelen en de zonne brandt feller. Uit de hemel slaat geweldig de bakerende hitte en laait op het zand, dat blekt en fonkelt en als vlammen uitslaat van vuur.
Nu troont de zomer.
Verbindend-flakkrend schroeit de zonne het zand dat glinstert lijk een spiegel waarop vuurtongen wemelen en likken. Vonken sperken uit de duinenflanken en spatten in het ronde. Op de toppen brandt er als een helle gloed die vermeerdert naarmate de zonne rijst. Te middag als de hemel een laaienden oven gelijkt, streulen bundels vuur op de duinen, die te blekkeren en te blaken staan!
Welk eene tinteling fonkelstraalt over de heele heuvelreeks. De oogen worden blind geslegen door die helwitte flakkering, en ringsom rond gloeien de kruinen onder de hitte die verzengend uit den hemel stookt. De plantjs, het gras, de bloemen worden geschroeid, maar de distels pralen nog met meerdere kleur en om hun net spant een net van blinkend zilver en een kant van diamant. Later maar als 't andere reeds lang zal doorgebrand zijn, zullen zij ook wel verpulveren.
DuinenVisschershuisje Met 't vorderen van den dag smijten de biezen omleeg rekkende schauwten, die kleven op het zand en als zwarte schaduwen werpen op dien duinengloed. In die dagen ook, aan den duinenrand landewaarts, grazen de koeien het magere gras in de kleine weiden die teerbleek groenen. Nu en dan brengt een visscherin haar twee, drie geiten langs den weg, naar eene beschaduwde plaats, en laat ze ongestoord het zoomend gras aftippen. Op het land labeuren de menschen in loshangend ondergoed en schijnen als mieren bij de grootschheid van de duinen die hen omringen.
Op de zee, die bijna effen ligt, worden ziedende stroomen gesmolten lood gestreuld en 't vloeit 't allenkantewaarts in eene helle flikkering. Stukskens zilver dansen, ontelbaar, op de heele oppervlakte, als wierden ze er op geschud uit een groote zeefde. De booten liggen loom, met flappe zeilen en smijten zwarte schaduwen op de witte vlakte; ze schijnen roerloos te droomen... En, als bij 't zinken van de avonden de hemelvuren uitdooven, dan stijgen uit de ravijnen, lange blanke nevelwazems, die als een draperije spannen in de ruimte. De koelte zweeft. 't Is de terugbots van de geweldige heete van den dag en 't aangenaam gewaai van een stil windje, komend uit de verten van de zee, met een kille huivering, luwt nu over de duinen.
DuinenVillas1 Dan, in 't schoonste van den zomer, komt het duingebied eensklaps vol beweging, die sterk indruischt tegen zijne gewoontelijke en heerschende eenzaamheid. Het moderne leven heeft op verschillende plaatsen heele reken lusthuizen gebouwd, die, in den zomertijd, vol leven komen, en 't eenzaam grootsche van de duinkalmte breken. En met het luchten der schoone dagen zijn heele benden van vreemdelingen uit verre steden en streken komen afzakken naar de zee.
Ze slijten er loom-onbekommerd hun ongevuld en uitrustend leven, en spreiden een onnatuurlijk bestaan ten toon van overmoed en vadsigheid. Ze doorloopen de duinen als indringers, wentelen en woelen in het zand en vertrappen alle groenigheid. In de hitte liggen ze lui, als overwinnaars, hun lijf uit te rusten en hun genot te smaken in de schoonheid, die vroom, rondom hen heerscht en die ze onbekommerd dikwijls bederven. Hun wilde kreten galmen uitdagend en valsch in die kalme lucht, en breken de troonende stilte die hier alleen past.
Nee, dan schijnen de duinen niet meer zoo lijk ze altijd geweest zijn... Er is iets te veel in hun midden. Al die ziekelijke uitstalling van een gezochte weelde en ongekende wereld verbreekt hunne ware toestanden en stoort hunne innigheid. Maar dat schijnt slechts een voorbijgaande nietigheid, een verloren stip, in de eeuwenruimte die reeds over hen is gegaan!
DuinenVoet De luchten worden grijs en de dagen korter. Benden meeuwen zwieren, snaterend, in wijde kringen rond en brengen tijding van storm en woeling op zee. De zonne gaat onder in wolken gehuld, die bloedrood gekleurd, weldra aschgrauw uitslaan en als bergen over zee en duinen hangen. Nu is, in de donkere nachten, het kwaad gedoe voor goed weer aan den gang. Gestadig piept door de akelige stilte het schreeuwen van gestropte keuntjes, die hun leven uitspartelen voor hunne nestjes. De wachters doorkruisen waakzaam en voorzichtig de duinen.
De dagen loomen traag voorbij, en 't licht en de warmte verminderen en gaan uit al beven. Er speelt geen helderheid meer op de kruinen. Ze liggen grauw en donkerkleurig, en gelijken verlaten burchten. Het zand is mat en wak, de laatste geslokerde distels staan verslensd en 't haar valt gestadig uit hunne dikke knoppen. Bloemen en planten zijn vergaan, alleen de biezen geven nog een groene tint, zwart verwend, de doffe kleur van 't zand. De duinenreeks lijnt vaal tegen eenen valen hemel, die drukt en dreigt op de kruinen te storten. De wolken schuiven laag, en 't is alsof er vendels aan de toppen blijven hangen. Ginds, aan den voet, steekt een groote molen zijn wieken in de droeve lucht, en teekent een zwart kruis in de ruimte. De winden komen op. Ze gonzen zoemend uit het Noordwesten aan; fluiten in de kloven en ravijnen, en schuifelen over de toppen.
DuinenVillas2 Het zand reuzelt en stuift naar omleeg. Bij stonden wordt het opgeschept, en 't dwarrelt dan in kolken om later als wittikkelende spelden gestrooid te worden op het land en de zee. Eene slingerende runseling van fijn zand, als een wijd gevlochten net, glenst voortdurend over de kruinen en hoopt op in de laagte.
't Is winterende getijde nu, met zijn gierende winden tsjiepend en zwiepend en geeselend de biezen; met zijn koude luchten, kil omwaaiend, de huiverende kruinen, met zijn dikkende misten, alles omhullend in bange treurigheid. 't Wordt bar en koud en somtemets brieschen gruwelijk de stormen en buischen op de duinen, waar ze vervaarlijk huilend openkletsen. De ontketende zee bolt, bruischend woest, haar drieste baren op de duinen. Het wreede klotsen van het water slaat en spoelt over hunne kruinen. In 't schrikkelende van den aanval staan ze te sidderen en te trillen, maar hun grondvesten blijven onaangeroerd, en pal zullen ze de wilde kusten van de woelige zee blijven omboorden met hun vaste almacht.
Dan weer komen de dagen van drukkende verlatenheid... Alle leven is weg, en de duinen treuren koud-omneveld. De nachten zijn lang en zwart, en de donkerte prangt alles, als moest het nu gedoken blijven voor alle verdere leven dat komen zou... Spookachtig verlicht de maan, nu en dan, schuw-schichtig, in een bleeken straal de ruimte, maar gestadig schuiven zware wolken, log-drijvend, voor haar gelaat. De omhullende naarheid is bang om te doorstaan, en al de duinen zijn weggedompeld in het zwarte van den nacht...
Zal dood blijven heerschen over dees wereld?
Eeuwen en eeuwen zijn gekomen en gegaan, brengend afwisseling van leven en dood; eeuwen en eeuwen zullen nog komen en op de duinen zal eeuwig blijven schieten 't biezengewas in teerbleek groen! Teeken van hoop!

Juul Filliaert.



Vorige: De Vlaamsche duinen.   Omhoog: België.   Volgende: Roerdompen.
Inhoudsopgave Index

Valid HTML 4.01 Transitional

Pros Robaer - 2009