|
Ze staan er heerlijk-schoon in hunne éénverwige pracht van
alle dagen en van alle tijden, rustig-grootsch, te troonen, in
de breede wijdte van het koel-koude Noorden.
Hunne bleeke toppen en hunne geelzandige kruinen in eene
ononderbroken reeks, schuin-glooiend en weerop-schietend
tusschen de twee grenzen van Vlaanderen.
Ze staan er te blinken in hunne immer gelijkende eenzelvigheid,
die wisselt met de uren en toch dezelfde blijft; in 't
guur-klare van de opene lucht, die hen omwaait, sterk-straf, met
den zouten pekelasem van de zee.
Hoog-blokkend, blekken ze hunne statige vastheid, als de
onschendbare wachters van onze kusten, op 't blauwe van den
neerzakkenden hemel, die wegdoezelt ginds verre in 't blauwende
water. Ringsom striemt hunne grijsde wilheid als een reusachtige
keten aaneengeschakeld met ongelijke afmetingen, maar vormen een
harmonisch geheel, van trotsche grootheid en van stoere macht.
Een beeld van vaste kloekte en onoverwinnelijke kracht schijnen
mij de duinen! Sterk en eeuwig, als de eeuwen zelf, door
wien ze gemaakt zijn in eendracht met de eeuwige zee, die er
tegen druischt, en de eeuwige winden die er over varen, staan ze
onwrikbaar pal en onverroerlijk te heerschen op de boorden van
de slaande zee die ze omzoomen! In 't ruwe-woeste van haar
buldren heeft ze reeds zoo dikwijls hen willen verbrijzelen en
vernietigen, met op haar te beuken en te smijten de ontzaglijke
vrachten van haar ziedende water, wijl, loeiend, de winden
schril-huilden op hunne toppen; maar ze hebben het iedere maal
doorstaan, als gewoontelijke, wederkeerende natuurdingen die hen
niet meer raken kunnen!
Na al het rumoer en 't ontzettend geweld, stonden ze weer
beweegloos en stijf, 'lijk ze er altijd gestaan hadden en
toonden niets aan, wat kon doen veronderstellen dat 't
moorddadig gedoe gedaan en tenden was, en dat ze getart hadden
als een zaak waaraan ze gewoon waren en die hen niet het minste
letsel meer toebrengen kon. Gemaakt door de natuurkrachten zijn
ze sterker geworden dan de natuur zelf, en uit haren schoot
geboren, zullen ze er staan, zooals geen andere krachten,
onafhankelijk van haren wil, hen zullen verminken of ten niete
doen.
Het duingebied: 't is een wereld op zijn eigen die altijd nieuw
en altijd pas-gesticht schijnt, omdat tot nog toe geen gestadig
en woelend menschenbedrijf er binnengedrongen is.
Eenzaamheid troont in de duinen, en de stilte weegt zoo goed en
stemt zoo innig! Kalmte overal! Zelfs uwen stap, die dof tert in
't zand, breekt ze niet, want ge doortrekt altijd
maagdelijk-mulle gronden.
't Ligt hier nog alles in zijn oertijdstip, waar schaars een
briezel leven wortel heeft geschoten!...
Immers, geen wasdom op de kruinen... Hun schrale naaktheid
spreekt luid de kale onvruchtbaarheid uit van allen groei op
hunne bloote zanden. Alleen groenen er weelderig op spichtige
biezenhalmen, hier dun gezaaid, verder saamgetrost met heele
pakken. Diepe zitten ze gedolven in de flanken en houden 't
afreuzelen van 't zand tegen en 't verminken van de wilde
schoonheid die ze helpen behouden. Dusdanig zijn ze een teken
van Hoop!
't Is ook 't symbool van de twee werelden die ze scheiden. Langs
den eenen kant: de zee; wereld, 't leven gevend aan visschen en
waterdieren, maar ook een wereld van duisternis en
ondoordringbaarheden, van toomelooze woede, eene slokkende
wereld van dood! Anderzijds de aarde; wereld die leven geeft aan
plant en dier en menschen, die menschen baren, maar ook een
wereld die 't al overmeesteren wil, behept met onverschoonbare
ikzucht, overgoten met ondoofbaren haat, en onbegrijpelijken
nijd, wereld van onnoemelijken menschenstrijd en broedermoord.
Tusschen hen beide staan de duinen, als 't laatste uiteinde van
iedere wereld, dragende op hunne flanken een weinig leven van
zee en aarde, en toonend op hun kruinen de bange dood, die
eensdaags heerschen zal over alles.Sidderend denkt ge daarop,
als ge de duinen daar ziet lijnen, als de eind-afbakening van
alles wat er eens is geweest, wat is, en wat eens zal zijn.
Op het fijne zand speelt er steeds een glinsterende streeling
van zonne en licht of loomt een doffe vale kleur van dikke lucht
en drukkend zware ruimte. Hier en daar door de spleten piept en
lacht, of donkert de zee!..
Langs den anderen kant versmelt de lijn der duinen bijna
onmerkbaar in de glooiende afzakking van velden en landen, en 't
is ineens al platte grond, uitgestrekt ver en wijd, bezaaid met
troppen bomen, en hier en daar, als verloren gesmeten in de
eindeloosheid van het land, een klein dorp, stompend zijn
gelijke huisjes en zijn kerketoren in de helderheid van de
lucht. Aan den voet van de duinen landewaarts in, is de groei er
seffens van planten en vruchten, mager wel is waar, maar 't
leven is er; en de akkers liggen bebouwd en bemest met noesten
vlijt en taaie volherding om 't dagelijksch brood, voor de
duineboertjes en de visschers, wier huizelkens, helwit en met
groene blinden, blinken in de klaarte van de ruimte, te lachen
staan aan de onderste rand der duinen, en geniepig afsteken bij
de grootsche pracht der zandhillen, die als schutengels
over hen waken en hen beschermen tegen winden en zee...
Met 't wentlen der dagen, die hunnen eenbaarlijken gang,
voortdoen van een staag wereldding, opkomend en wegzinkend, in
de hun vastgestelde stonden, die reeds eeuwen en eeuwen dezelfde
zijn, krijgen de duinen ook den gelijken tooi van de tijden die
over hen gaan. Ze worden alzoo vereenigd en vereenzelfd met de
deelen van het jaar, waarin ze vergroeid zijn als de kinderen
der tijden, die gedoogzaam en lijdelijk het immer weerkeerende
en afwisselende leven onderstaan en meevoelen, tusschen 't
ontwaken van de zonne en 't opklaren van den nacht.
* * *
Pas begint in 't Oosten de zonne geregeld op te staan, met meer
licht en inniger warmte, aankondigend de nakende lente, voorbode
van glinster-pralende dagen, of daar scheeren over de duinen de
grijze nevels weg en gaan boven de zee verzwinden, om, nu en
dan, maar bij toeval meer, in een natten morgen weer te
verschijnen.
De duinen ondergaan een heropwekkende werking in de davering van
de zonne en daar rilt over hen eene huivering van nieuw leven!
Ze voelen het tooverende licht op hunne flanken stralen en de
sluimerende krachten, die maanden lang gedoken bleven, bersten
los en schieten door.
De morgenden klaren op, vol zoete frischheid; de biezen beginnen
te glimmen van de vroege natte, en 't schaars gras groent
blijgeestig, gelaafd en verkwikt door den dauw, die droomt vol
wakke warmte.
In de kloven en dalen zingt een luwende wind, en blaast, met
zijn adem, de leefte van 't getijde door mos en varens.
Hier en daar ook priemt schuchter nog een bloempje zijn peuterig
kopje boven.
Aan den voet beginnen de rosse en uitgedroogde distels een
glimmende wemeling te spinnen, die glanst teerblauw-lachend in
de floerschheid van hun fluweelachtige kleur.
En de dagen keeren; en de zonne zit te pralen in een blauwenden
hemel, die als een laken op de duinen spant en een tastelijke
jeugdigheid daarstelt van waar genoegen en voldaan-zijn.
Het zand, dat mat nog scheen in de grijze luchten, begint te
gloren en de toppen glinsteren hel-flonkerend, in de klare
blijheid, rondom hangend als een zacht-wiegend geweefsel van
stille welligheid.
Warmtetrillingen loopen glinsterend langs de hillen, en 't
dansend-bevend zand ontvangt de vonkelende flikkeringen die
streulen uit de azuren transen.
Zoo komt de hoop die 't leven geeft, en alles tegen lacht!..
In de ravijnen blinkt het groen van mos en mager gras en
slingerende varens en plantjes, en in de deugddoende warmte,
ranken gebladerd de duinstruiken, bloeien de duinbloempjes
wittikkelend den grond, als zoovele peerlen achteloos en toch
schoon georderd, overal, neergestrooid.
De duindistels glanzen en glimmen fluweelblauw, hun
stekelachtige popels dat 't een weelde om te zien is!
Nu komen de keuntjes al tegaar, hun snuffelende snuitjes uit
hunne holen steken.
Ze knijpen hun glazige oogjes toe als blind geslegen door het
onverwacht-straffe van het eerste licht; ze huppelen buiten en
beginnen hunnen eersten ommegang in hun herlevend gebied.
Ze voelen 't warm-wordend zand kriebelen en kittelen onder hunne
pootjes.
Ze schieten en slingeren door de duinen, totdat ze moe, hier en
daar, in een troepje, langs de glooiing van een grooten zandhoop
zich te gare uitstrekken, en hunne blauw-grijze uitgerokken
lijvetjes, lekker, te koesteren leggen in het warme licht van de
streelende zonne.
Somtemets trakelt reeds een
garnaalvisscher op zijn bloote
voeten door 't stekkend zand, naar de zee toe, om den inzet van
zijn bedrijf te doen.
Zijn logge gestalte teekent zwart af op de gele blekkering
rondom hem, en hij loopt als een verloren mensch in die eenzame
oneindigheid.
Daar verdwijnt hij achter de laatste rij der duinen en weer
keert alles in zijne eentoonige rust en verscheidenheid.
Dan dalen de vreedzame avonden daarover, kalm en innig, als
wanneer de zonne in 't Westen weggevallen is in zee.
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
Er speelt nog eene wriemelende wemeling en een dartele
schakeering van allerlei kleuren op 't zand, en een gulden
striepe lijnt breed in de dellingen.
Dan vervaagt alles en 't donkere zijgt koel en rustig in
plechtige stilte.
Kalmte en stilte den duinen eigen, en gewiegd op een eeuwigen
rythmus van de gonzende en ruischende zee!
En, binst de nachten als de mane lacht, in eenen donkeren hemel,
glimt een teerbleeke klaarte om de duistre toppen en in de
zwarte ravijnen. Iets geheimzinnigs waart alom en ge kunt als
een zweving voelen van bovenaardsche doezeldingen , die u
droomen doen. Ge rilt van koude zoelte en van ongewone,
diepstemmende gewaarwordingen, die de ziel vervoeren!
't Is 't mysterie van de schoone lentenachten, belovend den
vrede en 't geluk en oneindige voldoening. Heel 't duingebied
ligt eenzaam en eenig verlaten, maar in den schemelglans en 't
lonken van den maneschijn dansen bendetjes keuntjes hun
nachtelijke ronden in onverpoosden gang. Ze zitten soms braafjes
neergebukt en ze spelen met hun voorpootjes, uitleggend
allerhande zaken in keuntjesverstand. Plots richten ze hunne
lapooren. Ritselde daar nu niet een ongewoon gerucht?Ze schieten
met een wip in hun hol - gapende holen...
Kalm-statig gewoon aan 't grootsche schoone en 't innige van
zulke nachten, stapt traag gemeten, de donkere gestalte van den
duinwachter over het zand. Hij tert onverschillig voort, klimt
nu een heuvel op. Het maanlicht striept een bleeke lijn op zijn
breede rugge, wijl de loop van zijn geweer glimt en blinkt.
Op den top gekomen blijft hij staan, hoog-afblokkend tegen den
donkeren hemel... Ontzaglijk grootsch lijkt hij nu, als een
heerscher over 't vreemdsoortige van dees wonderbare wereld...
Weer daalt hij af, en 't visioen is verdwenen! De maneschijn,
vol doezelende klaarte, ginds dansen de keuntjes opnieuw hunne
nachtelijke ronden en alles troont in de kalmte en de stilte van
den luisterenden nacht...
* * *
Gestadig de dagen wentelen en de zonne brandt feller. Uit de
hemel slaat geweldig de bakerende hitte en laait op het zand,
dat blekt en fonkelt en als vlammen uitslaat van vuur.
Nu troont de zomer.
Verbindend-flakkrend schroeit de zonne het zand dat glinstert
lijk een spiegel waarop vuurtongen wemelen en likken.
Vonken sperken uit de duinenflanken en spatten in het ronde.
Op de toppen brandt er als een helle gloed die vermeerdert
naarmate de zonne rijst. Te middag als de hemel een laaienden
oven gelijkt, streulen bundels vuur op de duinen, die te
blekkeren en te blaken staan!
Welk eene tinteling fonkelstraalt over de heele heuvelreeks.
De oogen worden blind geslegen door die helwitte flakkering, en
ringsom rond gloeien de kruinen onder de hitte die verzengend
uit den hemel stookt.
De plantjs, het gras, de bloemen worden geschroeid, maar de
distels pralen nog met meerdere kleur en om hun net spant een
net van blinkend zilver en een kant van diamant. Later maar als
't andere reeds lang zal doorgebrand zijn, zullen zij ook wel
verpulveren.
Met 't vorderen van den dag smijten de biezen omleeg rekkende
schauwten, die kleven op het zand en als zwarte schaduwen werpen
op dien duinengloed.
In die dagen ook, aan den duinenrand landewaarts, grazen de
koeien het magere gras in de kleine weiden die teerbleek
groenen.
Nu en dan brengt een visscherin haar twee, drie geiten langs den
weg, naar eene beschaduwde plaats, en laat ze ongestoord het
zoomend gras aftippen.
Op het land labeuren de menschen in loshangend ondergoed en
schijnen als mieren bij de grootschheid van de duinen die hen
omringen.
Op de zee, die bijna effen ligt, worden ziedende stroomen
gesmolten lood gestreuld en 't vloeit 't allenkantewaarts in
eene helle flikkering.
Stukskens zilver dansen, ontelbaar, op de heele oppervlakte, als
wierden ze er op geschud uit een groote zeefde.
De booten liggen loom, met flappe zeilen en smijten zwarte
schaduwen op de witte vlakte; ze schijnen roerloos te
droomen...
En, als bij 't zinken van de avonden de hemelvuren uitdooven,
dan stijgen uit de ravijnen, lange blanke nevelwazems, die als
een draperije spannen in de ruimte.
De koelte zweeft. 't Is de terugbots van de geweldige heete van
den dag en 't aangenaam gewaai van een stil windje, komend uit
de verten van de zee, met een kille huivering, luwt nu over de
duinen.
Dan, in 't schoonste van den zomer, komt het duingebied
eensklaps vol beweging, die sterk indruischt tegen zijne
gewoontelijke en heerschende eenzaamheid.
Het moderne leven heeft op verschillende plaatsen heele reken
lusthuizen gebouwd, die, in den zomertijd, vol leven komen, en
't eenzaam grootsche van de duinkalmte breken.
En met het luchten der schoone dagen zijn heele benden van
vreemdelingen uit verre steden en streken komen afzakken naar de
zee.
Ze slijten er loom-onbekommerd hun ongevuld en uitrustend leven,
en spreiden een onnatuurlijk bestaan ten toon van overmoed en
vadsigheid.
Ze doorloopen de duinen als indringers, wentelen en woelen in
het zand en vertrappen alle groenigheid.
In de hitte liggen ze lui, als overwinnaars, hun lijf uit te
rusten en hun genot te smaken in de schoonheid, die vroom,
rondom hen heerscht en die ze onbekommerd dikwijls bederven.
Hun wilde kreten galmen uitdagend en valsch in die kalme lucht,
en breken de troonende stilte die hier alleen past.
Nee, dan schijnen de duinen niet meer zoo lijk ze altijd geweest
zijn... Er is iets te veel in hun midden.
Al die ziekelijke uitstalling van een gezochte weelde en
ongekende wereld verbreekt hunne ware toestanden en stoort hunne
innigheid.
Maar dat schijnt slechts een voorbijgaande nietigheid, een
verloren stip, in de eeuwenruimte die reeds over hen is
gegaan!
De luchten worden grijs en de dagen korter.
Benden meeuwen zwieren, snaterend, in wijde kringen rond en
brengen tijding van storm en woeling op zee.
De zonne gaat onder in wolken gehuld, die bloedrood gekleurd,
weldra aschgrauw uitslaan en als bergen over zee en duinen
hangen.
Nu is, in de donkere nachten, het kwaad gedoe voor goed weer aan
den gang.
Gestadig piept door de akelige stilte het schreeuwen van
gestropte keuntjes, die hun leven uitspartelen voor hunne
nestjes.
De wachters doorkruisen waakzaam en voorzichtig de duinen.
De dagen loomen traag voorbij, en 't licht en de warmte
verminderen en gaan uit al beven.
Er speelt geen helderheid meer op de kruinen.
Ze liggen grauw en donkerkleurig, en gelijken verlaten burchten.
Het zand is mat en wak, de laatste geslokerde distels staan
verslensd en 't haar valt gestadig uit hunne dikke knoppen.
Bloemen en planten zijn vergaan, alleen de biezen geven nog een
groene tint, zwart verwend, de doffe kleur van 't zand.
De duinenreeks lijnt vaal tegen eenen valen hemel, die drukt en
dreigt op de kruinen te storten.
De wolken schuiven laag, en 't is alsof er vendels aan de toppen
blijven hangen.
Ginds, aan den voet, steekt een groote molen zijn wieken in de
droeve lucht, en teekent een zwart kruis in de ruimte.
De winden komen op.
Ze gonzen zoemend uit het Noordwesten aan; fluiten in de kloven
en ravijnen, en schuifelen over de toppen.
Het zand reuzelt en stuift naar omleeg.
Bij stonden wordt het opgeschept, en 't dwarrelt dan in kolken
om later als wittikkelende spelden gestrooid te worden op het
land en de zee.
Eene slingerende runseling van fijn zand, als een wijd
gevlochten net, glenst voortdurend over de kruinen en hoopt op
in de laagte.
't Is winterende getijde nu, met zijn gierende winden tsjiepend
en zwiepend en geeselend de biezen; met zijn koude luchten, kil
omwaaiend, de huiverende kruinen, met zijn dikkende misten,
alles omhullend in bange treurigheid.
't Wordt bar en koud en somtemets brieschen gruwelijk de stormen
en buischen op de duinen, waar ze vervaarlijk huilend
openkletsen.
De ontketende zee bolt, bruischend woest, haar drieste baren op
de duinen.
Het wreede klotsen van het water slaat en spoelt over hunne
kruinen.
In 't schrikkelende van den aanval staan ze te sidderen en te
trillen, maar hun grondvesten blijven onaangeroerd, en pal
zullen ze de wilde kusten van de woelige zee blijven omboorden
met hun vaste almacht.
Dan weer komen de dagen van drukkende verlatenheid...
Alle leven is weg, en de duinen treuren koud-omneveld.
De nachten zijn lang en zwart, en de donkerte prangt alles, als
moest het nu gedoken blijven voor alle verdere leven dat komen
zou...
Spookachtig verlicht de maan, nu en dan, schuw-schichtig, in een
bleeken straal de ruimte, maar gestadig schuiven zware wolken,
log-drijvend, voor haar gelaat.
De omhullende naarheid is bang om te doorstaan, en al de duinen
zijn weggedompeld in het zwarte van den nacht...
Zal dood blijven heerschen over dees wereld?
Eeuwen en eeuwen zijn gekomen en gegaan, brengend afwisseling
van leven en dood; eeuwen en eeuwen zullen nog komen en op de
duinen zal eeuwig blijven schieten 't biezengewas in teerbleek
groen!
Teeken van hoop!
Juul Filliaert.
|