|
Zie hem staan, den landman, geleund
tegen den deurstijl. Zijn hoofd reikt tot aan het euzie van het
dak. 't Is zomeravond of in de lente na een zonnigen dag. Het
werk is af en hij rust wat na den lastigen arbeid die zijn leden
lam miek. De rook uit zijn pijp kronkelt op in de windstille
lucht. Zijn broek is gelapt en zijn versleten hemd hangt open op
zijne borst. Zijn bloote voeten zijn beplakt van de eerde waar
hij gewerkt heeft. Maar zijn gemoed is tevreden; hij geniet van
de rust in den avond en dat er andere genoegens zijn in de
wereld weet hij niet of ze zijn hem vreemd.
't Wijf wandelt in het veld en gaat den stand der vruchten
bezien. Haar blauwe voorschoot is gescheurd; ze is barvoets en
bloothoofds, maar ze moet zich voor niemand schamen. De jongens
spelen in 't zand op straat, hun kleeren zijn gehavend en hun
wezen is beplakt, maar vrij mogen ze ronsen en en wentelen
zonder vrees om iets vuil te maken of te bederven.
En ginder, over de velden, waar er andere huizen staan en
bekenden wonen is het ook zoo gesteld. Daar ook is de man zijn
broek gelapt en de vrouw haar voorschoot gescheurd en zijn de
kinders gehavend. Maar die gelapte broek en die gescheurde
kleeren hebben de kleur der eerde en zij passen bij de
omgeving.
De leemen wanden van het huis zijn ook gelapt; het stroodak is
ook versteld en gatig; de voordeur en de slagvensters hangen scheef; de veurst is
zaalrugde en de zwenkingen en noordboomen zijn
doorgezakt en even bochtig van lijn als de takken van den ouden
perelaar die zijn gestalte heeft boven het huis. De rondingen
van het palmhaagje en de looverbos van den vlierstruik zijn
gelijk aan de rondingen die wand en dak van 't huizeke
afteekenen tegen de lucht. Menschen, boomen en huizen zijn in
overeenstemming , staan onderling in verband, zijn eerder van
uitzicht en vorm en maken dat schoone geheel uit waarover de
avond, de morgen en de middag zijn eigen kleur en geur en
stemming legt.
Niets dat afsteekt of schreeuwt of valsch klinkt in dat
saamgesmolten en saamgegroeid geheel. De luister van 't eene
deelt zich mede met het ander en de groote zon overglanst het al
gelijk met een schijn van gedegen goud.
De natuur is hier haar eigen tooister, en in de open lucht,
onder de schaduw van een grooten boom, krijgen de schamelste
dingen en de armoedigste huisraad iets van den weerglans die
uitstraalt van de omgeving en worden er 't passende schakeersel
en de onmisbare onderdeelen die 't uitzicht helpen volledigen.
In de volksbuurt eener stadswijk waar de huizen op een rei staan
en uitgeven op een binnenkoer zonder licht of lucht;waar de
werkman zijne woning verkennen moet aan het volgnummer boven de
deur, daar wordt de schamelheid door geen enkel straaltje
poëzie der omgeving opgeluisterd; daar is de armoede een
gruwel en de leelijkheid schreeuwt er uit de kale vensters en de
ruwe muren den bewoner tegen.
Te lande wordt de mest op den messing door de zon omgetooverd
tot een zuiver stuk kleurenschoonheid. Want de eenheid wordt er
altijd samengesteld door onderdeelen van passende accoorden.
Zie de haan met zijn bonten vedertooi en de hennen, elk een
eigen stuk wikkelende kleur, ze zijn er aan 't werk op dien
messing, ze hooren er bij want ze halen er hun gading uit...
De vlier- of lindeboom hangt er zijn welig loof over zoodat de
rijkdom van groene ranken heerlijk samenklinken met 't warme
bruin en 't ambergeel van 't blinkend messinkstroo. En ligt er
al een oude emmer, een versleten pot of gebroken kanne op
geslingerd, dan schelt het blauw verlak of 't roode aardewerk in
alle hevigheid als eene tegenstelling van belang met eene
kleurvlek het tafereel verrijkend.
De melkblauwe toon der leemen wanden van het huis, doet aan als
de zwaardere weergalm van het azuur dat in 't oppervlak van den
rootput, de kappe des hemels weerspiegelt.
Het groen dat op deur en ramen ligt en zoo hevig afsteekt onder
't bruine stroodak of onder 't rood der pannen, datzelfde groen
is weer te vinden in de vlakken der jonge vlaschaards of de veie
koornstukken die ommelands de uitgestrekte velden tooien.
Het ingewikkeld kleurenmengsel dat op de steenoude stroodaken
prijkt, waar mos en woekerkruid het bruin van 't verweerde stroo
tot een weefsel van rijke vluwe omschapen heeft, is
hetzelfde waarmede de gereuvelde stammen der oude perelaars
beroest zijn en besproet en betikkeld.
Die landmenschen weten het niet maar onbewust deelen zij er den
vrede en de gerustheid van mede, omdat alles en zij zelf, passen
in de omgeving en dat zij zelf met al het andere, deel uitmaken
van het wonderschoon geheel dat door een en dezelfden maker
ontworpen werd en uit dezelfde hand geschapen tot een opperste
meesterstuk, tentoongesteld voor de wereld!..
Nu dat de zachtheid van den avond neerzijgt over 't land als een
mengsel van wellust en van weemoed; nu dat 't licht verstilt en
stemmig wordt onder een lichten nevel van teerblauwe mist, nu
begint het wit der gevels aan al de huizetjes der vlakte heviger
te schellen. Als vierkante en hoekige stukjes legwerk, als
vlakjes paarlemoer tegen een donkerder grond van doffer tonen,
steken zij als lichte tikkels in het wijd uitgespreide tapijt
dat over de vlakte strekt, in praal van tonenmengsel.
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
Nu pinkt er al een lichtje hier en daar onder de donkere euzies
der lage daken, een scherpstralend lichtje als een gouden dopje
met sterreflikkering, maar zóó dat men gissen blijft en
raden of 't wel het eerste avondlampje is ofwel een laatste
genster gesprankeld uit het vuur der ondergaande zon.
Hoe verschillend zijn de stemmingen die de avond wekt. Gister
viel de deemstering als een akelige boodschap, als een voorspook
van den winter met dreiging van gruwelijk donker en verlatene
triestigheid. 't Was of werd met 't laatste licht het laatste
leven gedoofd.
Vandaag heeft de zon als een verrassing, een nieuwen zomerdag
gebracht en heur eeuwig jeugdige licht tooverde weer de
begoocheling van vollen zomer zonder krankheid of versletenheid
of afgang van het schoone jaargetijde dat zijn einde naakt.
Nu is de avond als een glorie van licht; als een stille zang.
En heel het avondveld waarover de blauwe nevels dreven, schijnt
nu een waterspiegel waar de echte sterren uit de lucht
weerspiegeld, en aan 't pinkelen zijn.
Nu is er geen gevoel van verlatenheid over de streek; eenieder
weet zich omringd door al de anderen. Bij elk lichtje is er
wakend leven en lichtjes zijn er rond en rond, ontelbaar als de
huizen ontelbaar zijn over 't Vlaamsche land.
Vanavond bevangt mij een weemoed en treurnis om de schoonheid
waarvan ik heel den dag genoten heb. De landsche woningen die
het leven en de blijheid uitmaken van het Vlaamsche landschap;
de landsche woningen die 't kleurig spel uitmaken tusschen 't
groen der vele velden waar de zon haar stralen schiet als een
stroom van levend licht, de woningen waar in den avond nu het
lichtje pinkt van 't lampje dat schingt over een gezin waar
vrede heerscht en stil genoegen, waar 't stil is als een
tabernakel, die schoonheid is ook veroordeeld om te
verdwijnen!..
Zij heeft uitgediend en zal vervangen worden door leelijkheid,
die schreeuwen zal in 't landschap en 't geheel ontsieren moet.
Die schoonheid verdwijnt stilaan - ze is reeds verdwenen, ten
deele...
De landlieden ontvluchten hunne velden en die er blijven worden
wijs gemaakt dat zij trachten moeten naar welstand, naar gemak,
naar gezondheid, naar genoegens...
Van schoon of leelijk wordt voorloopig niet gewaagd.
Maar er worden comiteiten gesticht die 't kwaad helpen
bespoedigen en die den landman een goedkoope en degelijke woning
verschaffen willen?!
Vakmannen worden gelast met de doelmatigheid zulker woningen in
cijfers uit te rekenen en de werken worden dan in dien zin
opgemaakt. Vroeger wilde men het huis afgezonderd, als een
heiligdom gevrijwaard en omsloten door een haag... van de straat
weg, iets dat er stond als eene eenheid, als eene levenskern,
iets op zich zelf, met 't wezen naar 't Oosten gekeerd, van waar
alle licht en warmte en blijheid komt, met den gevel neergehurkt
naar het Westen, zonder deuropening of gat waar regen, koude of
wakte in kon dringen en 't dak erover als een kappe neerreikend
tot tegen den grond als een schutsel. Men miek het laag van
steke om de woonplaats goedkoop te verwarmen 's winters en 's
zomers liet men deur en vensters open en schouw en gotegat om de
lucht er vrij spel te laten.
Men miek die huizetjes elk naar naar eigen inzicht van den
bewoner, als een innig kapelletje waar elke hoek, elke lijn de
reden aangaf van den inwendigen aanleg; waar 't schijnbaar gemis
aan evenredigheid en grilligheid der lijnen aan 't uitwendige,
niets anders was dan het uitwerksel van de doelmatigheid van het
innerlijke.
Waar alles zijn reden had en beantwoordde aan de onverroerbare
wetten der gezonde rede, naar wier eischen ook de boomen gebouwd
zijn in de schepping. En men zette het geheel in een passende
kleur, zoodat het uitzicht zijn schoonheid bijzette aan de
omgeving.
Nu zullen de vakmannen het doen, die bezeten zijn met de kennis
van regelmatigheid en goedkoop... Nu zullen de huizen staan met
't wezen naar de straat gekeerd -
de achterkant even hoog als de voorkant, twee gelijke gevels met
gelijken voor- en achtermuur; met een schoorsteen op elken
gevelhoek en evenveel vensters van weerskanten de voordeur die
te midden zit. In die huizen is de ruimte berekend in hoogte en
breedte naar 't getal kubieke meters lucht die voor een gezin
van landmenschen van noode is om te leven. De rauwe baksteen
laat men bloot en 't roode pannendak moet na den eersten tijd
vuil worden en zwart.
De muren zijn bestemd en blootgesteld om al het water en den
wind te vangen die uit de lucht gezweept wordt en de wakte naar
binnen brengen langs de hooge vensters en deurgaten.
Alles is hoekig, afgepast in 't vierkant, met andere
verhoudingen in de afmeting der onderdeelen. Wanstaltige
vierkante koffers gelijk, met een dak als een dubbele haverkist,
op het kantje geschaard, op één rei, langs de straat, zonder
hovetje of vrijdom of innigheid. Daar zal de landman moeten
binnen blijven en terwijl hij zijn kubieke meters lucht
verorbert, kan hij de schoonheid van 't land bezien, gezeten aan
zijn groot en hoog venster!
Nu komt men de dingen maken waar ze voortijds
groeiden.
Adieu de schoonheid als de vakmannen er zich mede bemoeien!
Stijn Streuvels.
|