Vorige: De Landsche Woning in Vlaanderen III.   Omhoog: België.   Volgende: De lijdensgeschiedenis van eene vermaarde vaart II.
Inhoudsopgave   Index


De Landsche Woning in Vlaanderen IV.

Gepubliceerd op 21 juni 1913

LandWonMetLandman Zie hem staan, den landman, geleund tegen den deurstijl. Zijn hoofd reikt tot aan het euzie van het dak. 't Is zomeravond of in de lente na een zonnigen dag. Het werk is af en hij rust wat na den lastigen arbeid die zijn leden lam miek. De rook uit zijn pijp kronkelt op in de windstille lucht. Zijn broek is gelapt en zijn versleten hemd hangt open op zijne borst. Zijn bloote voeten zijn beplakt van de eerde waar hij gewerkt heeft. Maar zijn gemoed is tevreden; hij geniet van de rust in den avond en dat er andere genoegens zijn in de wereld weet hij niet of ze zijn hem vreemd.
't Wijf wandelt in het veld en gaat den stand der vruchten bezien. Haar blauwe voorschoot is gescheurd; ze is barvoets en bloothoofds, maar ze moet zich voor niemand schamen. De jongens spelen in 't zand op straat, hun kleeren zijn gehavend en hun wezen is beplakt, maar vrij mogen ze ronsen en en wentelen zonder vrees om iets vuil te maken of te bederven.
En ginder, over de velden, waar er andere huizen staan en bekenden wonen is het ook zoo gesteld. Daar ook is de man zijn broek gelapt en de vrouw haar voorschoot gescheurd en zijn de kinders gehavend. Maar die gelapte broek en die gescheurde kleeren hebben de kleur der eerde en zij passen bij de omgeving.
LandWonSlagvenstersScheef De leemen wanden van het huis zijn ook gelapt; het stroodak is ook versteld en gatig; de voordeur en de slagvensters hangen scheef; de veurst is zaalrugde en de zwenkingen en noordboomen zijn doorgezakt en even bochtig van lijn als de takken van den ouden perelaar die zijn gestalte heeft boven het huis. De rondingen van het palmhaagje en de looverbos van den vlierstruik zijn gelijk aan de rondingen die wand en dak van 't huizeke afteekenen tegen de lucht. Menschen, boomen en huizen zijn in overeenstemming , staan onderling in verband, zijn eerder van uitzicht en vorm en maken dat schoone geheel uit waarover de avond, de morgen en de middag zijn eigen kleur en geur en stemming legt.
Niets dat afsteekt of schreeuwt of valsch klinkt in dat saamgesmolten en saamgegroeid geheel. De luister van 't eene deelt zich mede met het ander en de groote zon overglanst het al gelijk met een schijn van gedegen goud.
De natuur is hier haar eigen tooister, en in de open lucht, onder de schaduw van een grooten boom, krijgen de schamelste dingen en de armoedigste huisraad iets van den weerglans die uitstraalt van de omgeving en worden er 't passende schakeersel en de onmisbare onderdeelen die 't uitzicht helpen volledigen.
In de volksbuurt eener stadswijk waar de huizen op een rei staan en uitgeven op een binnenkoer zonder licht of lucht;waar de werkman zijne woning verkennen moet aan het volgnummer boven de deur, daar wordt de schamelheid door geen enkel straaltje poëzie der omgeving opgeluisterd; daar is de armoede een gruwel en de leelijkheid schreeuwt er uit de kale vensters en de ruwe muren den bewoner tegen.
LandWonKleurigeWerf Te lande wordt de mest op den messing door de zon omgetooverd tot een zuiver stuk kleurenschoonheid. Want de eenheid wordt er altijd samengesteld door onderdeelen van passende accoorden. Zie de haan met zijn bonten vedertooi en de hennen, elk een eigen stuk wikkelende kleur, ze zijn er aan 't werk op dien messing, ze hooren er bij want ze halen er hun gading uit...
De vlier- of lindeboom hangt er zijn welig loof over zoodat de rijkdom van groene ranken heerlijk samenklinken met 't warme bruin en 't ambergeel van 't blinkend messinkstroo. En ligt er al een oude emmer, een versleten pot of gebroken kanne op geslingerd, dan schelt het blauw verlak of 't roode aardewerk in alle hevigheid als eene tegenstelling van belang met eene kleurvlek het tafereel verrijkend. De melkblauwe toon der leemen wanden van het huis, doet aan als de zwaardere weergalm van het azuur dat in 't oppervlak van den rootput, de kappe des hemels weerspiegelt. Het groen dat op deur en ramen ligt en zoo hevig afsteekt onder 't bruine stroodak of onder 't rood der pannen, datzelfde groen is weer te vinden in de vlakken der jonge vlaschaards of de veie koornstukken die ommelands de uitgestrekte velden tooien. Het ingewikkeld kleurenmengsel dat op de steenoude stroodaken prijkt, waar mos en woekerkruid het bruin van 't verweerde stroo tot een weefsel van rijke vluwe omschapen heeft, is hetzelfde waarmede de gereuvelde stammen der oude perelaars beroest zijn en besproet en betikkeld.
Die landmenschen weten het niet maar onbewust deelen zij er den vrede en de gerustheid van mede, omdat alles en zij zelf, passen in de omgeving en dat zij zelf met al het andere, deel uitmaken van het wonderschoon geheel dat door een en dezelfden maker ontworpen werd en uit dezelfde hand geschapen tot een opperste meesterstuk, tentoongesteld voor de wereld!.. LandWonVerborgenInHout Nu dat de zachtheid van den avond neerzijgt over 't land als een mengsel van wellust en van weemoed; nu dat 't licht verstilt en stemmig wordt onder een lichten nevel van teerblauwe mist, nu begint het wit der gevels aan al de huizetjes der vlakte heviger te schellen. Als vierkante en hoekige stukjes legwerk, als vlakjes paarlemoer tegen een donkerder grond van doffer tonen, steken zij als lichte tikkels in het wijd uitgespreide tapijt dat over de vlakte strekt, in praal van tonenmengsel.

(Naar het begin van de volgende kolom)

  Nu pinkt er al een lichtje hier en daar onder de donkere euzies der lage daken, een scherpstralend lichtje als een gouden dopje met sterreflikkering, maar zóó dat men gissen blijft en raden of 't wel het eerste avondlampje is ofwel een laatste genster gesprankeld uit het vuur der ondergaande zon. Hoe verschillend zijn de stemmingen die de avond wekt. Gister viel de deemstering als een akelige boodschap, als een voorspook van den winter met dreiging van gruwelijk donker en verlatene triestigheid. 't Was of werd met 't laatste licht het laatste leven gedoofd.
Vandaag heeft de zon als een verrassing, een nieuwen zomerdag gebracht en heur eeuwig jeugdige licht tooverde weer de begoocheling van vollen zomer zonder krankheid of versletenheid of afgang van het schoone jaargetijde dat zijn einde naakt. Nu is de avond als een glorie van licht; als een stille zang.
En heel het avondveld waarover de blauwe nevels dreven, schijnt nu een waterspiegel waar de echte sterren uit de lucht weerspiegeld, en aan 't pinkelen zijn.
Nu is er geen gevoel van verlatenheid over de streek; eenieder weet zich omringd door al de anderen. Bij elk lichtje is er wakend leven en lichtjes zijn er rond en rond, ontelbaar als de huizen ontelbaar zijn over 't Vlaamsche land.
Vanavond bevangt mij een weemoed en treurnis om de schoonheid waarvan ik heel den dag genoten heb. De landsche woningen die het leven en de blijheid uitmaken van het Vlaamsche landschap; de landsche woningen die 't kleurig spel uitmaken tusschen 't groen der vele velden waar de zon haar stralen schiet als een stroom van levend licht, de woningen waar in den avond nu het lichtje pinkt van 't lampje dat schingt over een gezin waar vrede heerscht en stil genoegen, waar 't stil is als een tabernakel, die schoonheid is ook veroordeeld om te verdwijnen!..
LandWonSamengegroeid Zij heeft uitgediend en zal vervangen worden door leelijkheid, die schreeuwen zal in 't landschap en 't geheel ontsieren moet. Die schoonheid verdwijnt stilaan - ze is reeds verdwenen, ten deele...
De landlieden ontvluchten hunne velden en die er blijven worden wijs gemaakt dat zij trachten moeten naar welstand, naar gemak, naar gezondheid, naar genoegens... Van schoon of leelijk wordt voorloopig niet gewaagd. Maar er worden comiteiten gesticht die 't kwaad helpen bespoedigen en die den landman een goedkoope en degelijke woning verschaffen willen?!
Vakmannen worden gelast met de doelmatigheid zulker woningen in cijfers uit te rekenen en de werken worden dan in dien zin opgemaakt. Vroeger wilde men het huis afgezonderd, als een heiligdom gevrijwaard en omsloten door een haag... van de straat weg, iets dat er stond als eene eenheid, als eene levenskern, iets op zich zelf, met 't wezen naar 't Oosten gekeerd, van waar alle licht en warmte en blijheid komt, met den gevel neergehurkt naar het Westen, zonder deuropening of gat waar regen, koude of wakte in kon dringen en 't dak erover als een kappe neerreikend tot tegen den grond als een schutsel. Men miek het laag van steke om de woonplaats goedkoop te verwarmen 's winters en 's zomers liet men deur en vensters open en schouw en gotegat om de lucht er vrij spel te laten.
Men miek die huizetjes elk naar naar eigen inzicht van den bewoner, als een innig kapelletje waar elke hoek, elke lijn de reden aangaf van den inwendigen aanleg; waar 't schijnbaar gemis aan evenredigheid en grilligheid der lijnen aan 't uitwendige, niets anders was dan het uitwerksel van de doelmatigheid van het innerlijke. Waar alles zijn reden had en beantwoordde aan de onverroerbare wetten der gezonde rede, naar wier eischen ook de boomen gebouwd zijn in de schepping. En men zette het geheel in een passende kleur, zoodat het uitzicht zijn schoonheid bijzette aan de omgeving.
LandWonGevelNaarStr Nu zullen de vakmannen het doen, die bezeten zijn met de kennis van regelmatigheid en goedkoop... Nu zullen de huizen staan met 't wezen naar de straat gekeerd - de achterkant even hoog als de voorkant, twee gelijke gevels met gelijken voor- en achtermuur; met een schoorsteen op elken gevelhoek en evenveel vensters van weerskanten de voordeur die te midden zit. In die huizen is de ruimte berekend in hoogte en breedte naar 't getal kubieke meters lucht die voor een gezin van landmenschen van noode is om te leven. De rauwe baksteen laat men bloot en 't roode pannendak moet na den eersten tijd vuil worden en zwart.
De muren zijn bestemd en blootgesteld om al het water en den wind te vangen die uit de lucht gezweept wordt en de wakte naar binnen brengen langs de hooge vensters en deurgaten.
Alles is hoekig, afgepast in 't vierkant, met andere verhoudingen in de afmeting der onderdeelen. Wanstaltige vierkante koffers gelijk, met een dak als een dubbele haverkist, op het kantje geschaard, op één rei, langs de straat, zonder hovetje of vrijdom of innigheid. Daar zal de landman moeten binnen blijven en terwijl hij zijn kubieke meters lucht verorbert, kan hij de schoonheid van 't land bezien, gezeten aan zijn groot en hoog venster!
Nu komt men de dingen maken waar ze voortijds groeiden.
Adieu de schoonheid als de vakmannen er zich mede bemoeien!

Stijn Streuvels.



Vorige: De Landsche Woning in Vlaanderen III.   Omhoog: België.   Volgende: De lijdensgeschiedenis van eene vermaarde vaart II.
Inhoudsopgave Index

Valid HTML 4.01 Transitional

Pros Robaer - 2009