Vorige: De Landsche Woning in Vlaanderen I.   Omhoog: België.   Volgende: De Landsche Woning in Vlaanderen III.
Inhoudsopgave   Index


De Landsche Woning in Vlaanderen II.

Gepubliceerd op 7 juni 1913

LandWonHofstedeIII Te lande echter leeft de oude overlevering nog voort en bestaat de zin van het doelmatige in elke uiting van den mensch. Zie me dat huizeke gelijk het daar staat, te morgen, hoe het 't eerste licht der zon ontvangt, dat den bewoner verblijdt bij 't ontwaken reeds. Het zware stroodak dat de muren bevrijdt voor regen en vocht, gelijkt een warme pullemuts die diepe over den kop getrokken is, tot in den nek langs achter, en waar langs voren, den bek wat opengeschoven, boven 't voorhoofd, om den blik en 't zicht vrij te houden.
Langs achter, uit den Westkant, komen de zware regens gegispt door fellen en aanhoudenden wind, daarom is die achtermuur, zonder deurgat, amper eenige voeten hoog; daarom is het venstertje van het waschhuis zoo klein ―als een vierkantig loergat― en daarom schiet het dak langs achter in vlakschuinen val, tot bijna tegen den grond. Laat de regen maar gispen, laat de drijfsneeuw maar jagen, tegen dien lagen wand heeft de wind niets te pakken, hij joept over den schuinen van van het lage stroodak, zonder kwaad te doen aan 't huis.
LandWonHofstedeIV Ten Noorden vindt de vorst en de bijtende koude een blinden gevel waar alle opening zorgvuldig gestopt is, en waar een afdak van stal of ovenbuur het binnenhuis voor de koude bevrijdt van een buitenmuur. Al den Zuidkant is het zwingelkot aangelegd of de weefkamer, waar de landenaar 's winters warm en beveiligd zit te werken en waar een wingerd in vorm van lommerdak 's zomers de heete zonnestralen weert. Langs den voorkant steekt het opgeheven dak met breed euzie over den muur om 't water dat er van leekt op een afstand over 't plankier te doen vallen, en omdat het euzie langs dien kant dienen moet om tabak, boonen, plantzaad en vruchten onder te drogen.
Al die dingen zijn heel vanzelfs zoo geschikt, alsof het niet anders kon en het geheel ―laat het nieuw zijn of versleten― heeft altijd dat aantrekkelijk uitzicht van netheid, dat “afgeronde” in de vormen, zonder strakheid of snijdende lijnen. Gelijk bij gegroeide dingen is alles zoodanig in den haak dat men nergens de berekening der eigenschappen merkt of gemaaktheid of inzicht speurt. En het liefelijke, het schilderachtige van zulk een landsche woning hangt toch van zulke luttele kleinigheid af. Een simpele evenredigheid in de afmeting, eene onregelmatigheid bij toeval aangebracht, eene doorzakte lijn, een afgeronden hoek, 't fatsoen van een vensterraam met zijn fenteneelke, een oppiepend dakvenster boven de voordeur, of het streepje roode pannen in 't stroodak onder het zoldervenster...
LandWonHofstedeV Al die dingen die onderling niets met elkaar te maken hebben, die aan geen enkele wet of symmetrie gebonden schijnen, vormen hier dat onmiskenbaar geheel dat enkel op zuivere schoonheid en om 't uitwerksel van schilderachtigheid, door een kunstenaar schijnt ontworpen en uitgevoerd.
Want hier zijn dieper geborgen dingen en komen hoogere talenten aan den dag. Hier geeft die landsche bouwmeester blijk van onvermoede begaafdheid en beschikt hij over hoedanigheden waarvan hij zelf allerminst bewust is. Buiten de veerdigheid om zijne woning een beredeneerden vorm te geven, waar elk onderdeel samenwerkt tot een stijlvol geheel, bezit hij de kunst om dat geheel te doen harmoniëeren met zijne omgeving; om er dat stemmige kleurenspel in te houden, zoodat zijn huisje een stille verrukking is en een onmisbare bijveerde in de pracht der groene velden, waar het staat als een kleinood om de natuur te sieren.
De natuur helpt er wel iets aan de rauwheid der tonen te temperen. Regen, wind en zonne leggen er wel dat taansel op en die gesletenheid brengt er nieuwe schakeersels op die worden als de blank die door handeling en gebruik, alle schoone dingen nog schooner maakt.
Het bronsgroene mos groeit op de stroodaken die door de zon en den regen reeds bruin uitgeslagen zijn; de perelgrijze, de blauwe schimmel, het groene steenwier legt er met den tijd die onnoembaar teere kleuren op de oude, verkankerde, uitgebrokkelde gevelsteenen en windbergen en zilte muurdeelen.
Het roest op de schouwe en de drummers; het ijzermaal op de ankers en scheerzen - alles krijgt met den tijd een eigen tint en verloodsel, gelijk de boomstammen die rijke kleurmengeling dragen in hunne schors al den kant waar regen en wind die bekorste aangroeisels niet afspoelt of weert.

LandWonLemenHuisIX Maar, 't geen de natuur hier doet, is maar eene hulp, een bescheiden hertoetsen en betikkelen, heel stilletjes en van langerhand; de ware verflegger echter, de stoute colorist is de landman zelf die alle jaren optreedt en nooit en dubt of en twijfelt, op een greintje na, in welken toon de verschillende dingen in de kleur moeten komen.
Hij is 't die weet of 't wel een tikkeltje schorteblauw ofwel een koffielepeltje gele oker dat hij in zijn kalkwitsel mengelen moet. En bij 't roeren met den stok in het witsel weet hij reeds of 't mengsel goed is en hoe de kleur staan zal eens dat ze gedroogd is tegen de gevels en wanden. Waarom hij 't geel kiest boven 't blauw, ofwel 't blauw boven 't geel, weet hij niet te zeggen, maar hij weet, al mag 't bij een ander geel zijn, dat 't zijne blauw wezen moet of omgekeerd. Zoo is 't gesteld met 't groen waarmede hij zijn deur en slagvensters schildert en 't wit der raampjes. En nooit zal hij nalaten den onderkant der muren een zwaarderen toon te geven met tegelslijp of mollegrauw of zwartblinkende teer. De waarom van al die dingen weet of kent den landman niet, hij doet het uit overlevering, omdat hij 't altijd zoo gezien heeft; maar ook omdat zijn ingeboren smaak het hem opdringt, want, als het huizeke alzoo is opgeschikt en in 't nieuwe staat, tegen ommegang of kermis, dan zal hij eerst en vooral overtuigd zijn: dat het goed is en tevredenheid voelen over zijn werk.
En het is goed. LandWonLemenHuisV Zie het staan blinken, boven op het groen der velden, onder 't gewelf van den grooten notelaar of pereboom en omkranst te deele door 't welige wingerdloof. Het geheel blinkt van liefelijkheid en toch blijft het ernstig, is nooit poppig of speelgoedachtig - het is geen stukje zomertooi of een huizeke om te spelemeien - het is een woonhuis waar menschen wonen die werken, en de schoonheid die eraan is, komt juist omdat ze er vanzelfs kwam, ongezocht is - omdat het is gelijk het zijn moet.

(Naar het begin van de volgende kolom)

  't Wit blekkert op wanden en evel, omdat men de woning van verre zou zien; en om het blijde karakter is het groen van de ramen en deur met geen andere kleur te vervangen. 't Groen der velden met 't wit der wanden en dat andere groen der vensters en deure, met 't bruin van 't stroodak, waar het streepje rood in speelt der dakpannen die in dubbele rei onder elk dakvenster neerloopen; al die verschillende kleuren en tonen zingen ondereen dat schoone, landelijke lied, dat daar op zijn eigen, schoon als onderdeel, den grooten zang moet meezingen der pracht van het Vlaamsche landschap.
De kortwoner, die altijd te weinig tijd heeft om 't werk te doen waarvan hij leven moet, vindt ten ontijde toch gelegenheid om zijn huis te witten en te schilderen, om te nagelen en te plakken en te prutsen aan al die kleinigheden die 't geheel een behoorlijk uitzicht moeten geven. In 't gezin, waar nooit iets nutteloos of nodeloos verteerd wordt, waar alles ten bate wordt gebracht en niets verloren gaat tenzij den rook uit de schouw; daar vindt men toch altijd middel om wat verf en witsel te koopen. De vrouw is de zuinigheid zelf, maar toch kan ze de bekoring niet weerstaan zich iets te bezorgen dat blinkt om op de schapraai te pronken en een stuiver zou ze nog wagen om een bloempot of een pakje zaad voor in het hovetje.
LandWonLemenHuisVI Hoe komt het dat de landman zoo bekommerd is om zijne woning op te tooien? Vanwaar komt die lust en liefhebberij naar kleurigheid en bonte schakeering?
Het is de drang, de nood die in hem zit om het bloeiende feest mee te vieren der natuur waarin hij leeft; het is de uiting van zijn eigen levenslust; den lust in zijn werk en zijn doening. Rondom hem is het al licht, al leven, al zang en geschuifel1 en onbewust wil hij meedoen in die algemeene schatering en altijd anderende schoonheid uitgebeeld in de kwistigste kleurenpracht.
Waar de nijverheid ergens eene landstreek binnendringt en de bevolking overweldigt, ziet men dien tooi en zorg aan de woning gauw vergaan. Waar de landsche lieden hun bestaan vinden in fabrieken of groote werkhuizen, zelfs waar de huisarbeid geoefend wordt, ziet men die liefhebberij niet om de woning een lachend gezicht te geven. Gevels worden niet meer gewit, de ramen niet meer geschilderd, bloemen en boomen heeft men niet meer vandoen en wat de huisbaas aan de woning niet wil verstellen, laat de huurder maar vervallen. Daar heeft heel die streek en het landschap een ander uitzicht - iets al de kleurlooze verlatenheid van onbewoonde huizen, grauw, vaal als eene achterbuurt en 't geheel heeft het aanzien van armoede en lustelooze slordigheid.

LandWonLemenHuisVII De landman, die leeft van het land, heeft zijn behagen in alles; hij leeft niet alleen met zijn huizetje, maar met de lucht en de velden en alles wat er in zijne onmiddelijke omgeving staat, bachten en vóór het huis. Daarom zorgt hij dat het niet te blak of te bloot staat als gesmeten op het land.
Het huis dat zelf uit den grond als gegroeid is, moet omgeven zijn van andere gegroeide dingen waarmee het een geheel vormt en vereenzelvigd is. De notelaar, de pereboom - een groote boom vooral, is er de beschermgeest, de goeie reus die er zijn machtige kruin spreidt over het schamele dak en zijn takken laat hangen en zijn loof om 't geheel te bevrijden van alle kwaad.
De vlierboom overlommert de messing en levert op den hoop toe nog vlierbloemen en vlierbessen als medicijn. Een wingerd rankt over 't dak van het geitenkot of dekt heel het ovenbuur met een weelde van teergroene blaren. Voor het huisje, omgeven door een spaansche haag, in de opene zone, ligt de lochting. Onmiddelijk langs den voormuur, onder 't euzie zelf, bevrijd voor den wind, in eene opening tusschen de steenen van 't plankier, worden de violiers gekweekt, de muurbloemen, de papavers, de goudbloemen, en van weerkanten de deur of tegen den steenput, ranken hoog op hun stammen, met een touwtje tegen de muur gebonden, de stokrozen en goudgele zonnebloemen.
LandWonLemenHuisVIII Over 't plankier is de lochting afgesloten door een gelent van staken en persen waar er capucientjes langs groeien. Ofwel is 't een laag palmen haagje dat als afsluitsel dienst doet met een poortje te midden. Dat gelent of dat haagje weert de hoenders uit den lochting, en daarop ook hangt er al een stukje linnen, een kleed of kinderdoek te drogen.
Rechtover de voordeur en het poortje loopt een wegel te midden door de lochting waar een ander poortje de eigenlijke toegang geeft tot de velden of den straatweg.
't Is langs dat wegeling, van weerskanten, dat de bloemen gekweekt worden... De gangen zijn afgezet en omboord door palmen hutjes en van ends ont ends over de schrooden is 't een toog van sierplanten, die symmetrisch verdeeld zijn rechts en links den weg. Tronken van bosseboom2, in torenvorm geleid, waar ringen uit geknipt zijn en van boven door iets, dat een haantje gelijkt, bekroond; geneverbesstruikjes, aal- en kruisbessen volgen in 't dreefje en worden afgewisseld door al de ouderwetsche bloemsoorten die elk jaar herplant of herzaaid worden: de welgedane pioenen, donkerrood en glimmend; de dahlias in struiken met veelkleurige bloemen; de truischjonkers3, de welige boerenrozen, dikke en ronde; de sneeuwballen; de vuilneuzen4; de Sint Pieterspenningen; de Sint Jozefsleliën; de trompetten van 't laatste oordeel; de leeuwenmuiltjes of kalvertoten, de tulpen en al 't andere wat men plant of zaad of bol of wortel, van ouders tot grootouders gekweekt en met liefde bezorgd werd, zal elken zomer weer, de schoone dagen lang komen verblijden met frissche, levendige kleuren en zoete geuren.
LandWonOvenbuur Tusschen wegel en haag, over de twee stroken lands, liggen in beddekes, velerhande groenten: de erwten, de suikerboontjes en princesjes; de salade, andijvie, ajuin, zurkel, selderij, de tijelijke ardappelen, kervel en persil, belladame en porcelein - alle de groenten, die om en door het jaar den schamelen kost uitmaken van de landsche keuken.
Bezijds, buiten 't omhein der spaansche haag, ligt de kouter, het lapje land waar de man, de vrouw en de kinders met lastig handwerk, de tarwe winnen, de aardappelen, de beeten en 't ander voeder waar heel de huishoud met geite, hoenders, konijnen en zwijntje soms, van leven moeten.

Stijn Streuvels.



Voetnoot

...geschuifel1
schuifelen = fluiten (Pros)
...bosseboom2
buksboom (Pros)
...truischjonkers3
anjers (Pros)
...vuilneuzen4
nóg een andere naam voor anjers (Pros)


Vorige: De Landsche Woning in Vlaanderen I.   Omhoog: België.   Volgende: De Landsche Woning in Vlaanderen III.
Inhoudsopgave Index

Valid HTML 4.01 Transitional

Pros Robaer - 2009