|
Te lande echter leeft de oude overlevering nog voort en bestaat de
zin van het doelmatige in elke uiting van den mensch.
Zie me dat huizeke gelijk het daar staat, te morgen, hoe het 't
eerste licht der zon ontvangt, dat den bewoner verblijdt bij 't
ontwaken reeds. Het zware stroodak dat de muren bevrijdt voor
regen en vocht, gelijkt een warme pullemuts die diepe over den kop
getrokken is, tot in den nek langs achter, en waar langs voren,
den bek wat opengeschoven, boven 't voorhoofd, om den blik en 't
zicht vrij te houden.
Langs achter, uit den Westkant, komen de zware regens gegispt door
fellen en aanhoudenden wind, daarom is die achtermuur, zonder
deurgat, amper eenige voeten hoog; daarom is het venstertje van
het waschhuis zoo klein ―als een vierkantig loergat― en daarom
schiet het dak langs achter in vlakschuinen val, tot bijna tegen
den grond. Laat de regen maar gispen, laat de drijfsneeuw maar
jagen, tegen dien lagen wand heeft de wind niets te pakken, hij
joept over den schuinen van van het lage stroodak, zonder kwaad te
doen aan 't huis.
Ten Noorden vindt de vorst en de bijtende koude een blinden gevel
waar alle opening zorgvuldig gestopt is, en waar een afdak van
stal of ovenbuur het binnenhuis voor de koude bevrijdt van
een buitenmuur.
Al den Zuidkant is het zwingelkot aangelegd of de weefkamer, waar
de landenaar 's winters warm en beveiligd zit te werken en waar
een wingerd in vorm van lommerdak 's zomers de heete zonnestralen
weert.
Langs den voorkant steekt het opgeheven dak met breed euzie over
den muur om 't water dat er van leekt op een afstand over 't
plankier te doen vallen, en omdat het euzie langs dien kant dienen
moet om tabak, boonen, plantzaad en vruchten onder te drogen.
Al die dingen zijn heel vanzelfs zoo geschikt, alsof het niet
anders kon en het geheel ―laat het nieuw zijn of versleten―
heeft altijd dat aantrekkelijk uitzicht van netheid, dat
“afgeronde” in de vormen, zonder strakheid of snijdende lijnen.
Gelijk bij gegroeide dingen is alles zoodanig in den haak dat men
nergens de berekening der eigenschappen merkt of gemaaktheid of
inzicht speurt. En het liefelijke, het schilderachtige van zulk
een landsche woning hangt toch van zulke luttele kleinigheid af.
Een simpele evenredigheid in de afmeting, eene onregelmatigheid
bij toeval aangebracht, eene doorzakte lijn, een afgeronden hoek,
't fatsoen van een vensterraam met zijn fenteneelke, een
oppiepend dakvenster boven de voordeur, of het streepje roode
pannen in 't stroodak onder het zoldervenster...
Al die dingen die onderling niets met elkaar te maken hebben, die
aan geen enkele wet of symmetrie gebonden schijnen, vormen hier
dat onmiskenbaar geheel dat enkel op zuivere schoonheid en om 't
uitwerksel van schilderachtigheid, door een kunstenaar schijnt
ontworpen en uitgevoerd.
Want hier zijn dieper geborgen dingen en komen hoogere talenten
aan den dag. Hier geeft die landsche bouwmeester blijk van
onvermoede begaafdheid en beschikt hij over hoedanigheden waarvan
hij zelf allerminst bewust is. Buiten de veerdigheid om zijne
woning een beredeneerden vorm te geven, waar elk onderdeel
samenwerkt tot een stijlvol geheel, bezit hij de kunst om dat
geheel te doen harmoniëeren met zijne omgeving; om er dat
stemmige kleurenspel in te houden, zoodat zijn huisje een stille
verrukking is en een onmisbare bijveerde in de pracht der groene
velden, waar het staat als een kleinood om de natuur te sieren.
De natuur helpt er wel iets aan de rauwheid der tonen te temperen.
Regen, wind en zonne leggen er wel dat taansel op en die
gesletenheid brengt er nieuwe schakeersels op die worden als de
blank die door handeling en gebruik, alle schoone dingen nog
schooner maakt.
Het bronsgroene mos groeit op de stroodaken die door de zon en den
regen reeds bruin uitgeslagen zijn; de perelgrijze, de blauwe
schimmel, het groene steenwier legt er met den tijd die
onnoembaar teere kleuren op de oude, verkankerde, uitgebrokkelde
gevelsteenen en windbergen en zilte muurdeelen.
Het roest op de schouwe en de drummers; het ijzermaal op de ankers
en scheerzen - alles krijgt met den tijd een eigen tint en
verloodsel, gelijk de boomstammen die rijke kleurmengeling dragen
in hunne schors al den kant waar regen en wind die bekorste
aangroeisels niet afspoelt of weert.
Maar, 't geen de natuur hier doet, is maar eene hulp, een
bescheiden hertoetsen en betikkelen, heel stilletjes en van
langerhand; de ware verflegger echter, de stoute colorist is de
landman zelf die alle jaren optreedt en nooit en dubt of en
twijfelt, op een greintje na, in welken toon de verschillende
dingen in de kleur moeten komen.
Hij is 't die weet of 't wel een tikkeltje schorteblauw ofwel
een koffielepeltje gele oker dat hij in zijn kalkwitsel mengelen
moet. En bij 't roeren met den stok in het witsel weet hij reeds
of 't mengsel goed is en hoe de kleur staan zal eens dat ze
gedroogd is tegen de gevels en wanden. Waarom hij 't geel kiest
boven 't blauw, ofwel 't blauw boven 't geel, weet hij niet te
zeggen, maar hij weet, al mag 't bij een ander geel zijn, dat 't
zijne blauw wezen moet of omgekeerd. Zoo is 't gesteld met 't
groen waarmede hij zijn deur en slagvensters schildert en 't
wit der raampjes. En nooit zal hij nalaten den onderkant der muren
een zwaarderen toon te geven met tegelslijp of
mollegrauw of zwartblinkende teer. De waarom van al
die dingen weet of kent den landman niet, hij doet het uit
overlevering, omdat hij 't altijd zoo gezien heeft; maar ook omdat
zijn ingeboren smaak het hem opdringt, want, als het huizeke alzoo
is opgeschikt en in 't nieuwe staat, tegen ommegang of kermis, dan
zal hij eerst en vooral overtuigd zijn: dat het goed is en
tevredenheid voelen over zijn werk.
En het is goed.
Zie het staan blinken, boven op het groen der velden, onder 't
gewelf van den grooten notelaar of pereboom en omkranst te deele
door 't welige wingerdloof. Het geheel blinkt van liefelijkheid en
toch blijft het ernstig, is nooit poppig of speelgoedachtig - het
is geen stukje zomertooi of een huizeke om te spelemeien - het is
een woonhuis waar menschen wonen die werken, en de schoonheid die
eraan is, komt juist omdat ze er vanzelfs kwam, ongezocht is -
omdat het is gelijk het zijn moet.
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
't Wit blekkert op wanden en evel, omdat men de woning van verre
zou zien; en om het blijde karakter is het groen van de ramen en
deur met geen andere kleur te vervangen. 't Groen der velden met
't wit der wanden en dat andere groen der vensters en deure, met
't bruin van 't stroodak, waar het streepje rood in speelt der
dakpannen die in dubbele rei onder elk dakvenster neerloopen; al
die verschillende kleuren en tonen zingen ondereen dat schoone,
landelijke lied, dat daar op zijn eigen, schoon als onderdeel, den
grooten zang moet meezingen der pracht van het Vlaamsche
landschap.
De kortwoner, die altijd te weinig tijd heeft om 't werk te doen
waarvan hij leven moet, vindt ten ontijde toch gelegenheid om zijn
huis te witten en te schilderen, om te nagelen en te plakken en te
prutsen aan al die kleinigheden die 't geheel een behoorlijk
uitzicht moeten geven. In 't gezin, waar nooit iets nutteloos of
nodeloos verteerd wordt, waar alles ten bate wordt gebracht en
niets verloren gaat tenzij den rook uit de schouw; daar vindt men
toch altijd middel om wat verf en witsel te koopen. De vrouw is de
zuinigheid zelf, maar toch kan ze de bekoring niet weerstaan zich
iets te bezorgen dat blinkt om op de schapraai te pronken en een
stuiver zou ze nog wagen om een bloempot of een pakje zaad voor in
het hovetje.
Hoe komt het dat de landman zoo bekommerd is om zijne woning op te
tooien? Vanwaar komt die lust en liefhebberij naar kleurigheid en
bonte schakeering?
Het is de drang, de nood die in hem zit om het bloeiende feest mee
te vieren der natuur waarin hij leeft; het is de uiting van zijn
eigen levenslust; den lust in zijn werk en zijn doening.
Rondom hem is het al licht, al leven, al zang en
geschuifel1 en onbewust wil
hij meedoen in die algemeene schatering en altijd anderende
schoonheid uitgebeeld in de kwistigste kleurenpracht.
Waar de nijverheid ergens eene landstreek binnendringt en de
bevolking overweldigt, ziet men dien tooi en zorg aan de woning
gauw vergaan. Waar de landsche lieden hun bestaan vinden in
fabrieken of groote werkhuizen, zelfs waar de huisarbeid geoefend
wordt, ziet men die liefhebberij niet om de woning een lachend
gezicht te geven. Gevels worden niet meer gewit, de ramen niet
meer geschilderd, bloemen en boomen heeft men niet meer vandoen en
wat de huisbaas aan de woning niet wil verstellen, laat de huurder
maar vervallen. Daar heeft heel die streek en het landschap een
ander uitzicht - iets al de kleurlooze verlatenheid van onbewoonde
huizen, grauw, vaal als eene achterbuurt en 't geheel heeft het
aanzien van armoede en lustelooze slordigheid.
De landman, die leeft van het land, heeft zijn behagen in alles;
hij leeft niet alleen met zijn huizetje, maar met de lucht en de
velden en alles wat er in zijne onmiddelijke omgeving staat,
bachten en vóór het huis. Daarom zorgt hij dat het niet te
blak of te bloot staat als gesmeten op het land.
Het huis dat zelf uit den grond als gegroeid is, moet omgeven zijn
van andere gegroeide dingen waarmee het een geheel vormt en
vereenzelvigd is.
De notelaar, de pereboom - een groote boom vooral, is er de
beschermgeest, de goeie reus die er zijn machtige kruin spreidt
over het schamele dak en zijn takken laat hangen en zijn loof om
't geheel te bevrijden van alle kwaad.
De vlierboom overlommert de messing en levert op den hoop toe nog
vlierbloemen en vlierbessen als medicijn. Een wingerd rankt over
't dak van het geitenkot of dekt heel het ovenbuur met een weelde
van teergroene blaren. Voor het huisje, omgeven door een spaansche haag, in de opene zone, ligt de lochting. Onmiddelijk langs den
voormuur, onder 't euzie zelf, bevrijd voor den wind, in eene
opening tusschen de steenen van 't plankier, worden de violiers
gekweekt, de muurbloemen, de papavers, de goudbloemen, en van
weerkanten de deur of tegen den steenput, ranken hoog op hun
stammen, met een touwtje tegen de muur gebonden, de stokrozen en
goudgele zonnebloemen.
Over 't plankier is de lochting afgesloten door een gelent
van staken en persen waar er capucientjes langs groeien. Ofwel is
't een laag palmen haagje dat als afsluitsel dienst doet met een
poortje te midden. Dat gelent of dat haagje weert de hoenders uit
den lochting, en daarop ook hangt er al een stukje linnen, een
kleed of kinderdoek te drogen.
Rechtover de voordeur en het poortje loopt een wegel te midden
door de lochting waar een ander poortje de eigenlijke toegang
geeft tot de velden of den straatweg.
't Is langs dat wegeling, van weerskanten, dat de bloemen
gekweekt worden... De gangen zijn afgezet en omboord door palmen
hutjes en van ends ont ends over de schrooden is 't een toog van
sierplanten, die symmetrisch verdeeld zijn rechts en links den
weg. Tronken van bosseboom2, in
torenvorm geleid, waar ringen uit geknipt zijn en van boven door
iets, dat een haantje gelijkt, bekroond; geneverbesstruikjes,
aal- en kruisbessen volgen in 't dreefje en worden afgewisseld
door al de ouderwetsche bloemsoorten die elk jaar herplant of
herzaaid worden: de welgedane pioenen, donkerrood en glimmend; de
dahlias in struiken met veelkleurige bloemen; de
truischjonkers3, de welige
boerenrozen, dikke en ronde; de sneeuwballen; de
vuilneuzen4; de Sint Pieterspenningen; de Sint Jozefsleliën;
de trompetten van 't laatste oordeel; de leeuwenmuiltjes of
kalvertoten, de tulpen en al 't andere wat men plant of zaad of
bol of wortel, van ouders tot grootouders gekweekt en met liefde
bezorgd werd, zal elken zomer weer, de schoone dagen lang komen
verblijden met frissche, levendige kleuren en zoete geuren.
Tusschen wegel en haag, over de twee stroken lands, liggen in
beddekes, velerhande groenten: de erwten, de suikerboontjes en
princesjes; de salade, andijvie, ajuin, zurkel, selderij, de
tijelijke ardappelen, kervel en persil, belladame en
porcelein - alle de groenten, die om en door het jaar den
schamelen kost uitmaken van de landsche keuken.
Bezijds, buiten 't omhein der spaansche haag, ligt de kouter,
het lapje land waar de man, de vrouw en de kinders met lastig
handwerk, de tarwe winnen, de aardappelen, de beeten en 't ander
voeder waar heel de huishoud met geite, hoenders, konijnen en
zwijntje soms, van leven moeten.
Stijn Streuvels.
|