|
Gepubliceerd op 9 december 1911
Kolonel Malfeijt, de nieuwe onder-gouverneur-generaal van
Belgisch Congo, wiens
beeltenis wij het genoegen hebben
heden in Ons Volk weer te geven, scheepte zich Zaterdag, 21 October te
Southampton aan boord van het stoomschip “Briton” in, om te
Elisabethstad het hoogste ambt te gaan waarnemen van
vertegenwoordiger onzer regering in Katanga, het
belangrijkste deel van onze kolonie, waarop sinds verscheidene
maanden de aandacht van Belgen en vreemdelingen is gevestigd.
Een moeilijke taak wacht hem daar. Katanga doorleeft het eerste
tijdperk zijner wordingsgeschiedenis, ongetwijfeld het
belangrijkste tijdperk, wan hier vooral is het Vlaamsche
spreekwoord toepasselijk ―in het heden ligt de toekomst― en de
toekomst van Katanga heeft voor ons een dubbel belang, als Belgen en
als Vlamingen. Als Belgen mogen wij niet onverschillig blijven voor
wat de toekomst ons brengen zal, of Katanga voor ons zal worden een
tweede België, een nieuw arbeidsveld voor onzen Belgischen handel
en voor onze Belgische nijverheid, voor onze werkzame jongelieden,
voor onze bewonderwaardige zendelingen.
Belgische ondernemingsgeest, Belgische wilskracht, Belgische
werkkrachten en kapitalen hebben onze kolonie gevormd en hervormd en
in weinige jaren tot eene ongekende ontwikkeling gebracht. Kongo
moet aan ons blijven. Wij die er bereidwillig de lasten van dragen,
willen er ook de voordeelen van genieten ten bate onzer economische
ontwikkeling, ten bate onzer beschaving, ten bate van ons geloof, ten
bate van ons volk, ten bate van onzen stam.
Ja, ook van onzen stam, onzen krachtige Vlaamsche stam, want onze
kolonie mag zich niet ontwikkelen zonder dat ook ons volk zijn aandeel
hebbe in de stoffelijke en zedelijke voordeelen der kolonisatie
zooals wij er ook de lasten van dragen. Wij, Vlamingen, die onze zonen
en dochters, onze broeders en zusters, onze vrienden en
bloedverwanten, als zendelingen of burgerlijke werkers
opofferden, wij hebben het recht ―nee, den plicht― te eischen dat
ook aan ons het aandeel worde geschonken van de eer en den roem en van de
tastbare vruchten, welke België door de kolonisatie van Kongo kan
en zal genieten. Onze mannen mogen in Kongo niet hun zweet en hun bloed,
hun gezondheid en hun leven laten, zonder dat dit vruchten drage voor
ons volk en onzen stam. Neen, hier past geen onverschilligheid, waken
moeten wij, handelen zullen wij, hier van uit het moederland voor onze
broeders ginder, die zich sterk en moedig zullen voelen door onze
steunkracht hier.
Onze werklieden en landbouwers, onze burgers en zendelingen gaan
naar Katanga, en zullen daar den dam opwerpen, of zelf den dam zijn,
want Katanga zal zijn de burcht die Kongoland beheerscht. Op hen rust
de plicht te zorgen dat onze taal erkend, ons recht geëerbiedigd
worde. Wij staan er thans op goeden voet en hoopvol zien wij de toekomst
in. Burgers en werklieden, onwetenden en geleerden ―behoorend tot
den Vlaamschen stam― die scharen zich bijeen, en willen zij hun
Vlaming zijn evenmin vergeten als hun Belg zijn.
Wij verheugen ons daarin, dat ontwikkelde Vlamingen daar als
steuners staan der minderen om onze taal haar recht te doen bekomen,
haar hoog te houden in dit land waar Engelsch en ook Fransch haar 't
levenslicht betwist. Hoorden wij niet dat Vlaamsche mannen, als den
jeugdige Antwerpsche advocaat Mter Victor Jacobs
1 Jr., de
Westvlaming Mter Hoornaert, oud-substituut te
Elisabethstad, Dr Lybaert, Paul Das, De Bauw en meer
anderen, wier namen ons voor 't oogenblik niet te binnen schieten, te
Elisabethstad een tak van het Algemeen Nederlandsch Verbond
stichtten, waarbij zich niet alleen Vlamingen, maar ook
Noord-Nederlanders en Zuid-Afrikaanders kunnen
aansluiten, om samen met vereenigde krachten onze taal en
stambelangen te verdedigen.
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
Is het geen verheugend verschijnsel dat een zeer ontwikkeld jonge
Vlaamsche advocaat, die in België zooals in Katanga de achting en
waardeering geniet van de hooggeplaatste Belgen en vreemdelingen,
niet alleen aan vele jonge intellectuëelen een voorbeeld gaf van
niet te onderschatten durf door zich de eerste als onafhankelijk
advocaat te vestigen, maar die buitendien te Elisabethstad de eerste
dit treffend bewijs gaf zijner liefde tot onze taal, door voor de
rechtbank aldaar, in zijn pleidooien het Vlaamsche woord te doen
weerklinken, hetgeen een Vlaamsch requisitorium en misschien ook
wel het eerste Vlaamsche vonnis uitlokte.
Die zelfde jonge Vlaming is de stichter en voorzitter van een
werkmanskring “Concordia” waar onze Vlaamsche werklieden
niet alleen steun en bescherming, maar ook een gezelschap van
vrienden kunnen vinden en waar zij zich met hunne taalgenooten kunnen
vermaken met onze Vlaamsche vaderlandsche spelen, zoodat zij zich
weer eenige stonden in Vlaanderen kunnen wanen.
Een Vlaamsch priester, de Eerw. heer Maes, van Turnhout,
houdt er 's Zondags in de nog nederige kerk, die echter spoedig door een
grooten tempel zal worden vervangen, zijn Vlaamsche preek;
Benedictijner-missionarissen en Vlaamsche Zusters van Liefde van Gent zullen er scholen voor blanke en inlandsche
kinderen openen waar ―laat ons dit tenminste hopen― de kinderen
onzer kolonisten, niet in een vreemde taal het onderricht zullen
ontvangen.
Het onderwijs der Vlaamsche kinderen in Katanga verdient ook onze
belangstelling en onze waakzaamheid. Baron Wahis schrijft in
het pas verschenen werk “Le Katanga, province Belge” dat er door het
onderwijs drukking moet uitgeoefend worden om te beletten dat in onze
kolonie de Engelsche taal overheersend worde. Die drukking mogen wij
alleen steunen op voorwaarde dat zij, zooals Baron Wahis nochtans
voorstelt, geen Fransche onderdrukking zij, waaronder men niet
enkel het Engelsch maar ook het Nederlandsch wil verpletteren. Onze
gehuwde werklieden en landbouwers in Katanga vragen onderwijs voor
hunne kinderen, ook daar dient op gewaakt dat dit onderwijs Vlaamsch
weze, zooniet gaat ten slotte alles weer voor ons verloren. Nog veel
moet verkregen worden; ongetwijfeld staan de Vlamingen voor een
hardnekkigen strijd, maar daarom weze ook aan onze mannen in Katanga
hier door “Ons Volk” uit naam van alle Vlamingen 'n hartelijken
Vlaamschen groet en een krachtige aanmoediging in den strijd
gebracht. Een onzer vrienden uit Elisabethstad vergeleek den
taaltoestand aldaar ongeveer met dien te Brussel. “Maar,”
schreef hij ons, “langzamerhand komt er verbetering. Als er hier nog
veel goede Vlamingen bijkomen, intellectuëelen en anderen, dan
zal hier alles wellicht vroeger en sneller recht komen dan in
Brussel.”
Zoo is het inderdaad, en daarom mogen wij, naar onze mening, de
landverhuizing naar Katanga niet tegenhouden, waar wij lijdzaam
aanzien dat onze Vlaamsche broeders in 't Walenland en
Frankrijk, waar zij als werkvee worden beschouwd, zich
zedelijk en lichamelijk gaan laten vermoorden. Dan wacht hen toch in
Katanga voorwaar een beter lot.
Veel zal er van afhangen hoe de vertegenwoordiger van de regeering ten
opzichte der Vlamingen en hunne rechten gestemd is. Van kolonel
Malfeijt hopen wij het beste. Het heeft voorzeker op allen een
gunstigen indruk gemaakt door dat hij, tijdens een onderhoud met een
vertegenwoordiger van de “African World” van Londen
zich haastte te verklaren dat hij “een Vlaming is”, die de
gouverneur zal zijn van allen ―Vlamingen en Walen, Belgen en
Britten― en hij een te hooge opvatting heeft van zijne plichten om
slechts de gouverneur te willen zijn van een enkel deel der
inwoners.
Wij kunnen ons dan ook volmondig aansluiten bij de opmerking van het
hoogerbedoelde Engelsche weekblad “dat dit voorzeker met vreugde
zou vernomen worden door al de Vlamingen en Hollandsch sprekende
Afrikaanders die in Katanga verblijven”.
En daarom geven wij hierbij zijn portret. Moge hij voor de Vlamingen en
Walen een rechtvaardige vader zijn!
Jul. Cox
|