|
De kring om het belegerde Parijs was voltrokken, een kring
van kanonnen en bajonetten, van dood en vernieling. Parijs, de
wereldstad, die enkele maanden geleden spotlachend op den
vijand smaalde, het schitterend-heerlijk Parijs zag het
oogenblik naken waarop de vreemdeling er als meester zou
binnenrukken. Het Duitsche leger drong elken dag dichter tegen
de stad aan, langzaam, voet voor voet, ten koste van zware
offers, maar het naderde, zeker, dreigend.
Vier en twintigste December!
Het vroor sedert een paar dagen geweldig, en de nijpende koude
deed de vreselijke ellende van dien laatsten kamp op leven en
dood nog harder voelen. De belegerde stad had de laatste
beschikbare troepen naar de uiterste verdedigingslijn gezonden.
Het waren meest allen in der haast geoefende krijgers,
Parijssche volksjongens, die vrijwillig waren toegesneld ter
verdediging van de bedreigde vaderstad, en de plaats innamen
dergenen die voor haar gevallen waren.
En ze lagen nu achter heuvels en kanten, achter boomen en
struiken, den vinger op den haan van het geweer, het oog
gericht op den vijand... En nacht en dag, de gansche linie
langs, knalden voortdurend de geweerschoten, en de dood ging om
en om, en telde hare slachtoffers bij honderden, bij
duizenden...
Dien vier en twintigsten December had het den ganschen namiddag
gesneeuwd, en over de kale vlakte langs de Seine-boorden
was het eene eendelijke witte elfenheid. De schaarsche huizen
en boomen staken zwart af tegen de donkere lucht en den witten
grond, stonden koud en roerloos als angstig wachtend op den
laatsten wanhoopskamp.
Uit den kerktoren van Suresnes klonken elf trage slagen
over 't wijde veld. Het sneeuwen had opgehouden, en boven de
westerkimme was langzaam de maan opgestegen, koud, als glimmend
staal. Over 't sneeuwveld hing de vage klaarte van den helderen
winternacht.
Tegenover de brug van Suresnes, achter eene kleine hoogte,
lagen een honderdtal Parijssche vrijwilligers. Van 's middags
af had men hen daar doen post vatten, met bevel onophoudelijk
te vuren in de richting van den vijand. Deze was daags te
voren, na eene bloedige worsteling, doorgedrongen tot Suresnes,
had dan in den voormiddag van den vier en twintigsten meenen
vooruit te rukken tot in het Bosch van Boulogne, maar
tusschen de twee lag de Seine, en op den rechteroever lagen de
Parijssche vrijwilligers bij duizenden. De Duitsche generaal
moest er van af zien de brug te bemachtigen, wilde hij zijne
soldaten niet tot den laatsten man zien vallen onder de kogels
der Franschen... Deze wisten zeer wel dat de inneming der brug
de val van Parijs was; de beste en moedigste schutters hadden
dan ook post gevat in den omtrek der brug, vast besloten den
vijand langs deze zijde geen doortocht te verleenen.
De vinnige koude deed hun de ooren tintelen, en men kon hen
soms de wangen zien drukken tegen den loop van hun geweer, heet
geworden van 't aanhoudend vuren. Bij ieder schot zag men even
de fletsche lichtschijn van het ontbrandend buskruit het
bleek-vermoeide gelaat van den schutter verlichten; de kleine
vlammetjes zag men verder ook, langs den ver weglijnenden oever
der Seine, in de heesters, achter de boomen, duizenden en
duizenden, als dansende tooverlichtjes.
Het geweervuur knetterde langs heel de linie, ook van de zijde
der Duitschers. In de strakke vrieslucht knalde ieder schot
kort en knak, zonder verren klank, waar er nu en dan een
pijnlijk gekerm, een doodskreet boven uit steeg. En boven dit
alles huilde door den nacht de Seine; ginder ver, te
Saint-Cloud, leek het een dof somber kermen, maar vlak
voor hen was het als een stormig razen der bruischende
watermassa, met het krakend en schurend geluid der tegen elkaar
aanbotsende ijsschollen.
Twee mannen van de kleine groep tegen het heuveltje lagen
bovenaan in eene uitgegraven holte, en schoten van daar telkens
over den heuveltop heen naar den verborgen vijand. Ze hadden
den sneeuw wat weggeveegd, en lagen dicht gehuld in hunne
verhakkelde soldatenmantels. De eerste was de echte type van
den Parijsschen volksjongen. De ellendige toestand waarin hij
zich daar bevond, de gure koude, het slechte voedsel konden hem
zijn goede luim niet bederven. Bij ieder schot wist hij waar en
wien het raakte, en de zonderlinge verwenschingen waarmede hij
iederen kogel deed vergezeld gaan naar de “sakkersche
Pruisen”, deden zijn makker soms glimlachen. Deze was niet zoo
praatziek; in het schemerend maanlicht kon men aan de lange
haarlokken, die van onder de soldatenmuts op zijn schouders
neerhingen, aan het ronde open gelaat, den man herkennen uit
hooger beschaafde kringen... Te vergeefs had zijn maat beproefd
een gesprek met hem aan te knoopen. Zijn blik stond strak
gericht op den vijandelijken oever tegenover hem, als bespiedde
hij elk gunstig oogenblik om zijn doel te treffen. Van tijd tot
tijd liet hij zijn geweer eenige stonden op zijne hand rusten,
en hij staarde dan telkens met droomenden blik over de
doodsche, wit besneeuwde vlakte...
Dacht hij misschien aan wie ginder, bij den vijand, door zijn
moordend lood getroffen, neerviel tegen den harden grond om
niet meer op te staan? De vijand! Maar het waren toch ook
menschen ... menschen met een hart en eene ziel! Die vielen
hier op vreemden bodem, keerden nooit terug naar hun schoon
land van over den Rijn...
Maar dan schoot oogenblikkelijk weer het treurig beeld van 't
geslagene en vertrapte vaderland voor zijn geest, de
onverbiddelijke vijand, de vreemdeling, die 't zijn
bloedstriemende slagen deed voelen, en een vonk schoot uit zijn
oog, en met meer aandacht mikte hij in de richting van
Suresnes. Arm Frankrijk! Al hun moed, hun heldhaftig verweer,
waren slechts de laatste wanhopige stuiptrekkingen van den
verwonnene! De fluitende kogels van den vijand deden soms de
boomtakken naast hem pijnlijk kraken, als 't breken van een
hart. Ginder ver, rond St-Denis ergens, klonk tusschenwijl
de doffe knal van een kanonschot, en de stille davering die
telkens over de vlakte voer was als het angstig beven van
nakend sterven. Links uit, op den anderen oever, aan den zoom
van een klein bosch, stond eene verlatene hoeve door den vijand
in brand geschoten. De laatste opflakkerende vlammen wierpen
over den omtrek, over den witten grond en door de bladerlooze
boomkruinen, een akelig rood schemerend licht. De sterren,
daarboven aan 't vlak gespannen, vaag-blauw uitspansel,
staarden als koortsig glarende vuuroogen.
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
Het bosch van Boulogne lag daar achter als een geheimzinnig
roerloos leger van doodenwakers, gehuld in zwaar grauwe mantels,
wachtend op een laatsten tocht. En verder hing de fletsche
klaarte boven de groote wereldstad, waar honger werd geleden en
verstarde gezichten elkaar angstig aankeken. En al maar door
knetterde het onafgebroken geweervuur.
En toch leek het dien jongen man als was er in dien nacht iets
van vrede en liefde, van stille, blijde verwachting...
Geen windje ging over de vlakte, en de maan stond daarboven zoo
helder te glariën over de stille eenzame aarde, in zuivere
blanke klaarte, als droeg ze den weerschijn van den sneeuwgrond
daaronder... De jonge krijgsman keek soms als verwonderd langs
het breed spannend hemelgewelfsel, over de vlakte... Hij voelde
dat er iets komen moest tot de menschen van die groote
onberoerde vrede daarboven...
De jonge man was een kunstenaar, en de roem had zijn naam reeds
de wereld rondgedragen. Hij had aan zijn land meesterstukken
geschonken die met trotsch aan den vreemdeling werden getoond.
Hij was 't troetelkind van heel Parijs, van gansch
Frankrijk. Maar in zijn kunstenaarsziel vlamde hoog op de
liefde voor zijn land, en toen het zijne mannen opriep tegen
den vijand, was hij gekomen van de zonnige oevers der zee, had
hij Afrika's kust verlaten en kwam naar Parijs gesneld... En
hier lag hij dien nacht, naast den eenvoudigste en minste, en
volbracht zijn plicht.
En nu staarde hij over het heimnisvolle sneeuwveld daar voor
hem, de rustig varende maan en de duizenden pinkelsterren,
dacht hij terug aan dat droomgelukkige land, aan de maannachten
in de bergen, ginds, Grenada, Alhambra... Hij hoorde
geen kogels, geen geweerknallen, geen huilen van de Seine
meer... Zijn geweer rustte op den hard gevrozen sneeuw en zijn
blik staarde ver weg naar het goudzonnige tooverland.
Daar klonken door den nacht twaalf diepe slagen uit den
kerktoren van Saint-Cloud. Ze galmden ver door de stille lucht
en stierven uit over de wijde vlakte in zachte zindering...
En plots hoorde hij de stem van zijn strijdmakker: Hoort ge,
kameraad, 't slaat middernacht! 't Is Kerstmis!...
Kerstmis! Een schok voer hem door zijn lichaam! Hij
had het gevoeld dat die nacht geen gewone nacht was! Hij sprong
recht en luisterde naar het helle klokkenklinken dat beierde
met een zilveren klank uit een afgelegen toren!... Een vreemd
schoon geluid!... O!... Dat was het!... het heilige, het blijde
van dien wonderen witten nacht!... Kerstmis!... Kerstmis!...
En daar stapte hij opeens naar den heuveltop, hield in de eene
hand zijn geweer, nam met de andere zijne soldatenmuts af, en
door den nacht klonk boven het knallen der geweerschoten, zijn
luide heldere stem:
Minuit chrétien! C'est l'heure solennelle
Ou l'Homme-Dieu descendit jusqu'a nous...
De kogels floten hem razend om het hoofd, maar geen raakte hem, en hij zong
voort, zong dat het verre galmde over het stille sneeuwveld,
zong de komst van het goddelijk koningskind, den God van vrede
en liefde.
Peuples à genoux!......
En die daar achter hem lagen tegen de helling van den heuvel,
lieten de eene na de andere hun wapen rusten, verwonderd,
zwijgend, en ze voelden iets in zich komen van ongekende vrede
en diepen eerbied, eene warmte in hart en ziel... En op den
anderen oever zweeg opeens het geweervuur. Ze hoorden daar
ginds dat lied in de onbekende taal, maar ze voelden toch dat
het de groet was aan de heiligen Kerstnacht, en ze vergaten een
oogenblik dat ze tegenover den vijand lagen... En als het lied
ten einde was, klonk er uit hunne rangen eene stem:
Stille nacht! Heilige nacht!
Alles schläft, einsam wacht
Nur das traute, hoch heilige Paar...
En de zonen van Frankrijk stoorden ook niet dat hoogheilige
gebed tot hun beider Vader daarboven, ze luisterden eerbiedig
naar dit lied van vroom geloof aan 't Kindje van
Bethleheem.
En het begon opnieuw te sneeuwen... Heel zacht daalden de witte
vlokken op de aarde, als weefden de witte nachtgeesten het
nieuwe blanke tapijt waarop de Koning der Eeuwen zou komen over
de wereld.
Christ der Retter ist da!...
Stil lag de aarde... ... ...
Een kanonschot daverde plots in de verte... fluitend joegen de
kogels door de lucht. En de kunstenaar-soldaat daalde af van
den heuvel en legde zich terug in de holte... En hij zag naast
hem den Parijsschen volksjongen, dood, de hand op het hart waar
de kogel hem trof, en op zijn bleek gelaat een laatsten
glimlach van zalige vrede...
Ernest Claes.
Dit verhaal is geen verdichtsel!
Die kunstenaar-soldaat hiet Henri Regnault, een der schoonste figuren, een der
grootste kunstenaars die Frankrijk in de laatste helft der 19e
eeuw heeft opgeleverd.
De meest gekende schilderijen van Henri Regnault zijn: “Le
général Prim”, “Judith et Holoferne” maar vooral
“Salomé”. Dit laatste had aan den schilder 8000fr.
opgebracht, en werd onlangs door een Amerikaan aangekocht voor
480.000fr.
Hij verbleef te Spanje toen de Fransch-Duitsche oorlog uitbrak.
Onmiddelijk trok hij op ter verdediging van 't bedreigde
vaderland.
Op Kerstnacht 1870 zong hij voor de brug van Suresnes, midden
den kogelregen van den vijand, het kerstlied zooals hierboven
verteld wordt. Den 19en Januari daaropvolgende trof hem de dood
bij de verdediging van Buzenval.
Hij was slechts zeven en twintig jaar oud!...
|