Vorige: De looze Kommiezen.   Omhoog: Verhalen.   Volgende: Spokerij.
Inhoudsopgave   Index


Kerstmis 1870.

Gepubliceerd op 28 december 1912

De kring om het belegerde Parijs was voltrokken, een kring van kanonnen en bajonetten, van dood en vernieling. Parijs, de wereldstad, die enkele maanden geleden spotlachend op den vijand smaalde, het schitterend-heerlijk Parijs zag het oogenblik naken waarop de vreemdeling er als meester zou binnenrukken. Het Duitsche leger drong elken dag dichter tegen de stad aan, langzaam, voet voor voet, ten koste van zware offers, maar het naderde, zeker, dreigend.

Vier en twintigste December!
Het vroor sedert een paar dagen geweldig, en de nijpende koude deed de vreselijke ellende van dien laatsten kamp op leven en dood nog harder voelen. De belegerde stad had de laatste beschikbare troepen naar de uiterste verdedigingslijn gezonden. Het waren meest allen in der haast geoefende krijgers, Parijssche volksjongens, die vrijwillig waren toegesneld ter verdediging van de bedreigde vaderstad, en de plaats innamen dergenen die voor haar gevallen waren.
En ze lagen nu achter heuvels en kanten, achter boomen en struiken, den vinger op den haan van het geweer, het oog gericht op den vijand... En nacht en dag, de gansche linie langs, knalden voortdurend de geweerschoten, en de dood ging om en om, en telde hare slachtoffers bij honderden, bij duizenden...
Dien vier en twintigsten December had het den ganschen namiddag gesneeuwd, en over de kale vlakte langs de Seine-boorden was het eene eendelijke witte elfenheid. De schaarsche huizen en boomen staken zwart af tegen de donkere lucht en den witten grond, stonden koud en roerloos als angstig wachtend op den laatsten wanhoopskamp. Uit den kerktoren van Suresnes klonken elf trage slagen over 't wijde veld. Het sneeuwen had opgehouden, en boven de westerkimme was langzaam de maan opgestegen, koud, als glimmend staal. Over 't sneeuwveld hing de vage klaarte van den helderen winternacht.
Tegenover de brug van Suresnes, achter eene kleine hoogte, lagen een honderdtal Parijssche vrijwilligers. Van 's middags af had men hen daar doen post vatten, met bevel onophoudelijk te vuren in de richting van den vijand. Deze was daags te voren, na eene bloedige worsteling, doorgedrongen tot Suresnes, had dan in den voormiddag van den vier en twintigsten meenen vooruit te rukken tot in het Bosch van Boulogne, maar tusschen de twee lag de Seine, en op den rechteroever lagen de Parijssche vrijwilligers bij duizenden. De Duitsche generaal moest er van af zien de brug te bemachtigen, wilde hij zijne soldaten niet tot den laatsten man zien vallen onder de kogels der Franschen... Deze wisten zeer wel dat de inneming der brug de val van Parijs was; de beste en moedigste schutters hadden dan ook post gevat in den omtrek der brug, vast besloten den vijand langs deze zijde geen doortocht te verleenen.

De vinnige koude deed hun de ooren tintelen, en men kon hen soms de wangen zien drukken tegen den loop van hun geweer, heet geworden van 't aanhoudend vuren. Bij ieder schot zag men even de fletsche lichtschijn van het ontbrandend buskruit het bleek-vermoeide gelaat van den schutter verlichten; de kleine vlammetjes zag men verder ook, langs den ver weglijnenden oever der Seine, in de heesters, achter de boomen, duizenden en duizenden, als dansende tooverlichtjes. Het geweervuur knetterde langs heel de linie, ook van de zijde der Duitschers. In de strakke vrieslucht knalde ieder schot kort en knak, zonder verren klank, waar er nu en dan een pijnlijk gekerm, een doodskreet boven uit steeg. En boven dit alles huilde door den nacht de Seine; ginder ver, te Saint-Cloud, leek het een dof somber kermen, maar vlak voor hen was het als een stormig razen der bruischende watermassa, met het krakend en schurend geluid der tegen elkaar aanbotsende ijsschollen.
Twee mannen van de kleine groep tegen het heuveltje lagen bovenaan in eene uitgegraven holte, en schoten van daar telkens over den heuveltop heen naar den verborgen vijand. Ze hadden den sneeuw wat weggeveegd, en lagen dicht gehuld in hunne verhakkelde soldatenmantels. De eerste was de echte type van den Parijsschen volksjongen. De ellendige toestand waarin hij zich daar bevond, de gure koude, het slechte voedsel konden hem zijn goede luim niet bederven. Bij ieder schot wist hij waar en wien het raakte, en de zonderlinge verwenschingen waarmede hij iederen kogel deed vergezeld gaan naar de “sakkersche Pruisen”, deden zijn makker soms glimlachen. Deze was niet zoo praatziek; in het schemerend maanlicht kon men aan de lange haarlokken, die van onder de soldatenmuts op zijn schouders neerhingen, aan het ronde open gelaat, den man herkennen uit hooger beschaafde kringen... Te vergeefs had zijn maat beproefd een gesprek met hem aan te knoopen. Zijn blik stond strak gericht op den vijandelijken oever tegenover hem, als bespiedde hij elk gunstig oogenblik om zijn doel te treffen. Van tijd tot tijd liet hij zijn geweer eenige stonden op zijne hand rusten, en hij staarde dan telkens met droomenden blik over de doodsche, wit besneeuwde vlakte...
Dacht hij misschien aan wie ginder, bij den vijand, door zijn moordend lood getroffen, neerviel tegen den harden grond om niet meer op te staan? De vijand! Maar het waren toch ook menschen ... menschen met een hart en eene ziel! Die vielen hier op vreemden bodem, keerden nooit terug naar hun schoon land van over den Rijn...
Maar dan schoot oogenblikkelijk weer het treurig beeld van 't geslagene en vertrapte vaderland voor zijn geest, de onverbiddelijke vijand, de vreemdeling, die 't zijn bloedstriemende slagen deed voelen, en een vonk schoot uit zijn oog, en met meer aandacht mikte hij in de richting van Suresnes. Arm Frankrijk! Al hun moed, hun heldhaftig verweer, waren slechts de laatste wanhopige stuiptrekkingen van den verwonnene! De fluitende kogels van den vijand deden soms de boomtakken naast hem pijnlijk kraken, als 't breken van een hart. Ginder ver, rond St-Denis ergens, klonk tusschenwijl de doffe knal van een kanonschot, en de stille davering die telkens over de vlakte voer was als het angstig beven van nakend sterven. Links uit, op den anderen oever, aan den zoom van een klein bosch, stond eene verlatene hoeve door den vijand in brand geschoten. De laatste opflakkerende vlammen wierpen over den omtrek, over den witten grond en door de bladerlooze boomkruinen, een akelig rood schemerend licht. De sterren, daarboven aan 't vlak gespannen, vaag-blauw uitspansel, staarden als koortsig glarende vuuroogen.

(Naar het begin van de volgende kolom)

  Het bosch van Boulogne lag daar achter als een geheimzinnig roerloos leger van doodenwakers, gehuld in zwaar grauwe mantels, wachtend op een laatsten tocht. En verder hing de fletsche klaarte boven de groote wereldstad, waar honger werd geleden en verstarde gezichten elkaar angstig aankeken. En al maar door knetterde het onafgebroken geweervuur.
En toch leek het dien jongen man als was er in dien nacht iets van vrede en liefde, van stille, blijde verwachting... Geen windje ging over de vlakte, en de maan stond daarboven zoo helder te glariën over de stille eenzame aarde, in zuivere blanke klaarte, als droeg ze den weerschijn van den sneeuwgrond daaronder... De jonge krijgsman keek soms als verwonderd langs het breed spannend hemelgewelfsel, over de vlakte... Hij voelde dat er iets komen moest tot de menschen van die groote onberoerde vrede daarboven...
De jonge man was een kunstenaar, en de roem had zijn naam reeds de wereld rondgedragen. Hij had aan zijn land meesterstukken geschonken die met trotsch aan den vreemdeling werden getoond. Hij was 't troetelkind van heel Parijs, van gansch Frankrijk. Maar in zijn kunstenaarsziel vlamde hoog op de liefde voor zijn land, en toen het zijne mannen opriep tegen den vijand, was hij gekomen van de zonnige oevers der zee, had hij Afrika's kust verlaten en kwam naar Parijs gesneld... En hier lag hij dien nacht, naast den eenvoudigste en minste, en volbracht zijn plicht.
En nu staarde hij over het heimnisvolle sneeuwveld daar voor hem, de rustig varende maan en de duizenden pinkelsterren, dacht hij terug aan dat droomgelukkige land, aan de maannachten in de bergen, ginds, Grenada, Alhambra... Hij hoorde geen kogels, geen geweerknallen, geen huilen van de Seine meer... Zijn geweer rustte op den hard gevrozen sneeuw en zijn blik staarde ver weg naar het goudzonnige tooverland.
Daar klonken door den nacht twaalf diepe slagen uit den kerktoren van Saint-Cloud. Ze galmden ver door de stille lucht en stierven uit over de wijde vlakte in zachte zindering... En plots hoorde hij de stem van zijn strijdmakker: Hoort ge, kameraad, 't slaat middernacht! 't Is Kerstmis!...

HRegnaultSoldaat Kerstmis! Een schok voer hem door zijn lichaam! Hij had het gevoeld dat die nacht geen gewone nacht was! Hij sprong recht en luisterde naar het helle klokkenklinken dat beierde met een zilveren klank uit een afgelegen toren!... Een vreemd schoon geluid!... O!... Dat was het!... het heilige, het blijde van dien wonderen witten nacht!... Kerstmis!... Kerstmis!...
En daar stapte hij opeens naar den heuveltop, hield in de eene hand zijn geweer, nam met de andere zijne soldatenmuts af, en door den nacht klonk boven het knallen der geweerschoten, zijn luide heldere stem:

Minuit chrétien! C'est l'heure solennelle
Ou l'Homme-Dieu descendit jusqu'a nous...

De kogels floten hem razend om het hoofd, maar geen raakte hem, en hij zong voort, zong dat het verre galmde over het stille sneeuwveld, zong de komst van het goddelijk koningskind, den God van vrede en liefde.

Peuples à genoux!......

En die daar achter hem lagen tegen de helling van den heuvel, lieten de eene na de andere hun wapen rusten, verwonderd, zwijgend, en ze voelden iets in zich komen van ongekende vrede en diepen eerbied, eene warmte in hart en ziel... En op den anderen oever zweeg opeens het geweervuur. Ze hoorden daar ginds dat lied in de onbekende taal, maar ze voelden toch dat het de groet was aan de heiligen Kerstnacht, en ze vergaten een oogenblik dat ze tegenover den vijand lagen... En als het lied ten einde was, klonk er uit hunne rangen eene stem:

Stille nacht! Heilige nacht!
Alles schläft, einsam wacht
Nur das traute, hoch heilige Paar...

En de zonen van Frankrijk stoorden ook niet dat hoogheilige gebed tot hun beider Vader daarboven, ze luisterden eerbiedig naar dit lied van vroom geloof aan 't Kindje van Bethleheem.
En het begon opnieuw te sneeuwen... Heel zacht daalden de witte vlokken op de aarde, als weefden de witte nachtgeesten het nieuwe blanke tapijt waarop de Koning der Eeuwen zou komen over de wereld.

Christ der Retter ist da!...

Stil lag de aarde... ... ...

Een kanonschot daverde plots in de verte... fluitend joegen de kogels door de lucht. En de kunstenaar-soldaat daalde af van den heuvel en legde zich terug in de holte... En hij zag naast hem den Parijsschen volksjongen, dood, de hand op het hart waar de kogel hem trof, en op zijn bleek gelaat een laatsten glimlach van zalige vrede...

Ernest Claes.



HRegnaultJong Dit verhaal is geen verdichtsel! Die kunstenaar-soldaat hiet Henri Regnault, een der schoonste figuren, een der grootste kunstenaars die Frankrijk in de laatste helft der 19e eeuw heeft opgeleverd.
De meest gekende schilderijen van Henri Regnault zijn: “Le général Prim”, “Judith et Holoferne” maar vooral “Salomé”. Dit laatste had aan den schilder 8000fr. opgebracht, en werd onlangs door een Amerikaan aangekocht voor 480.000fr.
Hij verbleef te Spanje toen de Fransch-Duitsche oorlog uitbrak. Onmiddelijk trok hij op ter verdediging van 't bedreigde vaderland.
Op Kerstnacht 1870 zong hij voor de brug van Suresnes, midden den kogelregen van den vijand, het kerstlied zooals hierboven verteld wordt. Den 19en Januari daaropvolgende trof hem de dood bij de verdediging van Buzenval.
Hij was slechts zeven en twintig jaar oud!...



Vorige: De looze Kommiezen.   Omhoog: Verhalen.   Volgende: Spokerij.
Inhoudsopgave Index

Valid HTML 4.01 Transitional

Pros Robaer - 2009