Gepubliceerd op 6 juli 1912
Julius Lagae, onze groote beeldhouwer, kwam
ter wereld te Rousselaere, in 't herte van West-Vlaanderen,
den 15e Maart 1862. Zijn levensloop zal ik achter te voor
vertellen.In 1905 zond Lagae een tiental zijner werken naar een kunstuitstalling in de hoofdstad van Oostenrijk, Weenen. Welk opzien, welken diepen indruk deze werken daar maakten, staat te lezen in de Duitsche dagbladen en tijdschriften. Eenige uittreksels uit die berichten werden aan Lagae gezonden die mij vroeg, ze voor hem te willen vertalen. Ik lei deze snipperlingen zorgvuldig in een diep schof waar ze dagen, maanden, jaren ongestoord bleven rusten... Als Ons Volk mij onlangs verzocht mij onlangs verzocht een artikel over mijnen dierbaren vriend te schrijven ging ik op zoek en, Sint Antoontje zij dank, hier liggen ze weer voor mij. Nu eerst zal Lagae in Ons Volk te lezen krijgen wat men over hem, daar ver in 't Oosten, gedacht en geschreven heeft.
Verbluffend in zijn schitterende veelzijdigheid schijnt zijn fabelachtig “kunnen” geen grenzen te kennen. Geen moeilijkheden die hij niet spelen overwint. En tevens ligt er in zijn werk een uitgesprokene neiging tot de zorgvuldigste voorbereiding en een pijnlijkste nauwkeurigheid in de uitvoering. De menschen die hij verbeeldt schildert hij met zulk een scherpen blik en zulk een zenuwkracht, dat geheel hun innerlijkst wezen, hun geest en gemoed, met eene nog nooit bereikte echtheid wordt weergegeven.
De sterkte, de macht en kracht van zijn natuurgevoel, zijn
zuiver, louter, subtiel, vrij en doch nooit overdreven “doen”,
de ongehoorde meesterschap die nooit eene zwakheid, eene
eenzijdigheid laat zien, rukken hem opeens in den rang der
grootste beeldhouwers onzer tijden.
Even hoog in achting staat onze Vlaamsche kunstenaar in
Engeland, in Italië, in Spanje, ja, de wereld door. Jules Lagae was derde van acht kinderen. Vader Ramond Lagae stierf, 't is nu vijf jaar geleden, in den ouderdom van 76 jaar, doodversleten van werken. |
Moeder Lagae, geboren Van Dorpe, leeft
nog; een beminnelijke vrouw van 75 jaar, scherp van oog en oor.
De grootmoeder van vaderlijke zijde was een Watteeuw
uit Fr.-Vl., misschien wel van de oorije van den vermaarden
schilder Watteau, uit de XVIIIe eeuw, ook een
Fransch-Vlaming. Zou het buitengewoon talent van Lagae hem langs
deze leie toegevloten zijn? 't Ware 't nagaan weerd.
De Lagae's woonden te Rousselaere in een kleen zijstraatje;
moeder hield er een winkeltje van groensels en pataten; vader
deed in hooi en strooi, zeer bescheiden zooals het destijds
ging. Als ik over drie, vier jaar, bij Lagae lange uren model
zat en hij, onder 't geduldig boetseeren, mijnen kop rechts en
links, van voren, van achter, aan 't bekijken was, liep het
gesprek altijd uit op ons Vlaanderen en dan vertelde hij mij zoo
geern van zijn kinderjaren; hoe hij 's zomers in de eerste
vroegte met vader ten velde trok om ergens een loopke land met
aardappels uit te delven. Hoe blij sloeg zijn kinderhert als de
oogst goed uitviel en de schone witte eironde pataten ten
allerkant uit de aarde rolden.Als de zon hoog genoeg gerezen was zetten zich vader en zoontje langs een gerskant, vaagden hun eerlijk zweet af en, onder den blauwen hemel en de alomrond zingende vogels, smulden zij een dikken boterham op en dronken bij gulle teugen een kom koffij en melk. - Dan weer aan 't werk, en als de zakken vol waren, zeere naar huis, vader aan den kruiwagen en het jongsken aan de trekkoord. Nu ging moeder kontent zijn! Nooit in mijn leven, zei Lagae, heb ik gelukkiger stonden beleefd. 's Zondags, in 't najaar, trok het jongetje het huis uit, dragende een zwaren korf met okkernoten om ze, langs wegen en straten en in de herbergen, te gelde te maken. De menschen zagen het vriendelijk manneke geern en als het uitverkocht was, liep het met zijn zakken vol dikke stuivers naar moeder, om ze preutsch en overblij in haren schoot te werpen. Te Rousselaere bestond een kleene academie van teekenkunde, onder het bestuur van wijlen H. Horrie, een braaf, vriendelijk man van den ouden trant, wiens aandenken Lagae nog heden in eere houdt. Daar ontving hij zijn eerste opleiding in de kunst en voelde hij een warme gloed stijgen in zijn hert en geest. Hoe zoo een avondschooltje, in de verre gouwen, gelegenheid kan geven tot de ontwikkeling van een genialen kunstenaar die anders misschien zijn leven zou versleten hebben als gewone ambachtsman. Dat geeft stof tot nadenken over het nut van 't schoolwezen, niet met het inzicht groote kunstenaars te kweeken, wat wel, uiterst zelden, eens gebeuren kan, maar om 't zij welke begaafdheden die in het volk rusten tot ontwikkeling te verhelpen en goede arbeiders te kweeken. Als medeleerling vond hij aldaar Karel Dupon, broeder van onzen groote Josuë. De beiden sloten enge vriendschap. -Karel Dupon, zei mij Lagae, verwekte in mij eigene gedachten en eigene opvatting; hij leerde mij ook vlijtig zijn en noest aan 't werk. Veel goeds ben ik hem schuldig. Karel Dupon is later werkzaam geweest te Antwerpen en dan weer te Rousselaere, alwaar hij overleed over een paar jaren.
Van zijn veertiende af vond de jonge scholier werk in den
bekenden winkel van Clement Carton, te Rousselaere. Daar
leerde hij steen zagen en kappen, ornementen snijden in hout,
engelen en heiligen houwen voor biecht- en predikstoelen, en...
een zure korst brood verdienen. Door tusschenkomst van
invloedrijke mannen die de zeldzame begaafdheden van den
jongeling beseft hadden, wierd hij in het jaar 1880, met hulp
van stad en provincie, in staat gesteld zijn studiën voort te
zetten te Brussel, als leerling der Koninklijke Academie der Schoone Kunsten. Hij was vervolgens werkzaam bij
Van der Stappen en later bij Jef Lambeaux, maar
stilaan kiemden in zijne geest de zuivere begrippen der kunst
die hem later hoog moesten dragen.
Wat al niet uit het blijde jongsken van Rousselaere geworden is!
Doch zoo effenaf en met eenen sprong is Lagae niet gekomen waar
hij nu staat. Zware, zwarte dagen van beproeving heeft hij
doorworsteld; elk ander zou menigmaal armen en handen hebben
laten zinken. Hij hield vol, zonder ooit een strooi te wijken
van zijn kunstideaal. Nu staat hij daar in volle heerlijkheid,
genietend de algemeene herkenning van zijn geniaal talent. Die
bijval heft hem toch geen deere gedaan noch zijn echt Vlaamsch
wezen ontlouterd, even zoo min als de droeve dagen de
eerlijkheid en oprechtheid van zijn kunst hebben kunnen krenken.
Hij is en blijft de echte, rechte, onbedorven Vlaming,
ongekunsteld, flink en gulhertig na als voor.
|