Gepubliceerd op 26 october 1912
|
Dit is de pastor van te lande; dit is de zoete, lieve,
beminnelijke figuur van pastor Hugo Verriest1. Hij stapt door Vlaanderen, zijn Vlaanderen, hij ziet den dag oplichten; zijn volk roert, alle krachten duwen en dwingen naar boven, zijn volk herwordt, hij is blijde, hij is trotsch op zijn herlevend Vlaanderen; zijn hand beeft, zijn hart ontroert, en zijn oude zwakke stemme roept over 't schoone wijde land: “Vlaanderen naar boven! Uit den donkeren gekomen, wij staan in het licht.”
“Ik kom uit het verleden”, zegt pastor Verriest te
Roeselaere op de Rodenbachsviering. Want Gezelle was
zijn professor en
Albrecht Rodenbach heette hij zijn
“kind”.
Moet ik u dat herhalen? Maar ge hebt het wellicht uit den
zangerigen mond van pastor Verriest zelf gehoord.
Hij heeft het gezeid in de kleinste dorpjes, in alle steden van
Vlaanderen en van Holland. Verriest hield reeds ongeveer
1.000 voordrachten!!Hij spreekt zoo graag over dat verleden; hij lééft in dat verleden. “Ja, ja, ik wordt een oud man” zegt hij zoetjes; hij schudt zijn grijze hare, vervoert de stramme peze van arm en been... “ik-wordt-een-oud-man” Dan klopt hij even op zijn groot open voorhoofd... en 't verleden staat weer wakker voor zijne oogen, en hij spreekt over zijn meester Guido Gezelle, zijn leven, zijn onderwijs, zijn werk; over Berten Rodenbach, zijn jongen, over Peter Benoit die hem muziekles gaf; dat zijn de groote kansen van zijn leven. En deze andere nog: onze volksdichter René De Clercq is in zijn geboortedorpke te Deerlijk geboren en Stijn Streuvels is zijn parochiaan... Hij heeft toen hij professor was in dit klein Seminarie te Roeselaere, een heele bende van schoone jonge mannen geleerd en opgeleid, de jongens de vleugels ontbonden en in de lucht gezonden, ze allen gevoed en gesterkt met zijn diepe woord vol schoonheid en goedheid: “Door mijn goedheid schiep ik tusschen mij en mijne studenten dat wonderbare magnetisme, waarop ik zoo fier ben in mijn professorleven. Veel meer dan alle theoriën, hebben de schoonheid, de goedheid en de geleerdheid van mij en mijne helpers, de ziel onzer schooljeugd gewonnen”Zijn 't geen verbazend flinke rappe, verstandige mannen die door zijne handen zijn gegaan? Bekijk hun beeld in “Twintig Vlaamsche koppen”.
“Als de diepe wateren zwellen,
Verriest sloeg, met de roede, op de rots en de bronne brak er
door! |
Als we Pastor Verriest een paar keeren gehoord hebben, weten we
op voorhand dat we de volgende maal niet veel nieuws zullen
hooren. En toch, en toch... waarom loopen we hem telkens weer
hooren? Er gaat eene wondere bekoring uit van dezen mooien ouden
man. Wat, is Verriest oud? Verriest is jong, heeft altijd jong
gevoeld! Het spel van zijn gelaat en zijn handen en zijn
lichaam, de zang van zijn stem, het woord van zijn hart is een
wonder. Hij is en blijft de grootste causeur van Zuid- en
Noord-Nederland. Niemand zal hem dat nadoen, niemand zal hem
daarin overtreffen. Verriest is eenig. Onvoldoende werd er, me dunkt, in de studies over Hugo Verriest gewezen op het merkwaardig belang zijner voordrachten in de jaren 70. Wat “De Nieuwe Gids” met meer lawaai en op drester toon zou zeggen over het verouderde romantisme, over rythme en beeldspraak, over de noodzakelijke vernieuwing onzer letterkunde, had Verriest reeds enkele jaren vroeger gezegd en geschreven. Verriest is de goede geest geweest die over onze opbloeiende jongere letterkunde heeft gewaakt; ze beschermd en verdedigd heeft, tegen spot en banbliksems. Verriest is een gelukkig man; hij voelt en zegt het ook. Hij voelt waar hij komt of gaat in Vlaanderen die stille bewondering en zoete vereering rond hem. De Leuvensche Universiteit verleende hem den titel van “Doctor honoris causa”. De koning benoemde hem tot ridder in de Leopoldsorde. De Akademie opende hare poorten voor hem en deed hem in haar midden zetelen als een koning. Dichters bezongen hem, critici schreven artikels of boeken over hem; zijn beeld hangt op onze kamers; de studenten hebben 't in hun lessenaar zitten, en allen, niet waar, dragen we Pastor Verriest in ons hart. Hij voelt zich innig blij om al die vereering en genegenheid... en “monkelt zachtjes”. Hij is nu pastor te Ingoyghem: “Het groote, witte huis staat rondom in zijne donkere spaanschhouters haag, daar woont het hooger leven, daar waakt de eenige bewustheid over het dorp ―als de goede herder over de kudde― in werkelijkheid, zoo is de pastor hier op zijn parochie... Hij kent al zijn menschen en weet eenieders noodwendigheid; het kwaad moet hij weren en het goed rechthouden. Hebt ge hun wezen zien opklaren bij 't noemen van zijn naam? Ze bezagen hem vol eerbied want hij is algeleerd, alwetend en toch vertrouwelijk als een gewone dorpeling, maar in groote levensgevallen wordt hij weer hun meerdere, die hoog boven hen staat; hij heeft de macht over de dingen die buiten hun begrip liggen en dan doet hij wonderen... In 't komen en in 't gaan, in dood en bij geboorte is hij er weer, hij zegent de nieuwe huishoudens en dezen die uitgeleefd, gereed zijn voor de groote uitvaart naar de eeuwigheid geeft hij het laatste vaarwel met een verzekerenden troost... Hij is de band die heel dat leven samenhoudt en onder zijne oogen komen en gaan de dingen door de dagen...”2Pastor Verriest, ons volk ontwaakt, en in het blijde licht van den jongen dag ziet het uw schoone, blijde, stralend wezen rijzen over Vlaanderen en juicht en jubelt u toe; want gij hebt mede den nieuwen dag verkondigd.
|