Gepubliceerd op 16 december 1911
Om kortbondig en wetenschappelijk te antwoorden: de spijzen bederven door gisting.
Waaruit bestaat die gisting?
Vooraleer het gistingsproces nader te bespreken, zullen wij
bewijzen dat de eetwaren en de dranken uit hunnen aard niet bederven,
dat bederven geen hunner natuurlijke eigenschappen is.
Nemen wij bijvoorbeeld: de melk. Zoolang de melk in de melkklieren
zit, bederft zij niet; zij is tegen bederf gevrijwaard, althans bij
gezonde dieren. Daarin ook ligt de voornaamste reden waarom de
voeding van het kind door de moederborst veel beter is dan de
kunstmatige voeding. Kunnen wij de melk op zulke wijze uit de
melkklieren trekken dat zij vrij blijft van alle aanraking met de
lucht of met onreine handen of potten, dan zàl of kàn de melk niet
bederven.
De geneesheeren zijn er in geslaagd dat te verwezenlijken tot groot
voordeel der zuigelingen. Zulks vraagt natuurlijk heel bijzondere
voorzorgen. De klieren van het dier worden rein gewasschen,
geschrobt, de koe door de machien gemolken, omdat de
machien gemakkelijker te reinigen is
dan de handen der melkvrouw; de melk wordt in opgekookte flesschen
opgevangen (verder zal blijken waarom die flesschen opgekookt
worden), die op hare beurt zoo gesloten worden dat er de lucht niet kan
indringen.
Een tweede voorbeeld zal dat duidelijker maken.
Neem een versch ei. Maak de schelp ondoordringbaar voor de lucht, door
een of ander middel dat gij daartoe best geschikt oordeelt. Het ei zal
niet bederven. Gij bekomt hetgeen wij noemen: een ingelegd ei.
Wilt gij nog meer proeven nemen?
Vul een glazen buisje met bouillon; sluit het zoo dicht, dat er geen
lucht in kan; verwarm het op 140 graden (Plaat 1, Fig. 2). Dien bouillon kunt ge voor altijd bewaren.
Open nu dit buisje enkele maanden of jaren later, en verleen alzoo de
lucht vrijen toegang, dan zal de bouillon op korten tijd onbruikbaar
zijn.
Is het dus de lucht die de spijzen bederft?
Volstrekt niet. Hier is het bewijs: breng in het buisje niet de
onzuivere lucht, maar lucht die ge op 140 graden verwarmd en daardoor
onschadelijk gemaakt hebt en de bouillon zal niet bederven. Vul een
glazen buisje met bouillon, en sluit het af met een prop watten
(Plaat 1, Fig. 3).
Verwarm daarna
den bouillon op 140 graden! Er is een speciale oven nodig om hem op 140
graden te verwarmen. Die bouillon zal niet bederven, alhoewel hij met
de lucht in aanraking komt, de lucht dringt immers door die watten naar
binnen. Maar de watten doen dienst als filter en zuiveren de lucht.
Draai de watten nu om en leg er een deeltje van in den bouillon, dan zal
hij algauw bedorven zijn, omdat de watten de onzuivere deeltjes
bevatten, die zij uit de lucht hebben tegengehouden, en deze met den
bouillon in aanraking brengen.
Besluit:
De spijzen bederven onder den invloed van zekere stoffen, die aan onze
handen kleven, in de lucht hangen.De groote
Pasteur, waaraan wij eenige weken geleden een
artikel wijdden, bewees dat die
soorten zijn: kleine levende wezens, nietige plantjes van
verschillenden aard, schimmel of giststof genaamd.
De schimmel en de giststof of plantjes leven en voeden zich bijgevolg
zooals alle levende wezens. Zij kunnen veel goed maar ook veel kwaad
veroorzaken.
Aan de giststoffen hebben wij b.v. het bier te danken. Zonder
biergisting (zie Plaat 2, Fig. A) geen
bier. Andere bederven onze eetwaren. Zij voeden zich met onze spijzen
en laten vele stoffen als ongeschikt voor hun voeding over... Zij eten
dus zooals wij, en werpen uit wat zij niet verteren kunnen.
De schimmel en de giststoffen zijn dus plantjes die het voedsel
opeten, er veel deugd van schijnen te hebben, want zij eten smakelijk
en veel, en hoe ondeugend! De uitwerpsels laten zij voor onze
rekening.
Gelief nu niet te menen dat er zoo maar één soort bestaat. Ge hebt er
dikke en dunne, groote en kleine, lange en korte, ronde en
langwerpige. Sommige houden van veel lucht, andere kunnen volstrekt
de lucht niet verdragen; zij worden er door gedood.Allen ook hebben
een zekere vochtigheid noodig. Allen behoeven zij een zekere warmte
om zich te kunnen ontwikkelen. De koude nochtans dood ze niet. Wel kan
de koude hunne ontwikkeling tegen houden, ze om zoo te zeggen in 't
slaap leggen. De warmte daarentegen doodt de giststof, wanneer ze een
zekere hoogte bereikt, die van de eene tot de andere giststof
verschilt. Deze weerstaat aan honderd graden, gene bezwijkt er door.
Ja, er zijn soorten die slechts op 140 graden en meer het leven
opgeven.
Een eigenschap kenschetst ze allen; ze zijn gulzig; hoe beter het
voedsel naar hunnen tand is, hoe meer zij zich ontwikkelen en
voorttelen. Alle wezens zijn toch hetzelfde in dit opzicht. Staan ze
op goeden grond, dan voeden zij zich gulzig en brengen vele kleintjes
voort. Alleen sommige rijke menschen maken uitzondering op deze
natuurwet.
De gulzigheid van de giststoffen sluit niet uit dat zij fijnbekken
zijn; zij wenschen het voedsel naar hun gading. Sommigen houden van
brood of vinden aardappelen lekkeren kost. Ieder houdt van zijn eigen
menu; echt bedorven kinderen. Zet u met mij aan tafel, vriend lezer,
gij zult ze beter leeren kennen en ondervinden waarmee zij het best
gediend zijn. Gelief u echter tevreden te houden met hetgeen de tafel
zooal meebrengt; moeder de vrouw had geen tijd genoeg om een warm
souper klaar te maken. Daar komt ze met de aardappelen uit den kelder.
Maar oef! Ze zijn beschimmeld! Kom, kom, zegt ze, de schimmel zit er
maar boven op. Maar ze heeft zonder de werking van dien schimmel
gerekend. Die schimmel heeft de vorm eener gekleurde schors en
bestaat uit zeer kleine plantjes. Die schimmel leeft; hij heeft de
aardappelen als voedsel opgegeten en laat als overschot een reeks
stoffen die den muffen smaak ook aan het binnenste laten
meedeelen.
Schuiven we de aardappelen al gauw opzij en eten we een
boterhammetje met wat koud vleesch; daar kunnen we 't 's avonds goed
mee stellen... Maar aan 't vleesch is ook een reukje! In den zomer
valt dat al eens voor. Waren 't nu maar sneppen! Fijnproevers houden
niet van versche vogeltjes. Maar rundvleesch met een smaakje, nee
hoor! Kijk eens goed toe, mijn vriend. Op het vleesch ligt een
grijsachtig beslag. 't Zijn weeral kleine diefjes die aan 't smullen
zijn. Zij dringen langzaam tusschen de vezels tot binnen in de
spieren en verteren gewillig het lekkere vleesch. Alles kunnen ze
niet verbruiken; zij laten den afval met de welriekende geuren voor
den huisbaas!
Daar, neem een pruim; een fijne die goed gesloten is. Wat lekker
uitzicht, een echt fluweel, een vernis. Alweer kleine plantjes die
dit uitzicht geven (zie Plaat 2. Fig. B). Zij
kunnen echter geen kwaad verrichten, de schil houdt ze tegen, de
pruim is lekker, de giststof smaakt naar nog. Neem er een tweede,
een goede rijpe, waar veel suiker in is, een zoete, een dikke, ze is
reeds opengeborsten, de suiker loopt er uit. Niet zoo goed dan ze er
wel uitziet; ze is zurig, ze heeft een wijnreuk. De giststof is door
de schil gedrongen, heeft de suiker opgegeten en alcohol als
overschot achtergelaten.
Vriend lezer, het souper valt u niet mee; mij ook niet. Om het u te
vergelden drinken wij een glaasje wijn; ik heb daar gisteren nog een
flesch ontstopt! Maar, lieve hemel, de giststof is er ook al binnen
gedrongen; zij heeft zich aan den wijnalcohol zat gedronken en mij,
spaarzame bezitter wijnazijn gelaten.
Allo, maken we er kort spel mee; een lekker kopje koffie met
molligen room? Dat zal onze slechte luim doen overgaan. Och, weeral
bedrogen! De room is zuur. Een ander soort gistelingen heeft er aan
gesmuld. Er is suiker in den room. De giststof heeft hem gebruikt en
melkzuur opgegeven. Het melkzuur heeft de kaasstof doen ronnen en
daar hebben we platte kaas in plaats van room.
Wees niet boos, vriend lezer, om het lekker (?) avondeten dat ik U
heb opgediend. Vergeet nu maar niet dat gij met te spoken tegen het
spoken der gistelingen niets vermoogt. De boeren denken wel eens dat
het spookt in de melkkan, wanneer er geen boter komt uit de melk; 't
zijn de gistelingen die er spoken.
Leg hun zonder genade de doodstraf op en stel een waker bij uw
spijzen en dranken, dan zult ge steeds hun deugden prijzen. Hoe de
gistelingen dooden? Wie zal ze bewaken? Dat is de tweede vraag.
Antwoord later. Ik verwacht U op een tweede avondmaal.