Gepubliceerd op 10 augustus 1912
|
Ik vroeg 't vanmorgen nog aan Jo: ―Hebben jullie dan geen groote mannen hier in Zwolle? Of groeien hier alleen koeien en gras?
Hij, op zijn tenen getrapt: ―Nou roemen, zeg ik, laat dat woord maar weg, het loopt zo'n vaart niet met dat roemen. Ik weet hier wel een Thomas a Kempisstraat en een Rijnvis Feithlaan en een Thorbeckegracht en een Ter Pelkwijkkade en een Potgietersingel en een Van Nahuijsplein en een Van Hulzen... Ach nee, die heeft nog niks, misschien krijgt die na zijn dood wel een bank, dat ligt nog in 't vuur niet; maar waar staan jullie standbeelden? Een groot man moet toch zijn standbeeld hebben. Anders is 't de moeite niet waard groot te wezen. En een stad zonder standbeelden is geen stad. Kijk eens bij ons, Leuven is niet eens een provinciehoofdstad zooals Zwolle en toch zijn er verscheidene standbeelden, bronzen reuzen op hooge arduinen voetstukken: je hebt daar Van de Weijer, een held van 't jaar '301, en Justus Lipsius, die een held was in 't latijn, en Pater Damiaan, die zijn leven offerde om de melaatschen te verplegen in Molokai, om niet te spreken van “le Monument Rémy” ―Ja, wij, Hollanders, doen dat kalmpjes en zuinigjes. Maar heelemaal standbeeldloos is onze goede stad toch niet: Potgieter... ―Loop rond! Dat borstbeeldje op den Potgietersingel zal je toch niet voor een standbeeld verslijten. Dat dwergachtig ding! Twee voet brons op vijf voet steen! Als je op den andere kant van 't water komt, kun je 't zonder verrekijker niet zien! Juist dat Potgieter-gedenkteekentje schreeuwt jullie schande uit. Verwey heeft nog wel een heel boek geschreven om jullie op 't hart te drukken dat Potgieter de grootste Nederlandsche dichter is der 19e eeuw en dat onoogelijk eereteken is jullie antwoord daarop. En dat in 1908, honderd jaar na Potgieter's geboorte, na al die vele jaren tijds die ge gehad hebt om u te bezinnen, om tot 't besef te komen van zijn grootheid en jullie plicht. Nee, ge kunt een les nemen aan ons, Vlamingen. We tellen nu 1912, 't vereeuwjaar van Conscience's geboorte. Ik wil onzen Conscience niet vergelijken met jullie potgieter. Laat ik alleen maar eens den mond vol nemen en zeggen ―'t steekt dit jaar zoo nauw niet― dat Conscience de grootste Vlaamsche prozaschrijver is van de negentiende eeuw. Wel, een standbeeld, een heusch standbeeld, heeft Conscience al sedert onheugelijke jaren. Ik bedoel: onheugelijk voor mij. Maar nu, in 1912, het eeuwfeest! Nu moest je eens naar Vlaanderen komen. Feest in alle steden. Tot op de dorpen toe. Daar gaan stoeten uit met praalwagens en vlaggen en bazuinen en muziek; daar worden kantaten gezongen in open lucht, door honderden uitvoerders, met begeleiding van machtige orkesten, daar worden klokken geluid, beiaards gespeeld, kanonnen afgeschoten... |
―En brouwketels bier gedronken! Kom, jongen, je maakt me niets
wijs. Ik ken het gedoe van d Vlamingen wel. Jullie houden van
kermissen, daar zit het 'm. Hier in Holland worden
kermissen langzamerhand afgeschaft, in Vlaanderen worden er
voortdurend bijgemaakt. Conscience is maar een voorwendsel om
bijeen te komen en lol te maken bij pot en glas. Dat is eens een
nieuwtje, een nieuw nummer op 't kermisprogram dat anders alle
jaren 't zelfde is. Wees nou eens eerlijk, je bent toch ook niet
van gister, beken eens dat Conscience niet zoo'n ontzaglijk
groot schrijver is, in elk geval niet groot genoeg om al die
drukte en al dat gefeest te wettigen. Conscience schrijft niet
eens zuiver Nederlandsch. Prof. De Vreese heeft een dik
boek geschreven over gallicismen en zijn levende
landgenooten op 't zondaarsbankje geplaatst; hij had dat niet
behoeven te doen, met de gallicismen van Conscience alleen al
had hij een foliant kunnen vullen. Conscience had geen gehoor
voor de klankwaarde van de taal, zijn beeldspraak is
conventioneel, vaak onecht, zijn stijl, voor ons, voor mij is
zijn stijl onuitstaanbaar, de menschen van zijn romans zijn
onecht, in de dorpsvertellingen zoowel als in de historische
romans. Er zijn tegenwoordig in Vlaanderen tientallen van
schrijvers die beter schrijven dan Conscience.
―Jo, tu vois bien quelque chose, mais tu ne distingues pas bien. De Vlamingen lusten inderdaad een pint, te zeer zelfs, dat geef ik toe, en als ze wat minder kermisten zou 't hun geen kwaad doen. Maar, neem niet kwalijk, ik vermeen dat je de beteekenis van een feest als het Consciencefeest niet recht vat. Hier is wat meer in 't spel dan pretmakerij... En Conscience is wat meer dan een voorwendsel. Bij al zijn gebreken, waarvoor we geenszins blind zijn, heeft hij onschatbare verdiensten, die vrij wel samengevat zijn in het mondgemeen gezegde: Hij heeft zijn volk leeren lezen! Je moet je even den toestand der Vlamingen indenken nadat de “Belgen” hen, in 't jaar '30, van jullie, Hollanders, gescheiden hadden. Na die Waalsche overrompeling kregen ze niets meer te lezen, verleerden ze de leeskunst. Ze waren als kinderen die van school af zijn en geen boek meer opnemen omdat er geen enkel is dat hen bevalt, dat op hen berekend is. Toen kwam Conscience en kreeg ze te pakken; hij schreef de boeken die ze noodig hadden. Noem die boeken onbeholpen, kinderlijk, naïef - mij wel; maar ze hebben een volk van den dood gered. Conscience heeft de behoefte gewekt aan geestelijke spijs. Had Conscience zijn volk niet leeren lezen, dan had zijn volk nu niet geroepen om een Vlaamsche Hoogeschool. Voor al die nog moeten leeren lezen, voor de jeugd, voor de eenvoudigen van ten lande, zullen de boeken van Conscience hun waarde behouden, zullen ze blijven: wekkers van geestelijk leven, wekkers van zelfbewust, daadkrachtig Vlamingschap. De Leeuw van Vlaanderen is een epische redevoering, een oratorisch verhaal, alles behalve een roman in den modernen zin van het woord, maar wat zou dat? Hij wekt geestdrift en liefde voor Vlaanderen, hij is de Vlaamsche Illias, zei Rodenbach, hij is een strijdlied en een zegezang; hij leeft, is dat niet genoeg? Voor ons, die sedert lang kunnen lezen, die zelfs kritisch lezen, zijn Conscience's boeken moeilijk te genieten. Maar dat hindert ons niet hem van harte te bejubelen. Conscience is voor ons een vlag, Conscience is voor ons de Vlaamsche beweging, het Vlaamsch Ontwaken, de Vlaamsche Hoogeschool, het Vlaamsch leven, Vlaanderen zelf, en de Consciencefeesten zijn niets anders dan de luide, krachtige, uitbundige jeugd- en levensuitingen van een volk dat ontwaakt! ―Goed gesproken, maar laat ons nou koffie drinken... Zwolle, J. D. C.
|