|
Gelijk Goethe kon Hendrik Conscience zeggen, dat hij van zijn vader “die Statur” had,
en van zijn moeder “die Lust zu fabuliren”.
Voor wie Conscience slechts door de beelden kent, welke van
hem gemaakt werden in verschillende tijdperken van zijn leven,
is onze Vlaamsche schrijver een indrukwekkende figuur, en hij
die hem in leven heeft gekend, heeft het beeld bewaard van een
man, die door zijn innemend voorkomen eerbied inboezemde, ja,
ontzag afdwong.
Conscience had dit van zijn vader, den Franschen zeeman, die op
de oorlogsvloot onder Napoleon had gediend, en die, na zijn
diensttijd, in 1807, te Antwerpen als onder-havenmeester
werd aangesteld.
Conscience werd geboren den 12en December 1812 in een huisje der
Pompstraat, nabij de haven1 van Antwerpen.
Zijn moeder was eene Vlaamsche vrouw, welke haren zoon in zijn
kindsheid heeft verteld al de Vlaamsche vertelsels, die wij als
kinderen eens gehoord hebben.
Daaruit heeft hij, gelijk Goethe, den zin tot dichten behouden.
Conscience verloor zijne moeder toen hij acht jaar oud was; hij
heeft van haar het heiligste aandenken bewaard.
Hoevele prachtige beelden van moeders heeft hij in zijne werken
niet geteekend, te beginnen met dat diep aangrijpend tafereel:
Wat eene moeder lijden kan?
Als kind was Conscience zwak en ziekelijk. Zijne moeder had het
voorgevoel dat haar zoontje niet lang meer zou leven; daarom
waren hare zorgen en hare liefde des te grooter, en veel sprak
zij hem van de engelkens en van den schoonen hemel met het
kindeken Jezus, van den engelbewaarder en van brave kinderen,
die beloond werden in den hemel.
Die goede moeder heeft Conscience maar enkele jaren kunnen
liefhebben, en dat in de eerste jaren der kindsheid, wanneer
alles een kind zoo schoon toeschijnt.
Toch had zij alle hoop niet opgegeven en bad dagelijks met haar
zoontje voor zijne genezing...
De dokter had gezegd dat als het kind goed verzorgd werd en het
zeven jaar kon bereiken, het nog eens een flinke man zou worden.
En dat viel zoo uit.
De brave moeder, die al haar zorgen aan haar ziek zoontje had
gewijd, had nog het geluk hem stilaan gezonder en kloeker te
zien worden, en zij verliet met dien troost het aardse leven.
Na de dood zijner vrouw, ging Conscience2 buiten de stad wonen in een houten huis, dat
hij zelf getimmerd had met hout van gesloopte vaartuigen. Hij
dreef toen handel in hout, welke hij later voor dien van papier
en oude boeken verwisselde.
Dat houten huis stond op een grooten hof met een dichte haag
omringd, op de plaats waar nu de prachtige Antwerpsche dierentuin is. Het was de beroemd geworden Groenen Hoek.
Hendrik had nog een jongeren broeder, Jan geheeten. Die twee
knapen speelden in volle vrijheid in den tuin, waarin alles
groeide als in eene kleine wildernis, terwijl vader uit was voor
zijn handel. In den tuin waren zij meester en veel aan hun
zelven overgelaten. Daar heeft Hendrik de eerste indrukken
opgedaan van de groeiende en bloeiende plantenwereld met vogels
en insecten, die in hem tot een buitengewone liefde voor de natuur
en haren Schepper zijn geworden en aan welke wij zoo menige
schoone bladzijde, zoo menige heerlijke beschrijving, te danken
hebben.
Toen vader Conscience nog in de Pompstraat woonde, bracht zijn
oudste zoontje dikwijls zijnen tijd door met de oude boeken, die
op den zolder lagen, te doorbladeren. Zijn geliefkoosd boek daar
en in den Groenen Hoek was: Johan Nieuhofs gedenkwaardige zee- en landreizen, gedrukt bij Jacob van Meurs, in 1682,
te Amsterdam. Uit zijn vurige begeerte naar boeken met
reisbeschrijvingen en avonturen, versierd met fraaie platen,
gelijk er in Holland, in de 17e eeuw, vele prachtige werden
gedrukt, zal in Conscience zeker wel zijn ontstaan de
beschrijver, de verteller van zoovele gebeurtenissen uit de
geschiedenis, evenals uit het werkelijke leven.
Zijn vader had hem al zeer vroeg leeren woorden lezen in een of
ander van de wonderbare boeken, en de oude zeeman zelf was door
het wonderbare, het avontuurlijke aangetrokken, hij, die aan
gevaarlijke tochten en zeeslagen, tijdens den oorlog van
Napoleon tegen Engeland, had meegedaan. Geen wonder dus dat
in den jongen Conscience de zucht tot lezen groot werd, en dat
hij, na de eerste moeilijkheden overwonnen te hebben, spoedig
vorderingen maakte en boeken kon lezen, en boeken verslond.
Toen Hendrik veertien jaar oud was, hertrouwde zijn vader, die
toen nog negen kinderen kreeg.
Er werd uitgezien naar een betrekking voor de twee oudsten,
Hendrik en Jan. Hendrik werd hulponderijzer te Borgerhout.
De familie had den Groenen Hoek verlaten en vestigde zich te
Borgerhout in en huis der Prinsenstraat, dat nu geheel herbouwd
is en waarvan er slechts een paar binnenmuren zijn
overgebleven.
Conscience was als onderwijzer achtereenvolgens aan drie
gestichten werkzaam.
In de school van den heer Verkouwen, te Borgerhout,
vervolgens in die van den heer Shaw, en eindelijk in het
hooger gesticht Delin, waar de kinderen en
jongelieden der begoede burgerij school gingen, en dat zeer
geacht werd.
In zijne betrekking van ondermeester te Borgerhout, heeft
hij zijn eerste letterkundig opstel gemaakt; zoo getuigde hij 't
later zelf.
Hij gaf ook les in 't Engelsch, waarvan hij de eerste beginselen
van zijnen vader had geleerd, die nu en dan wat Engelsch, de
zeetaal, met zijne zonen sprak. Hij volmaakte zich in die taal
en bij M. Shaw begon hij grondig Fransch te leeren, de taal, die
hij het meest met zijn vader had gesproken, terwijl zijne
Vlaamsche moeder hem in 't Vlaamsch opvoedde en in 't Vlaamsch
vertelde.
Conscience was intusschentijd in betrekking gekomen met den
bloemist Van Geert, te Antwerpen. Later vond de jonge
Conscience bij de familie Van Geert immer vriendschap en
aanmoediging, en studeerde er grondig bloemen en planten.
Uit die betrekking en die studie ontstond een zijner beroemdste
boeken: Eenige bladzijden uit het boek der Natuur.
* * *
Conscience was nog leeraar bij M. Delin op de Meir, te
Antwerpen, toen de omwenteling van 1830 uitbrak.
In Frankrijk had men den troon der Bourbons omvergeworpen
en in België wachtten de Franschgezinden maar op een teeken om
ook “revolutie” te maken, verlokt als men was door het woord
Liberté.
Gelijk vele vurige jongelingen, die smachtten naar avonturen,
werd Conscience vrijwilliger in het Belgisch leger. De jonge
soldaat geraakte in de roes der beweging, gedurende de dagen van
schrik, die de bewoners had aangegrepen, toen Chassé van
uit de vesting Antwerpen beschoot. Hij zou dan tegen den vijand
oprukken en vechten.
Het leven van soldaat ging hem echter niet, gelijk wij genoeg
weten uit zijne Geschiedenis mijner Jeugd. Hij werd
ziek in dienst en kreeg van zijnen overste een
logementbiljet om in een Kempisch dorp verblijf te gaan
zoeken. Hij kwam in het hutteken te Baelen, waarvan hij de
bewoners en hun leven zoo aangrijpend heeft geschilderd in zijn
Omwenteling van 1830.
Om zijn vriendelijkheid werd hij er bemind en zoo goed verzorgd,
dat hij na eenige dagen genezen was.
Zijn dromerig karakter kwam niet overeen met al de ruwheid van
het krijgsleven; maar door zijn verblijf in de Kempen kreeg
die streek voor hem een groote aantrekkelijkheid.
Zijn schoonste boeken uit de eerste jaren zijn verhalen uit de
Kempen. De schoonheid en de eenzaamheid der heide heeft hij
gevoeld en beschreven zooals niemand.
In 1834 was Conscience met verlof in Antwerpen en trof er den
jongen heelmeester, Jan Delaet, die later zijn
boezemvriend werd. De jonge Delaet hield zich bezig met Fransche
letterkunde en hield machtig veel van de Fransche romantiekers.
Die liefde wist hij aan Conscience ook in te prenten, en beide
vrienden gingen aan 't rijmen... in 't Fransch, zij die later
zulke kloeke verdedigers der taal van hun volk zouden worden.
Door Jan Delaet kwam Conscience te Antwerpen ook in betrekking
met schilders en schrijvers, die meest allen door de
overdrevenste romantiek waren meegesleept, onder andere met
Van Kerckhoven, die hem later zooveel kwaad zou
berokkenen...
De vergaderingen hadden elken dag plaats in Het Zwarte Paardeken in de Padden hoek.
Conscience las in die dagen het bekende werk van
Guicciardini: Beschrijving der Nederlanden, waarin
de tooneelen uit den beeldenstorm in de XVIe eeuw hem zeer
troffen. Dat zou hem, wellicht om der wille van geweld en
woeligheid, voedsel der toenmalige romantiek, stof geven voor
zijn eerste boek Het Wonderjaar. Hij had het eerst in
't Fransch begonnen, maar hij beproefde het in de volkstaal en
dat ging veel beter.
Hij las de eerste bladzijden voor aan Jan Delaet, die ook reeds
de Fransche muze had vaarwel gezegd... Delaet was door de lezing
verrukt en besloten werd het boek te laten drukken.
Conscience's ouders liepen niet hoog op met eenen zoon, die
schrijver zou worden. Hij geraakte daarover thuis in
moeilijkheden en ging zijnen intrek nemen in den Koning van Spanje. Hij bezocht veel de familie Van Geert waar hij
troost en steun vond.
* * *
Het Wonderjaar verscheen in 1837.
Conscience's naam was op aller lippen, en zijne faam verspreidde
zich tot aan het Hof, bij koning Leopold I. Door toedoen
van zijnen vriend, den schilder Wappers, werd hij door den
vorst aangemoedigd en deze ontving hem ten paleize van Brussel
om hem geluk te wenschen.
In 1837 verscheen een tweede werkje: Phantazij.
Het sterk romantisch gekleurd boek in bombastische taal
opgesteld, voegde niets toe aan den goeden naam door Conscience
alreeds verworven. Het had geen bijval. Conscience zelf was
teleurgesteld en had bovendien met geldelijke moeilijkheden te
kampen. Hij had niet veel moed meer om nog met schrijven voort
te gaan. Er kwam toen geldelijke hulp uit het paleis te Brussel,
wat Conscience weer moed gaf. Hij besloot eenen anderen weg in
te slaan. Hij had ondervonden, dat het midden van al die
rumoerige artisten, overdreven romantiekers waaronder de
politiek begon te broeien, menschen waren waarvan de meesten
weinig ontwikkeld en geletterd waren, voor hem weinig voordelig
was.
Hij besloot een nationalen historischen roman te schrijven, die
tot ontwerp zou hebben den strijd der machtige Vlaamsche
gemeenten tegen Frankrijk.
Hij reisde met Jan Delaet naar Vlaanderen en vond in
Brugge gulhartig onthaal. De geleerde archivaris O. Delepierre deed hem de bronnen aan de hand voor zijn beroemden
Leeuw van Vlaanderen
,
die in 1838 afgewerkt was.
De ontluikende Vlaamsche letterkunde bezat thans een
meesterwerk, dat in vele talen vertaald, wereldberoemd zou
worden.
De Vlaamsche Beweging is door dat boek in het volk
gedrongen, en voortaan zou zij stil maar zeker de zege naderen.
De uitgave van den Leeuw van Vlaanderen bracht
Conscience nog geen stoffelijk voordeel bij; dit ontmoedigde den
schrijver.
En tot overmaat van ongeluk viel er toen een feit
voor dat Conscience diep te neder drukte. In Februari 1839 hield
hij eene heftige redevoering om verzet aan te teekenen tegen het
afstaan aan Holland van Luxemburg en Limburg.
Sommigen juichten hem toe, anderen keurden hem af en noemden hem
een oproerkraaier.
Conscience was er zoo diep door getroffen, dat hij voor goed
besloot het letterkundig leven vaarwel te zeggen. Hij werd
bloemist bij Van Geert. Hij bleef daar maanden stil werken,
verzorgde en bestudeerde er de planten; doch zat soms uren in
den tuin te dromen.
* * *
Eene redevoering had hem onheil berokkend, eene andere zou hem
weerom omhoog helpen.
Toen de bestuurder der Academie, schilder Van Bree stierf,
kwamen zijne vroegere vrienden hem vragen, eene Vlaamsche
lijkrede over den kuntenaar te willen houden, opdat niet alles
in het Fransch zou zijn. Conscience stemde toe, sprak eener
zijne schoonste redevoeringen uit, en won dien dag in Antwerpen
het hart van al wat aan kunst en letteren deed. Hij was weerom
gelukkig en zette in stilte zijnen arbeid voort.
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
In 1843 verscheen een tweede uitgave van Het Wonderjaar, eenigzins omgewerkt en gezuiverd van te ruwe
tooneelen en uitdrukkingen om zijn boek te kunnen doen aannemen
door het Staatsbestuur; want hij had steun noodig voor zijne
uitgaven, die hij zelf ondernam.
Dat deed in Antwerpen weer een tempeest ontstaan; men
beschuldigde Conscience aan eene politieke partij verkocht te
zijn. Men lasterde hem; men verguisde hem en de “partij van Frankrijk” vroeg niet beters dan bovenarms te vallen op hem,
die haar inzichten door zijn machtig Vlaamsch werk zoo geweldig
tegenwerkte... In de kunstenaarswereld was men nijdig over
zijnen bijval... Conscience stootte op vele tegenkanting omdat
hij vooral een overtuigd Vlaamschgezinde was, met een duidelijk
programma, afgekondigd in de krachtige voorrede der eerste
uitgave van De Leeuw van Vlaanderen.
Van hooger hand werd hij echter aangemoedigd en door den koning
verzocht om eene Geschiedenis van België te schrijven.
Men had wel gevoeld, dat men in Conscience, ofschoon vurig
Vlaamschgezinde, een echte Belgischen vaderlander had.
Het boek verscheen in 1845 en de schrijver werd door den koning
benoemd tot ridder in de Leopoldsorde.
Conscience was intusschen in den vreemde zeer bekend geworden.
Zijn werkjes: Hoe men schilder wordt en Wat een moeder lijden kan, echte volksverhalen met opvoedende kracht,
verschenen in een tijdvak van sociale beroering als de jaren
veertig, werden vertaald door den prins bischop Von Diepenbrock van Breslau.
Karl André vertaalde ook in het Duitsch De Leeuw van Vlaanderen.
Conscience was is 1841 benoemd geworden tot griffier der
Academie te Antwerpen, door bemiddeling van zijn vriend Wappers
en hij werkte nu gestadig voort...
Achtereenvolgens verschenen: Graaf Hugo van Craenhove
(1845); Avondstonden; Eenige bladzijden uit het boek der Natuur; Lambrecht Hensmans en de groote
historische roman Jacob van Artevelde (1849).
* * *
Hoe meer bijval Conscience genoot, hoe meer men hem aanviel.
Hij was in 1842 gehuwd met Maria Peinen, eene goede,
eenvoudige vrouw, die van hem eens getuigde: “God is goed, maar
Conscience is zoo goed als God!”
Treffende woorden die den edelen mensch schilderen.
Nochtans maakte men hem uit, in de geweldigste dagen, voor een
slecht mensch, en geen laster, zelfs de gemeenste niet, werd hem
gespaard.
Het was alsof de hel al haar venijn had gespuwd, en die jaren
veertig zijn zeker wel de treurigste bladzijden in de
geschiedenis der Vlaamsche Beweging, die zoo laf en zoo
ongenadig door de “partij van Frankrijk” en hare Vlaamsche
handlangers werd aangevallen...
Men walgt als men het nu leest; maar Conscience klimt hooger in
onze achting.
Wat men Conscience niet kon vergeven was dat hij eene macht
geworden was tegen het indringen van radicale Fransche gedachten
bij het Vlaamsche volk.
Men had hem ook tot radicalen politicus willen maken en hij
wilde niet.
Hij antwoordde zeer bedaard, dat hij bij geene politiek is
aangesloten, en, zei hij, als er eene partij zal bestaan die
inderdaad nationaal is, dan zal ik gelukkig zijn, in hare rangen
te treden. Tot dan, gaat hij voort, houd ik mij in mijnen
werkkring, die niets bevat dan het bewaren der zeden, het geloof
en de taal onzer voorvaderen, van alles wat ons als natie
kenmerkt en onze zedelijke en politieke onafhankelijkheid zal
waarborgen.
Die woorden zijn te onthouden.
Dat was Conscience's programma en aan dat programma is hij immer
getrouw gebleven.
Hij strijdt tegen wat hij noemt: de booze politiek der verfransching der Vlamingen; hij eerbiedigd geloof en zeden van
onze Vlaamsche voorvaderen. Doch daarom ook werd Conscience
heviger dan wie ook, bekampt, omdat hij bestand was tegen
degenen, welke die “booze politiek” doordreven en ook tegen
degenen die niets eerbiedigen van wat Conscience gezegd had te
zullen eerbiedigen.
Hij had dus tegen hem franschelarij en anti-nationale
politiek.
De strijd werd zoo gemeen, zoo laag tegen Conscience gevoerd,
dat hij Antwerpen ontvluchtte en naar de Kempen trok. Daar
schreef hij: De Loteling, Baas Gansendonk,
Houten Clara, De arme edelman,
Rikke-Tikke-Tak,
enz...
In de voorrede van De Loteling en Baas Gansendonk kunnen wij lezen hoe het hem in de ziel gesteld was
na die hatelijke aanvallen en vervolgingen der jaren veertig.
* * *
Conscience werd toen ook in Frankrijk bekend.
De Loteling werd
in het Fransch vertaald door Alex. Dumas
.
Nu teekende onze Vlaamsche schrijver eene overeenkomst met het
huis Lévy van Parijs, voor de Fransche vertaling van al
zijne werken.
Zijne Vlaamsche helden werden overal bewonderd; zijne Vlaamsche
menschen werden overal bemind.
Zooals vroeger onze schildersschool, heeft hij den naam
Vlaanderen - het woord Vlaming aan de heele
beschaafde wereld herinnerd.
En daarop mogen we trotsch zijn.
In 1857 werd Conscience,
door tusschenkomst van zijn vriend De Decker, benoemd tot
arrondissementscommisaris
te Kortrijk.
Hij verbleef daar elf jaar.
Hij schreef er de volgende werken:
Batavia Mengelingen Simon Turchi De kwaal des tijds De jonge dokter Het ijzeren graf Bella Stock De burgers van Darlingen Het Goudland Moederliefde De Koopman van Antwerpen Eene uitvinding des duivels Menschenbloed De ziekte der verbeelding Bavo en Lieveke De burgemeester van Luik Valentijn
en eindelijk Levenslust dat in 1868 verscheen.
In Kortrijk kende Conscience niets dan vrienden en hij deed er
letterkundig leven ontstaan.
Te Kortrijk bezocht hem de Koning en ook andere vorsten kwamen
hem daar groeten.
Victor Hugo en Dumas waren daar bij hem te gast.
Over zijn intiem leven schreef ons zijne dochter, Mevrouw
Antheunis, geboren Maria Conscience, in haar onlangs
verschenen boek: Eenige bladzijden uit het leven mijns vaders.
In 1868 werd hij door bemiddeling van minister Van den Peereboom, zijnen vriend, benoemd tot bewaarder der Koninklijke
Museums te Brussel met verblijf in het Wiertz-museum.
In die prachtige woning, te midden van een fraaien tuin, sleet
hij zijne laatste levensjaren en vermeerderde nog elk jaar de
reeks zijner werken.
Het eerste werk dat nu het licht ziet is de prachtige
historische roman De Kerels van Vlaanderen, die met
De Leeuw van Vlaanderen en Jacob van Artevelde
eene trilogie vormt, het schoonste monument dat door een Vlaming
aan het heldengeslacht der Vlaamsche gemeenten werd opgericht.
Wat men ook over Conscience's historische romans moge gezegd
hebben en gepoogd om den strijd der gemeentenaren onder een
ander daglicht te stellen, Conscience had dien heldenkamp
gevoeld, en, alhoewel romanticus in zijne opvatting, staat hij
veel nader tot dien strijd, gestreden om Vlamingen tegen den
Franschen indringer te beschermen, dan al de vroegere en latere
historici te samen.
Na ze alle gelezen te hebben, moet de geletterde Vlaming ―de
eischen der kunst terzijde gelaten― in niets zijne meening
over Conscience's werk wijzigen.
Conscience was een stambewuste Vlaming, en zijne stambewustheid
was gesteund op grondige kennis en schrander doorzicht van den
rassenstrijd in Europa. Dit straalt in al zijn werken door, te
beginnen met De Leeuw van Vlaanderen, Hlodwig en Clotildis, Geschiedenis van België en verder in
al zijne historische werken.
Te Brussel schreef hij nog de volgende werken:
Eene O te veel Koning Oriand Een goed hart Eene stem uit het graf Een zeemanshuisgezin Een slachtoffer der moederliefde De twee vrienden De baanwachter De Minnezanger De keus des harten Everaard 't Serclaes Een verwarde zaak Schandevrees De Gerechtigheid van hertog Karel De oom van Felix Roobeek Het wassen beeld Een welopgevoede dochter Eene gekkenwereld Geld en adel
en eindelijk Geschiedenis mijner Jeugd.
Beurtelings ontleende hij zijne onderwerpen aan het
hedendaagsche volksleven en aan de romantische middeleeuwen, het
heldentijdperk van den Germaanschen kultuurkamp, het Germaansch
leven met zijn ridderdom, zijne minnezangers, zijne sagen en
legenden.
En Conscience wist wat hij deed toen hij dit tijdperk voor
zijnen kunstarbeid verkoos.
Hij wist dat daaruit voor de ontaarde Vlamingen weerom het
stambewustzijn kan groeien. Hij wilde de Germaansche
middeleeuwen verheerlijken, die door het Fransche radicalism der
revolutie vuig waren gelasterd. En hij heeft zijn doel bereikt!
Hij werd gelezen door alle Vlamingen en de Vlamingen hebben hem
begrepen.
Van hut tot paleis, overal werd hij hooggeschat en bemind.
Hij zelf beminde zoo innig zijn Vlaamsche volk.
Uit die liefde is zijn werk geboren.
Conscience's werk is een werk van liefde!
Te Brussel vierde men hem koninklijk, in 1881, bij de
verschijning van zijn honderdste boekdeel.
Hij stierf in 1883 en werd te Antwerpen onder den toeloop van duizenden begraven op het
Kielkerkhof. Op zijn graf rijst eene eerezuil met de gouden woorden die hij
eens schreef: GIJ ZULT UW VADERLAND BEMINNEN, EN ZIJNE TAAL EN ZIJNEN ROEM.
* * *
Conscience was een echte volksschrijver. Hij kende de groote
drijfveren van 's menschen handelen; hij gevoelde den polsslag
van het gezonde, sociale leven; hij wijdde zijne kunst aan zijn
ideaal - de heropbeuring van Vlaanderen en het Vlaamsche volk.
Conscience had den mensch lief; hij beminde in de natuur het
levende, het schoone, het gezonde; niet de verrotting en de
ontbinding.
Conscience aanbad den Schepper aller dingen.
Conscience legde die diepe overtuiging in al zijne werken.
En wat de lezer in Conscience's werken liefheeft, is de betere
mensch, de mensch met eene ziel, de mensch met zijn geloof en
zijne hoop, zijne hoogere bestemming, de mensch met zijne kennis
vangoed en kwaad, met zijn streven naar geluk, vooral
zielsgeluk,met zijne gerustheid van geweten, zijn adel van
zielegrootheid, de mensch met zijnen stamtrots, levende ten
midden van zijn ras, dat hij groot wil zien, opbloeiend door
zijne kunst en zijne letteren, de mensch, bezield door zijne
taal, uitdrukking zijner gedachten en gevoelens, de mensch
evenbeeld van God!
Conscience was voor Vlaanderen eene hoogeschool, zoolang de
“booze politiek” aan zijn volk eene hoogeschool weigerde.
En zoo wij ons eerlang eene hoogeschool zullen veroveren, zal
het grootendeels aan Hendrik Conscience te danken
zijn.
Omer Wattez.
|