Gepubliceerd op 21 december 1912
|
Alhoewel er voor ons Vlamingen op het leven van graaf
Verspeyen een groote schaduwvlek ligt, zou het toch
onbillijk zijn, dezen grooten meester van de pen en van het
woord niet naar verdienste te gedenken.
Graaf Willem Maria Verspeyen werd geboren te Gent op
10 Mei 1837. Na zijne humaniora in het College Sint Barbe van
Gent te hebben gedaan bestudeerde hij wijsbegeerte in de
officieele Gentsche Universiteit.
* * *
Gedurende een halve eeuw is Verspeyen de vaandrig en de klaroenblazer
van de belgische katholieken geweest.
Niemand zooals hij, heeft zoo onversaagd met de katholieke vlag
voorwaarts gerukt, niemand zooals hij kon in de harten der
katholieken zo'n geestdriftige siddering doen ontstaan.
|
In zijn talrijke dagbladartikelen, in zijne conferenties, in zijn 50
jaarlijkste rapporten van den Sint Pieterspenning, in zijn talrijke
redevoeringen, treft men steeds denzelfden geest aan, vindt men
steeds dezelfde grondgedachte terug: het recht van Christus op onze
zielen, onzen plicht om onze zielen aan God te geven. Altijd komt in zijn werk hetzelfde luide protest terug tegen de verkrachting van het recht en tegen de hinderpalen om de vervulling der plichten te beletten. Men kan gerust van hem zeggen dat hij vanaf zijne kindscheid geen enkel artikel geschreven heeft waarin deze leidende gedachte niet voorkomt. Vóór alles was Verspeyen een milde zaaier der christelijke leer. Noode scheen hij zich bezig te houden met de kleinzieligheden der politiek en wanneer de omstandigheden eischten, dat hij zich over eene politieke kwestie uitliet, dan stelde hij zich tevreden er eene verzoenende oplossing aan te geven, die al zijne vrienden voldoening zou schenken en die de éénheid der katholieken, die volstrekt voor de hoogere belangen noodig was, zou bewaren en bestendigen. De krachtige pittige stijl evenaarde bij den schrijver de degelijkheid van inhoud. Hij muntte er vooral in uit om verschillende keeren dezelfde gedachte onder nieuwe, oorspronkelijke en aantrekkelijke vormen voor te brengen, zoodat ze onwillekeurig dieper en dieper in den geest van den lezer drongen. Hij kon de meest ingewikkelde kwesties vereenvoudigen door doodgewone beelden en oorspronkelijke vergelijkingen, soms zelf door humoristische zetten. Hij gebruikte steeds uitdrukkingen die immer juist en krachtig waren en nooit grof. Als een waar journalist wist hij steeds aan zijn artikelen een actueel belang te hechten. Al deze hoedanigheden, die wij vinden in den journalist, vinden we ook terug in den redenaar. Par la parole et par la plume, zoo heet het groote werk, waarin de hoofdopsteller van Le Bien Public eenige zijner voortbrengselen heeft verzameld, zoo vat zich tevens het program van dezen katholieken voorvechter samen, die met even veel bijval de perstribune en de redenaarstribune onzer katholieke vereenigingen beklom, maar die tevens deze laatste slechts als aanvulling van de eerste beschouwde. Spijtig en onbegrijpelijk tevens dat praktische geesten zooals Verspeyen niet beter de belangen en de ontwikkeling der Vlaamsche Beweging hebben kunnen doorgronden. Verspeyen behoorde tot de oude school van het geslacht, dat de toestanden van korts na '30 wilde in voege houden... Het Fransch zou de bevoorrechte taal der burgerij en hoogere standen moeten blijven en het Vlaamsch zou slechts in die mate moeten gehuldigd worden, dat de mindere man in zijn dagelijksche betrekkingen zou kunnen geholpen worden. Een streven naar hoogere beschaving door middel der Vlaamsche taal wilde er bij hem niet in. Kenschetsend hiervoor is hetgeen hij schreef ter gelegenheid van de Coremanswet, onder haren eersten vorm voorgedragen: “Quant á inscrire sur le drapeau catholique les revendications flamandes, jamais!1” Telkens er ook een Vlaamsche wet ter sprake kwam, trad Verspeyen in Le Bien Public als beslist tegenstander daar van op, en, slechts noodgedwongen en schoorvoetend, leidde hij zijne gelederen in de richting van het voortrukkende Vlaamsche leger. Zoo verging het hem met de onderscheidene Coremanswetten en vooral met de wet op het middelbaar onderwijs en laatst met de wet voor de vervlaamsching der Gentsche Hoogeschool. Het taalvraagstuk is bij Verspeyen een contingence gebleven. Wij weten dat de man ter goeder trouw geweest is. Verspeyen was een eerlijk katholiek strijder. En wij willen aannemen dat zijne houding tegenover de Vlamingen hem ingegeven werd door een verkeerde, doch achtenswaardige opvatting. Moest hij in den dampkring der huidige politieke en maatschappelijke wereld zijn opgegroeid, voorzeker waren zijne meeningen anders geweest.
|