Vorige: Ook over Conscience.   Omhoog: België.   Volgende: Dr phil. germ. August Borms.
Inhoudsopgave   Index


Gentil Antheunis.

Gepubliceerd op 17 augustus 1912

Zelden heeft Ons Volk beter dan heden zijn taak vervuld, nu het een dichter als Antheunis weer brengt tot het volk. Hoe de man zoo weinig bekend is geraakt en nu zoo vergeten, is eigenlijk een raadsel; want de paar verzen van hem die elken Vlaming op de lippen liggen, smaken toch naar meer en “Ik ken een lied” moest voor allen een lokaas zijn geweest om meer liederen van hem te kennen.

GAntheunis Gentil Theodoor Antheunis was een Oudenaardsche jongen... Den 9en September 1840 begon de zachtkronkelende Schelde voor 't welkome kind haar wiegelied te murmelen en hem de poëzie in zijn oortjes te zingen. Want het Oudenaarsche landschap bleef in zijn dichterschap hangen:

Vergeten! Kan ik U vergeten,
De weiden, waar ik heb gespeeld...
Maar 't bleef niet lang spelen voor hem. Algauw moest hij uitzien naar een broodwinning. Toch zocht hij weer al zingende:
Een rijmken hier, een rijmken daar,
Bij arbeid en zorgen en plichten...
De zonne schijnt zoo lachend klaar,
Men moet eens zijn zinnen verlichten.
Die arbeid bestond aanvankelijk uit een onderwijzerschap te Eekloo. Dit althans was de heugenis, die in mijn schooltijd onder de studenten van 't bischoppelijk college ginder nog rondging: Antheunis leeraarde daar in een der lagere klassen van dat bloeiend gesticht.
Misschien door Ledeganck's voorbeeld gestrekt, wilde ook dit onderwijzertje maatschappelijk hooger. En in 1864 nam Gentil Antheunis zijn inschrijving op de Gentsche Hoogeschool voor de Rechten. Hij studeerde flink, maar hij vond steeds tijd voor “rijmkes” ook, en Vlaamschgezinde vooral. En die zond hij ter inzage naar aller Vlaamsche Meester, naar Hendrik Conscience, toen arrondissementskommisaris te Kortrijk. Deze vijf en twintigjarige student was als een zoon van de Middeleeuwsche minnezangers; even lief waren hem poëzie en muziek. Taal, stem, melodie, klavier; voor alles wat het leven kan doen zingen was Antheunis even begaafd.
De latere Mevrouw Antheunis vertelt het ons zelve: “In Februari 1867 ontvingen wij voor den eerste maal te Kortrijk den heer G. Th. Antheunis, toen nog student aan de Hoogeschool te Gent. Op het verzoek mijns vaders zette de jonge dichter zich aan de piano en zong eenige Vlaamsche liederen. Zijn stem was de schoonste, de welluidendste die ooit mijn vader zijn ooren trof, zoo betoverend dat geen van ons ze kon vergeten. Mijn vader, zoo gevoelig voor muziek, drukte hem ontroerd de hand, en hem geluk wenschende, verzekerde hij hem, dat hij ten onzent immer welkom zou zijn”1

Na voltooiïng van zijn studiën, kreeg Antheunis, door invloed van Conscience, zijn benoeming als vrederechter dichtbij Kortrijk, te Oost-Roozebeke, in 1868. Maar datzelfde jaar verhuisde Conscience naar Brussel, en in 1870 werd Antheunis vrederechter te Torhout. Zoo zaten ze erg ver van elkander. Toch werden de bezoeken van Antheunis steeds talrijker, en ze golden nu ook Conscience's eenige dochter, straks zijn eenig overblijvend kind, de aangebeden Maria.
MariaConscience 't Jaar nadien, in 1871, drukte Conscience Antheunis als zijn schoonzoon aan het hart. 't Jonge paar nam zijn intrek te Torhout. Daar zouden ze nog zes jaar wonen, en van daaruit kon 't nieuwe gezin vader en moeder Conscience in den zomer te Blankenberghe vervoegen.
In 1874 verscheen 't eerste bundeltje van Antheunis' gedichten bij een nederig uitgever te Dendermonde: “Uit het Hart”. 't Was een feest ook voor Conscience, maar nog grooter een feest was 't toen de jonge Hendrik Antheunis in de armen van zijn beroemden peter kraaide. 't Wichtje bracht aan grootvader, in plaats van doodgewone doopsuiker, een zilveren pen met vaders gedichtje daar bij:

Ja vlekkeloos als zilver blinkt uw gansche leven;
En dierbaar ook als zilver is uw doel, uw streven,
En zuiver als het blank metaal
Zijn uwe werken, uwe taal.
Een zilveren pen is steeds uw pen gebleven,
Het ware, 't schoone, 't goede hebt gij steeds verheven,
En 't boek dat uwen name draagt
Mag men aan kind en maagd
In volle ruste geven.
Daarom, op dezen blijden dag,
Komt 't wicht, met schuldeloos handje en lach,
Een zilveren pen als feestgeschenk u reiken.
En kon uw kleinkind spreken nu,
“Van God komt 't vernuft”, zou 't zeggen,
“maar 'k wil u in eer en deugd toch trachten te gelijken”.

't Waren heerlijke jaren voor de familie Conscience.
Antheunis kreeg drie kinderen: na Hendrik kwamen Bertha en Karel. Zelden werden kinderen getroeteld als deze: moeder koesterde ze natuurlijk met haar teederste zorg. De dichterlijke vader zong steeds nieuwe liederen voor de kinderkamer.

(Naar het begin van de volgende kolom)

  En de grootouders verstonden als weinigen de kunst van grootvader en grootmoeder te zijn. Conscience zelf was onnavolgbaar in het stoeien; en, wat hij ook schonk aan zijn Vlaamsche volk, van dat gouden hart kregen de drie kleintjes het grootste en het beste deel.
Waren 't niet de rozen, die elken dag reiner en schooner ontloken tusschen de lauwerblaren van zijn roem en nevens de doornen van zijn nooit genezend vaderwee? Hij zelf leerde den kleinen trio vaders verzen van buiten, en grootvader en kleinkinderen reciteerden om ter best: “Van Meester Haan”, “Van Henne Moei”, “Van den Hond en de Kat”, “Van de Kat en de Muis”, “Van het Vliegsken”, “Van Lange Piet en Korte Jan”, “Avondrit”, “In vaders grooten zetel”, “Din - Don - Dijne”, “Van het Sterrekijn”, “Van de Bloemkens die wilden wandelen gaan”, enz...
Inmiddels (1877) was Antheunis tot vrederechter te Halle benoemd, op een half uurtje sporens van Brussel. Een paar jaar nadien liet hij zijn tweeden en laatsten verzenbundel in 't licht, veel rijker dan den eerste: “Leven, Lieven en zingen”. Als kinderdichter staat Antheunis in zijn tijd zoo hoog als René de Clercq in den onzen. En hij zelf beschouwde die gave als 't beste van zijn dichterschap:
En is er in mijn dicht en zang
Iets dat den lezer raakt,
Dat heb ik U te danken, kind,
Ze zijn voor U gemaakt.
Wanneer ik aan het zingen was
Met volle borst en lust,
Vond ik de schoonste klanken dan
Als ik U had gekust.

Maar Antheunis ging nog naar andere bronnen om ingeving: de eerste borrelde, we weten 't reeds, in Oudenaarde; de tweede in 't oude en 't jonge Vlaanderen, soms een beetje Duitsch-romantisch toch, naar de toenmalige mode; de derde aan 't hart van Conscience en zijn dochter; d vierde aan den Bijbel en de Kerkelijke Getijden, waaruit hij die heerlijke verzen liet opruischen: “In den doodsangst mijner ziele”, “Gebed”, “Aan mijn Moeder”, “Dies Irae", “Uit het lijden Christi”.
Want deze vrouwelijk-zachte man, zoo stil, zoo schuchter en zoo ingetogen, ook lichamelijk een der liefste figuren uit onze dichterswereld, kon in lyrische drift voor God en Vaderland zijn toorn doen daveren:

Sta op! En geef uw kracht ten besten
Op 't veld waar 't menschdom zaait en gaart,
En moet ge 't met uw bloed bemesten,
Dan is uw bloed toch vruchten waard.
Maar zoete melodiën bleven hem steeds 't liest, diezelfde die hij als componist heeft gekoesterd in zijn “Liederkrans uit Loverkes van Hoffmann von Fallersleben” en in Coopman's “Mijn Vlaanderen heb ik altijd lief”.
Minder verfijnd-gezocht dan Dautzenberg, minder technisch-bekorend dan Van Droogenbroeck, minder kernig-sober dan De Cort, is Antheunis malscher en ronder en inniger, en rijker en veelslachtiger ontroerd. Onder degenen die onmiddelijk kwamen na hem schijnt me de begaafde V. de la Montagne het dichts bij Antheunis te staan. Naar waarheid mocht hij zingen, in wedstrijd met Gezelle's “Oneigen”:
Gelijk ik ben, gelijk ik was,
Gelijk ik voel met hart en zinnen,
Eenvoudig als natuurgewas,
Van buiten echt en echt van binnen.
Vele van Antheunis' Vlaamschgezinde karakterliederen werden toongezet door W. De Mol, dien anderen lieveling van Conscience. Wat moet het ook voor Antheunis een heerlijke dag zijn geweest, die 25en September 1881, toen zijn schoonvader naar het bloed en zijn vader naar den geest, gedragen door Vlaanderen en door Europa, het moderne Capitoleum besteeg, en toen, ten aanhoore van tienduizenden, het reuzenkoor werd aangeheven van hem en van Hiel:
Gij zijt ons lief gelijk niet eene!

Maar ook de rouw bleef niet uit. Den 10en September 1883 kwam Antheunis van zijn eigen vaders doodsbed gespoed, om met vrouw en kinderen te knielen aan de stervenssponde van den grootsten der hedendaagsche Vlamingen.
Nu was Antheunis' beste steun gebroken, en de milde ster van zijn levensgeluk begon te tanen stilaan. Wel was hij nu tot vrederechter te Elsene-Brussel bevorderd, maar de “rijmkes” waren weg, en het zingen ging niet meer. Een jammerlijke doofheid beproefde zijn laatste jaren. Stiller en stiller werd het rondom hem. 'k Bezocht hem enkele keeren in de jaren 1903 en '04. 't Was alsof hij dwaalde door zijn eigen huis, zoo ledig, en toch zoo bevolkt met herinneringen uit blijde en gelukkige tijden. 'k eb in mijn leven weinig vaster handdrukken gevoeld dan die van dezen lieven, lijdenden man... Hij stierf in 1907.

Bij de stilte om zijn graf schoot mij dit vers te binnen:

“En wààr zijn acht ik meer dan gloren...”
Nu, hem te doen gloren in den bescheiden, maar blijvenden glans die past bij zijn innig-echte gaven is de plicht van de Vlamingen, waartoe dan op heden Ons Volk het zijne wou bijdragen.

Julius Persyn



Voetnoot

...zijn”1
Hendrik Conscience, blz. 62-63


Vorige: Ook over Conscience.   Omhoog: België.   Volgende: Dr phil. germ. August Borms.
Inhoudsopgave Index

Valid HTML 4.01 Transitional

Pros Robaer - 2009