Gepubliceerd op 17 augustus 1912
|
Zelden heeft Ons Volk beter dan heden zijn taak
vervuld, nu het een dichter als Antheunis weer brengt tot
het volk.
Hoe de man zoo weinig bekend is geraakt en nu zoo vergeten, is
eigenlijk een raadsel; want de paar verzen van hem die elken
Vlaming op de lippen liggen, smaken toch naar meer en “Ik ken
een lied” moest voor allen een lokaas zijn geweest om meer
liederen van hem te kennen.
Vergeten! Kan ik U vergeten,Maar 't bleef niet lang spelen voor hem. Algauw moest hij uitzien naar een broodwinning. Toch zocht hij weer al zingende: Een rijmken hier, een rijmken daar,Die arbeid bestond aanvankelijk uit een onderwijzerschap te Eekloo. Dit althans was de heugenis, die in mijn schooltijd onder de studenten van 't bischoppelijk college ginder nog rondging: Antheunis leeraarde daar in een der lagere klassen van dat bloeiend gesticht. Misschien door Ledeganck's voorbeeld gestrekt, wilde ook dit onderwijzertje maatschappelijk hooger. En in 1864 nam Gentil Antheunis zijn inschrijving op de Gentsche Hoogeschool voor de Rechten. Hij studeerde flink, maar hij vond steeds tijd voor “rijmkes” ook, en Vlaamschgezinde vooral. En die zond hij ter inzage naar aller Vlaamsche Meester, naar Hendrik Conscience, toen arrondissementskommisaris te Kortrijk. Deze vijf en twintigjarige student was als een zoon van de Middeleeuwsche minnezangers; even lief waren hem poëzie en muziek. Taal, stem, melodie, klavier; voor alles wat het leven kan doen zingen was Antheunis even begaafd. De latere Mevrouw Antheunis vertelt het ons zelve: “In Februari 1867 ontvingen wij voor den eerste maal te Kortrijk den heer G. Th. Antheunis, toen nog student aan de Hoogeschool te Gent. Op het verzoek mijns vaders zette de jonge dichter zich aan de piano en zong eenige Vlaamsche liederen. Zijn stem was de schoonste, de welluidendste die ooit mijn vader zijn ooren trof, zoo betoverend dat geen van ons ze kon vergeten. Mijn vader, zoo gevoelig voor muziek, drukte hem ontroerd de hand, en hem geluk wenschende, verzekerde hij hem, dat hij ten onzent immer welkom zou zijn”1
Na voltooiïng van zijn studiën, kreeg Antheunis, door
invloed van Conscience, zijn benoeming als vrederechter dichtbij
Kortrijk, te Oost-Roozebeke, in 1868. Maar datzelfde jaar
verhuisde Conscience naar Brussel, en in 1870 werd
Antheunis vrederechter te Torhout. Zoo zaten ze erg ver van
elkander. Toch werden de bezoeken van Antheunis steeds
talrijker, en ze golden nu ook Conscience's eenige dochter,
straks zijn eenig overblijvend kind, de aangebeden
Maria. Ja vlekkeloos als zilver blinkt uw gansche leven;
't Waren heerlijke jaren voor de familie Conscience. |
En de
grootouders verstonden als weinigen de kunst van grootvader en
grootmoeder te zijn. Conscience zelf was onnavolgbaar in het
stoeien; en, wat hij ook schonk aan zijn Vlaamsche volk, van dat
gouden hart kregen de drie kleintjes het grootste en het beste
deel. Waren 't niet de rozen, die elken dag reiner en schooner ontloken tusschen de lauwerblaren van zijn roem en nevens de doornen van zijn nooit genezend vaderwee? Hij zelf leerde den kleinen trio vaders verzen van buiten, en grootvader en kleinkinderen reciteerden om ter best: “Van Meester Haan”, “Van Henne Moei”, “Van den Hond en de Kat”, “Van de Kat en de Muis”, “Van het Vliegsken”, “Van Lange Piet en Korte Jan”, “Avondrit”, “In vaders grooten zetel”, “Din - Don - Dijne”, “Van het Sterrekijn”, “Van de Bloemkens die wilden wandelen gaan”, enz... Inmiddels (1877) was Antheunis tot vrederechter te Halle benoemd, op een half uurtje sporens van Brussel. Een paar jaar nadien liet hij zijn tweeden en laatsten verzenbundel in 't licht, veel rijker dan den eerste: “Leven, Lieven en zingen”. Als kinderdichter staat Antheunis in zijn tijd zoo hoog als René de Clercq in den onzen. En hij zelf beschouwde die gave als 't beste van zijn dichterschap: En is er in mijn dicht en zang
Maar Antheunis ging nog naar andere bronnen om ingeving: de
eerste borrelde, we weten 't reeds, in Oudenaarde; de
tweede in 't oude en 't jonge Vlaanderen, soms een beetje
Duitsch-romantisch toch, naar de toenmalige mode; de derde aan
't hart van Conscience en zijn dochter; d vierde aan den Bijbel
en de Kerkelijke Getijden, waaruit hij die heerlijke verzen liet
opruischen: “In den doodsangst mijner ziele”, “Gebed”, “Aan
mijn Moeder”, “Dies Irae", “Uit het lijden Christi”. Sta op! En geef uw kracht ten bestenMaar zoete melodiën bleven hem steeds 't liest, diezelfde die hij als componist heeft gekoesterd in zijn “Liederkrans uit Loverkes van Hoffmann von Fallersleben” en in Coopman's “Mijn Vlaanderen heb ik altijd lief”. Minder verfijnd-gezocht dan Dautzenberg, minder technisch-bekorend dan Van Droogenbroeck, minder kernig-sober dan De Cort, is Antheunis malscher en ronder en inniger, en rijker en veelslachtiger ontroerd. Onder degenen die onmiddelijk kwamen na hem schijnt me de begaafde V. de la Montagne het dichts bij Antheunis te staan. Naar waarheid mocht hij zingen, in wedstrijd met Gezelle's “Oneigen”: Gelijk ik ben, gelijk ik was,Vele van Antheunis' Vlaamschgezinde karakterliederen werden toongezet door W. De Mol, dien anderen lieveling van Conscience. Wat moet het ook voor Antheunis een heerlijke dag zijn geweest, die 25en September 1881, toen zijn schoonvader naar het bloed en zijn vader naar den geest, gedragen door Vlaanderen en door Europa, het moderne Capitoleum besteeg, en toen, ten aanhoore van tienduizenden, het reuzenkoor werd aangeheven van hem en van Hiel: Gij zijt ons lief gelijk niet eene!
Maar ook de rouw bleef niet uit. Den 10en September 1883 kwam
Antheunis van zijn eigen vaders doodsbed gespoed, om met vrouw
en kinderen te knielen aan de stervenssponde van den grootsten
der hedendaagsche Vlamingen. Bij de stilte om zijn graf schoot mij dit vers te binnen: “En wààr zijn acht ik meer dan gloren...”Nu, hem te doen gloren in den bescheiden, maar blijvenden glans die past bij zijn innig-echte gaven is de plicht van de Vlamingen, waartoe dan op heden Ons Volk het zijne wou bijdragen.
|