Vorige: Bootjevisschers.   Omhoog: België.   Volgende: 't Vlas in Vlaanderen I.
Inhoudsopgave   Index


Garnaalvisschers.


Gepubliceerd op 10 februari 1912

We hebben er van drie soorten: de garnaalvisschers te voet, te peerd en per boot. In twee woorden wil ik elk slag hier schetsen.

Te voet.

DeVangsteTeVoet 't Zijn kinderen van het land en van de zee. Ze verschrompelen en slijten hun beenen en voeten in 't ziltig nat, en vereelt zijn hunne handen en gebogen hunne rugge van 't landelijk werk dat ze verrichten op hun brokje zand. Zij hebben geen vast bestaan, en weten niet dat hun leven, het leven is der wroeters. Ze zijn gelaten en op hun wezen ligt een stille ernstigheid die vreemd staat bij het immer geweldig-zijn van de slaande zee.
Ze brengen hun leven door 's nachts: op den oever en het strand; binst den dag: wat slapend, dan slavend of kuierend door de duinen. Ze gaan er door, wandelen hil op hil af, slenteren langs de zee, en ze bergrijpen er het grootsche en 't schoone en 't oneindige niet van.
Ze leven op hun eigen; hebben geen betrekkingen, staan alleen in de guur-klare lucht... Ze hebben voor niets aandacht, gaan des zondags dood-gewoon hun pintjes drinken, zetten hun aan een alleenstaand tafeltje, stoppen een pijp en vertrekken als ze uitgedoofd is. Nochtans ge zult ze aantreffen, in de duinen, langs het strand; onverroerlijk, de handen in de broekzakken, de beenen wijd uiteen, turend in de lucht naar de meeuwen die vliegen op den wijden, uitgestrekten plas.
Op wat denken ze dan? Moeilijk te weten... Plots schieten ze uit hunne vervoering, grommelen iets dat geen zin heeft en doen onverschillig den dag door.

's Avonds klapt de garnaalvisscher met de vrouw over de kinders, het toekomen, den aankoop van 't een of ander ding, of zet hem te breien in den hoek van de kamer. Zijn kop is leeg en alle indrukken weg en vervlogen. Spreekt gij hem aan, hij zal u antwoorden, nu en dan, met een enkel woord. Hij houdt niet van redeneeren! Later als hij heel oud zal zijn dan zal hij vertellen voor tien, als hij te midden van zijne kleinkinderen zit; dan haalt hij ruimschoots zijne schade in... Onverstaanbaar!
Begoederd zijn ze niet altijd... 't Gebeurt, als 't al mêegeslegen heeft; maar anders, ze doen voort, gezapig, peinzen op den dag van morgen niet, werken in immer afwisselende en wêerkeerende bezigheden en gaan door de dagen, onbekommerd en leidzaam. Of ze tevreden zijn? Hoe zou men het weten? Nooit zullen ze 't uitbrengen; maar de vrouw, als ze op haar venstersronde is, zal klagen, men kan niet meer, putten in de steenen. Ze bestaan toch en dat is voor hen het bijzonderste. Vooruitstrevende gedachten koestert de garnaalvisscher niet; maar hij kan het niet over zijn herte krijgen dat de “duinekeuntjes” alleen aan de rijke lieden toebehooren, die heel ver af, zonder kommer, in de groote steden wonen, 'wijl hij gevestigd blijft in zijne duinen, die God daar gezet heeft ten dienste van heb bijzonderlijk, met alles wat er in leeft, loopt en roert.
HuizekensVanGarnaalvisschers Dat is zijn begrip van den eigendom, en dit aanschouwt hij als zijn recht, waar niemand zich mêe te bemoeien heeft. Nooit zal zijne vrouw daarin hem tegenspreken; ze denkt alleenlijk op den kost, en op haar rust, de kweek van jongens en meisjes, dieren en vruchten. Zij doet heel 't gedoe draaien; ze moet maar zien dat ze toekomt en dat ze iederen Zondag klaar is met het drinkgeld of pré van haren man...
Hij, hij beult hem af in dag en nacht, en dat is meer dan genoeg!

Hunne huizekens staan hier en daar verloren, klein-geniepig, in de grootschheid van de troonende duinen. Ze zijn meestendeels gebouwd op cijnsgrond, en dat krijgen ze mêe als ze trouwen. Naderhand trachten ze dat af te koopen en zoo geraken ze er bovenop. Het is de gewoonte bij hen van rond een zekeren ouderdom hun huizeke te bezitten; daarom ook werken en sparen ze er naar. Ze hebben ten minste dit doel, en daarmêe alleen gaan zij de wereld in. Op 't overige denken ze niet. Zij hebben hun weg gevonden, hun jongens zullen 't ook nadoen. De garnaalvisscher is preutsch als hij met zijn gespaarde kluiten den cijnsgrond kan aflossen. Dan drinkt hij hem een stuk in zijn krage; anders leeft hij altijd sober, gematigd, met soms toch op de kermisdagen een kleinen tik aan.
Hij tracht, zoo geriefelijk als 't kan, zijn doeningje in te richten. 't Is meest altijd een laag huizeke, waarbij een ovenbuur en eene kleine remisie, een kotje bedekt met stro. 't Woonhuis is wit gekalkt; de deur en de vensterblinden, als 't geen hout is, in 't groen geschilderd. Klein is het in zijn beperkte afmetingen, en 't ligt te vlekken in de blijheid van de klare lucht. Tot op 't dak rankt gewoonlijk een magere wijngerd zijne krullende kronkels. Alles is omringd met eene biezenhaag, aaneengesjord met geteerde latten en pektouwen.
Achter 't huis ligt zijn brokje zand, waar hij aardappels en groenten in plant. Te wintertijde hoort ge de geit in haar kotje miggeren, en 't jaar door snorkt een vet té mesten verken in zijn perk. Tamme konijnen kweken ze in overvloed. Soms ook kunt ge een doorgezaagd geraamte van eene versleten schuit ontwaren die, omgekeerd, dienst doet voor bergplaats van manden, korven, netten en 't kookfornuis der garnaals.
De keuken is doorgaans groot en gerievig. Geen orde zult gij er vinden. 't Ligt alles dooreen, en de kinderen moorschen daartusschen, liggen en kruipen over den vloer, haperen in moeders rok, die dan alhier aldaar een flap uitdeelt dat het kletst. Op de schouwe prijkt het kruisbeeld, met erbij eene lamp, en al de kleine noodigheden van het huis. Hier staat de geschuurde spinde met, er boven op, een heiligenbeeld waarvoor een tros duinebloemen of duinedistels.
Een klein kind zit te spelen in zijn stoeltje. Moeder gaat er nu en dan naartoe, geeft een klinkenden smok op zijn smoeltje, kriebelt het onder zijn oksels tot dat het schudt in lachend gegichel... Kinders kweken! 't Is daar hun grootste last! Maar ook hun plezier.
Ze hebben dan nog de vouwte. Eene kamer, drie, vier trappen boven de keuken gelegen. Dat is de slaapkamer. Wel onderhouden! Schoon wit duinezand rond de tafel gestrooid en gestriept. Witte wanden. Een groote spiegel op de schouw en een Kristusbeeld. De trouwkas en een helwitte alkoof. Aan de zoldering hangen èn gesneden schuitjes uit dennenhout èn duineplanten of eene groote verzilverde bol. Heel dikwijls twee groote portretten, langs den muur, van man en vrouw; en op het vensterkassijn ligt een rood kussentje waarop kleine steenen, prutserijen ―zooals kloefjes― te prijken staan. Daar mag niemand binnen komen, zonder geleid te worden door de vrouw. Roemt de inrichting en de voortreffelijkheid van die kamer en ze zal u dankbaar en glimlachend aanblikken, omdat... 't van haar komt.
Zoo liggen hunne doeningjes heel eenzaam en stil-schoon te blekken in de duinen, die 't alles omgeven met hunne stijfstaande grootheid en eenzelvige pracht, 'wijl in de verte zingt en gonst, eeuwig-voort, in galmenden tred, de dommelende zee...

't Is een ondoordringbaar volk! Ge stuit op hunne stijve koudheid als op steen. Hun innige gemoedstoestand zullen ze ook nooit blootleggen heel en al; ge moet het raden! Als ge ze heel goed kent en lang met hen omgaat, dan zullen ze wel nu en dan iets afgeven, maar anders zijt ge bij hen gezien als een indinger. Ze betrouwen niemand. Dat komt voorzeker uit hun immer alleen-zijn en 't schuwe van den nacht dien ze door leven. Later, als ze oud worden en hun baardje hebben laten groeien, dan moogt ge gerust bij hen gaan, dan zoeken ze u; maar zoolang ze nog een glad wezen hebben, moet ge denken op hunne bekommeringen en hun ingehouden-stug-zijn; aardig wel, maar toch zoo...
GarnaalvisserTeVoet Hun ambacht is eigenlijk 't garnaalvisschen. Als ze 't ter herte nemen, doen ze iedere tij mêe. Dit is: dat ze geen tij laten voorbij gaan en alle twaalf uur optrekken met hun tuig. Ze visschen van één uur voor tot één achter 't hoogen van het water. Ala het tij rond middernacht valt, dan is 't krankstroomtij en dan vangen ze meest. 't Moet waarlijk éénig zijn in die zwartheid van den geheimvollen nacht, met boven en rondom hen het duister-ondoordringbare 'wijl ze gestadig den grooten zang hooren van de ruischende zee.
Ze waden in 't water met de beenen bloot tot boven de knieën, en het schuiom stroelt hun dikwijls tot tegen de borst. Daarom hebben ze een geoliede dikke veste aan die vast zit in eene geteerde broek van ruw zeildoek. Ze dragen eene groote harige pulmuts. Hun tuig bestaat in de kruikorf, de ziftmand en het kruinet. Dit net is gemaakt in driehoek. 't Is vervaardigd uit fijn garen, gebreid met de palingsteek. Het net is vastgemaakt aan een stok, die beslegen is met ijzer voor 't schrepen langs den grond. Die stok heet dweerschstok of scheestok. In 't midden van de scheestok is een perse vastgemaakt, rond de vijf meters lang, genaamd steeker, ook dromstok of kartsteel. DeWederkomst Het einde van de steeker wordt op de borst in een uitgehold stuk kork vastgehecht. Dit stuk kork is aan een lap leder genaaid en vastgesjord met twee touwen rond het lijf. Dat heet het drombard.
Ze steken 't net voor hen uit en ze kuieren een vijftal minuten. De garnaals eens gevangen blijven in 't net, wederhouden als ze zijn door de weerkuil, soort van zak, midden en langs den kant, albinnen 't eigenlijk gevlochten net.

(Naar het begin van de volgende kolom)

  Dan lichten ze 't net op, vergaren den kuil en draaien hem om in hunne ziftmand. Ze laten 't net wêer in 't water, zetten de ziftmand op den steeker en lezen de grootste vuiligheid uit binst ze voortkuieren. Dan smijten ze de vangst in den kruikorf die hen op den rug gebonden is en gaan gesta hunnen gang.

Het koken en 't verlezen wordt thuis gedaan. De vrouw loopt dan het dorp af met de kleine garnaals, ziftelingen geheeten en de groote schone garnaals gaan naar den opkoper.
Ze verdienen daar nog wat mêe. Neemt iedere tij een zevental kilos garnaal aan 75 centimen de kilo. Dat maakt een nog al schoon sommetje. Ze kunnen er niet breed mêe leven, maar toch treffelijk. Ze moeten sparen ook, want van halverwege November tot eind Maart kunnen ze niet visschen; 't is te koud!
Wat doen ze dan? Hun brokje zand bedrichten, vetten, en dies meer, hun beestjes oppassen, meeuwen vangen met hun dieggetjes. Ze verkoopen die vogels aan de liefhebbers. Wat doen ze nog? Maar dit is onder ons! Ze stroopen ook duinekeuntjes. Vandaar komt het begrip over den eigendom! Dat werkje is ook niet te versmaden voor wat de opbrengst aangaat, maar 't is op te passen om niet gepakt te worden door de duinewachters. 't Is aardig, ze dragen geen haat tegen de bezitters, maar ze verachten al de wachters. In hun herte ligt voor hen een afkeer, een woede en een haat die somtemets overslaat in moordenarij. Schuw volk dan!
Zoo verdienen ze hun kost en kunnen een stuivertje wegleggen voor 't aflossen van hun cijnsgrond en later voor 't koopen van een peerd als ze hun zullen toeleggen op de garnaalvangst te peerde.
VrouwenGarnaalvisserTeVoet Ge hebt ook vrouwen die zich toeleggen op 't kuieren met het kruisnet. Dit zijn ofwel weduwen, die vroeg hun man verloren hebben, en nu alleene de last van 't huis moeten torschen, ofwel vrouwen, wier mannen binst de garnaalmaanden op Ijsland varen en dan moeten voorzien in 't noodige, tot zij weêrkomen met hun gewonnen geld. In dit geval dragen de vrouwen een broek! Dan nog een van hunnen vent! Ze loopen ook met de beenen bloot. Hunne borst zit in eene zware veste overdekt met eene dikke sjaal; hun haar is weggeborgen onder een grooten doek, dien ze toebinden rond hunnen hals. Ge moet ze bewonderen als ze geladen, 'lijk peerden, door de duinen trakelen, de handen over de borst gekruist en den rug gebogen van 't gewichte van den korf.

Al die garnaalvisschers zijn werkzame menschen, ijverig en hou-vast. Hier en daar vindt ge er een, die verloren loopt tusschen hen, en uitsteekt door zijn vadsigheid, en luie doening... Maar dat zijn uitzonderingen; en zulkeen wordt niet gezien bij zijne medemaats. Hij moet geheel zijn leven den ouden slenter gaan, geraakt nooit boven water en zal dikwijls heel aardig aan zijn einde komen, 't zij toevallig, gewild of anders!...
Hier gaat het 'lijk overal: die zich niet weet te houden 'lijk of 't zijn moet, wordt niet geëerd!

Te peerd.

GarnaalvisserTePaard De deze wonen meestal op 't dorp of in den omtrek er van. 't Zijn doorgaans begoede burgers geworden, en houden zich zoowel onledig met den landbouw als met het visschen. 't Zijn er die hun opgewerkt hebben, heel gesparig geleefd, om van garnaalvisscher te voet het tot dorpsbewoner te brengen. GarnaalvissersTePaard In den omgang van alle dagen met de andere menschen hebben zij wat van hunne stugheid, hun innerlijken aard en hun karakter gelaten. Het visschersuitzicht is er als van afgesleten en ze noemen hen nu zandboeren. De zandboer is vertrouwelijker geworden en zal zich 's Zondags uitgelatener toonen dan iemand anders. Hij denkt alzoo de aandacht op hem te trekken, om te laten zien wie en wat hij geworden is.
Hij houdt veel land in pachte en geraakt alzoo meer gehecht aan den grond dan aan de zee. De herinnering eraan vervaagt stillekens en als hij er van vertelt, 't is of het eeuwen geleden ware, zoo diep gaat hij in zijn zelvenom wêer de indrukken eraan te kunnen blootleggen. Zijn kleedij is ook veranderd. Hij draagt nu de zeildoekbroek noch de olieveste niet meer, maar wel een simpele panenbroek en eene alledaagsche ondervest. In de wrijving met andere gebruiken, zeden en gewoonten, is van hem te lore gegaan 't geen hij bezat van de zee. Een beetje eerzuchtig wordt hij ook. Hij spreekt geerne als een die 't beeter weet dan een ander. Zoo dringt hij hem, heel en al in 't dorpsleven, en zijn grootste roem zal zijn eens te mogen prijken als lid van den gemeenteraad.

DeVangsteTePeerd Hij houdt een peerd, meest voor het bebouwen van zijn land, maar 'lijk er in zijn binnenste nog voortdurend kiemt de drang naar de zee, zoo doet hij, binst het doodseizoen op 't land, de garnaalvangst. Ze noemen dat: Peerdekarten. Binst Oogst en halverwege September zult gij hem in de zee niet aantreffen, dan is er te veel werk op het land; op andere tijden wel. Dat brengt hem heel wat op, en 't peerd verdient alzoo ook zijn eigen kost in 't water. Al 't ander nut dat het geeft is voor hem overschot.
Zijn vischtuig bestaat in een groot sleepnet dat door 't peerd voortgetrokken wordt bij middel van spruiten. Langs weerskanten den balg hangen twee korven! Hij zit er boven op met in zijn hand de trekpees of kuiltouw, die dient om het net open te houden; bij middel van den kartsteel, soort stok die in 't midden van 't net recht gehouden wordt.
Peerdekarters Als 't water stil is, dan doet hij 't net diep in 't zand bijten met den kartsteel naar hem toe te trekken. Is de zee geweldig, dan laat hij hem zakken en de opening vernauwt. Het ziften van zijn vangste doet hij op het strand; evenals 't vergaren van den kuil.
Die peerdegarnaals worden veel gezocht door de rijken in de badplaatsen, en wel betaald. Zoo verdienen ze hun brood en hun... spaarpot op 't land en in zee. Meest allen leven op hun goed of rentenieren na eenen zekeren tijd, en sommige menschen kunnen 't maar niet begrijpen. En nochtans, moeilijk is 't niet om verstaan, want hebben ze goei jaren... ze winnen geld 'lijk slijk!

Per boot

InAfwachtingVanHetTij Met deze vallen we eigenlijk in de reeks: Zeevisschers.
Ze wonen in de stad ofwel in de dorpen. De stadsmenschen bevaren gewoonlijk maar een klein bootje, zes tot zeven meter lang en twee meter breed; op iedere boot is maar een man. Ze varen iedere tij uit, liefst binst den nacht en komen na de vangste binnen.
Ze visschen met de kleine garnaalkorre, een zakvormig net vastgebonden aan den korrestok; van rond de twaalf voet lengte. Twee ijzeren slepers zijn daaraan gehecht om den bodem van de zee te schrepen. Dit zijn de korreijzers. Het net is ook gebreid met de palingsteek. Hun boot is niet overdekt. Slechts in de neuze is een klein kotje getimmerd dat dienst doet voor slaap-nest.
InZee Ze koken hun vangste te huis. Ze winnen degelijk hun brood maar hebben een gevaarlijk leven. Gewoonlijk varen ze uit met een klein briesje, maar hoevelen hebben in de zee, dezelfden nacht, hun graf niet gevonden?

De dorps- of duinbewoners bezitten, in 't gemeene, een groote boot. Ze koken hun vangst aan boord en kunnen zoo twee, drie tijen uitblijven. Hunne schuiten staan bekend onder den naam garnaalpotten.
Dat zijn de beste. Ze varen gewoonlijk met twee of drie op een boot. Hun gemiddeld weekloon mag geschat worden op vijf en twintig frank en dan hebben ze den tijd over om hun land te bewerken. 't Zijn al duineboertjes. Ze dragen dezelfde kenteekens en hebben hetzelfde wezen en karakter van hunne maats, die, gering nog, en meer schamel, te voete moeten vangen. Ze visschen met de groote garnaalkorre; de twintig tot acht en twintig voelstok1.
Het zeewier, de krabben, de vuiligheid, de vijfhoeks, de kapottels, de pootesteerten, de garnaarsooms, de snotoltjes, al het overige, dat ze met hunne korre vangen, bewaren ze voor vette. Ze klassen het in 't achterste van hunne schuit tot ze er een karretje vol hebben. Dan komen de vrouwen met kar en ezeltje het halen. In de zomermaanden verspreidt dat een onverdraaglijken stank. 't Huis gekomen gieten ze dien zeevette in den aalput. Als ze dan 't zand er mêe bemesten, is de lucht bedorven uren in het ronde. 't Is om te stikken! Zij, zij weten daar niets van; ze zijn daarin van jongsaf opgegroeid en hun kloek visschersgestel kan tegen eenen duw!

Uit Nieuwpoort
Juul Filliaert



Voetnoot

...voelstok1
ja, zo staat het gedrukt! (Pros)


Vorige: Bootjevisschers.   Omhoog: België.   Volgende: 't Vlas in Vlaanderen I.
Inhoudsopgave Index

Valid HTML 4.01 Transitional

Pros Robaer - 2009