|
We hebben er van drie soorten: de garnaalvisschers te voet, te
peerd en per boot. In twee woorden wil ik elk slag hier schetsen.
Te voet.
't Zijn kinderen van het land en van de zee. Ze
verschrompelen en slijten hun beenen en voeten in 't ziltig nat, en
vereelt zijn hunne handen en gebogen hunne rugge van 't landelijk werk
dat ze verrichten op hun brokje zand. Zij hebben geen vast bestaan, en
weten niet dat hun leven, het leven is der wroeters. Ze zijn gelaten en
op hun wezen ligt een stille ernstigheid die vreemd staat bij het immer
geweldig-zijn van de slaande zee.
Ze brengen hun leven door 's nachts: op den oever en het strand; binst
den dag: wat slapend, dan slavend of kuierend door de duinen. Ze gaan er
door, wandelen hil op hil af, slenteren langs de zee, en ze
bergrijpen er het grootsche en 't schoone en 't oneindige niet van.
Ze leven op hun eigen; hebben geen betrekkingen, staan alleen in de
guur-klare lucht... Ze hebben voor niets aandacht, gaan des zondags
dood-gewoon hun pintjes drinken, zetten hun aan een alleenstaand
tafeltje, stoppen een pijp en vertrekken als ze uitgedoofd is.
Nochtans ge zult ze aantreffen, in de duinen, langs het strand;
onverroerlijk, de handen in de broekzakken, de beenen wijd uiteen,
turend in de lucht naar de meeuwen die vliegen op den wijden,
uitgestrekten plas.
Op wat denken ze dan? Moeilijk te weten... Plots schieten ze uit hunne
vervoering, grommelen iets dat geen zin heeft en doen onverschillig
den dag door.
's Avonds klapt de garnaalvisscher met de vrouw over de kinders, het
toekomen, den aankoop van 't een of ander ding, of zet hem te breien in
den hoek van de kamer. Zijn kop is leeg en alle indrukken weg en
vervlogen. Spreekt gij hem aan, hij zal u antwoorden, nu en dan, met een
enkel woord. Hij houdt niet van redeneeren! Later als hij heel oud zal
zijn dan zal hij vertellen voor tien, als hij te midden van zijne
kleinkinderen zit; dan haalt hij ruimschoots zijne schade in...
Onverstaanbaar!
Begoederd zijn ze niet altijd... 't Gebeurt, als 't al mêegeslegen
heeft; maar anders, ze doen voort, gezapig, peinzen op den dag van
morgen niet, werken in immer afwisselende en wêerkeerende
bezigheden en gaan door de dagen, onbekommerd en leidzaam. Of ze
tevreden zijn? Hoe zou men het weten? Nooit zullen ze 't uitbrengen;
maar de vrouw, als ze op haar venstersronde is, zal klagen, men
kan niet meer, putten in de steenen. Ze bestaan toch en dat is voor hen
het bijzonderste. Vooruitstrevende gedachten koestert de
garnaalvisscher niet; maar hij kan het niet over zijn herte krijgen
dat de “duinekeuntjes” alleen aan de rijke lieden
toebehooren, die heel ver af, zonder kommer, in de groote steden
wonen, 'wijl hij gevestigd blijft in zijne duinen, die God daar gezet
heeft ten dienste van heb bijzonderlijk, met alles wat er in leeft,
loopt en roert.
Dat is zijn begrip van den
eigendom, en dit aanschouwt hij als zijn recht, waar niemand zich
mêe te bemoeien heeft. Nooit zal zijne vrouw daarin hem
tegenspreken; ze denkt alleenlijk op den kost, en op haar rust, de
kweek van jongens en meisjes, dieren en vruchten. Zij doet heel 't
gedoe draaien; ze moet maar zien dat ze toekomt en dat ze iederen Zondag
klaar is met het drinkgeld of pré van haren man...
Hij, hij beult hem af in dag en nacht, en dat is meer dan genoeg!
Hunne huizekens staan
hier en daar verloren, klein-geniepig, in de grootschheid van de
troonende duinen. Ze zijn meestendeels gebouwd op cijnsgrond,
en dat krijgen ze mêe als ze trouwen. Naderhand trachten ze dat af te
koopen en zoo geraken ze er bovenop. Het is de gewoonte bij hen van rond
een zekeren ouderdom hun huizeke te bezitten; daarom ook werken en
sparen ze er naar. Ze hebben ten minste dit doel, en daarmêe alleen
gaan zij de wereld in. Op 't overige denken ze niet. Zij hebben hun weg
gevonden, hun jongens zullen 't ook nadoen. De garnaalvisscher is
preutsch als hij met zijn gespaarde kluiten den cijnsgrond kan
aflossen. Dan drinkt hij hem een stuk in zijn krage; anders leeft hij
altijd sober, gematigd, met soms toch op de kermisdagen een kleinen
tik aan.
Hij tracht, zoo geriefelijk als 't kan, zijn doeningje in te richten.
't Is meest altijd een laag huizeke, waarbij een ovenbuur en eene
kleine remisie, een kotje bedekt met stro. 't Woonhuis is wit
gekalkt; de deur en de vensterblinden, als 't geen hout is, in 't groen
geschilderd. Klein is het in zijn beperkte afmetingen, en 't ligt te
vlekken in de blijheid van de klare lucht. Tot op 't dak rankt
gewoonlijk een magere wijngerd zijne krullende kronkels.
Alles is omringd met eene biezenhaag, aaneengesjord met geteerde
latten en pektouwen.
Achter 't huis ligt zijn brokje zand, waar hij aardappels en groenten
in plant. Te wintertijde hoort ge de geit in haar kotje miggeren, en 't
jaar door snorkt een vet té mesten verken in zijn perk. Tamme
konijnen kweken ze in overvloed. Soms ook kunt ge een doorgezaagd
geraamte van eene versleten schuit ontwaren die, omgekeerd, dienst
doet voor bergplaats van manden, korven, netten en 't kookfornuis der
garnaals.
De keuken is doorgaans groot en gerievig. Geen orde zult gij er vinden.
't Ligt alles dooreen, en de kinderen moorschen daartusschen, liggen
en kruipen over den vloer, haperen in moeders rok, die dan alhier
aldaar een flap uitdeelt dat het kletst. Op de schouwe prijkt het
kruisbeeld, met erbij eene lamp, en al de kleine noodigheden van het
huis. Hier staat de geschuurde spinde met, er boven op, een
heiligenbeeld waarvoor een tros duinebloemen of duinedistels.
Een klein kind zit te spelen in zijn stoeltje. Moeder gaat er nu en dan
naartoe, geeft een klinkenden smok op zijn smoeltje, kriebelt het
onder zijn oksels tot dat het schudt in lachend gegichel... Kinders
kweken! 't Is daar hun grootste last! Maar ook hun plezier.
Ze hebben dan nog de vouwte. Eene kamer, drie, vier trappen boven
de keuken gelegen. Dat is de slaapkamer. Wel onderhouden! Schoon wit
duinezand rond de tafel gestrooid en gestriept. Witte wanden. Een
groote spiegel op de schouw en een Kristusbeeld. De trouwkas en een
helwitte alkoof. Aan de zoldering hangen èn gesneden schuitjes uit
dennenhout èn duineplanten of eene groote verzilverde bol. Heel
dikwijls twee groote portretten, langs den muur, van man en vrouw; en
op het vensterkassijn ligt een rood kussentje waarop kleine
steenen, prutserijen ―zooals kloefjes― te prijken staan. Daar
mag niemand binnen komen, zonder geleid te worden door de vrouw. Roemt
de inrichting en de voortreffelijkheid van die kamer en ze zal u
dankbaar en glimlachend aanblikken, omdat... 't van haar komt.
Zoo liggen hunne doeningjes heel eenzaam en stil-schoon te blekken in
de duinen, die 't alles omgeven met hunne stijfstaande grootheid en
eenzelvige pracht, 'wijl in de verte zingt en gonst, eeuwig-voort, in
galmenden tred, de dommelende zee...
't Is een ondoordringbaar volk! Ge stuit op hunne stijve koudheid als
op steen. Hun innige gemoedstoestand zullen ze ook nooit blootleggen
heel en al; ge moet het raden! Als ge ze heel goed kent en lang met hen
omgaat, dan zullen ze wel nu en dan iets afgeven, maar anders zijt ge bij
hen gezien als een indinger. Ze betrouwen niemand. Dat komt voorzeker
uit hun immer alleen-zijn en 't schuwe van den nacht dien ze door leven.
Later, als ze oud worden en hun baardje hebben laten groeien, dan moogt
ge gerust bij hen gaan, dan zoeken ze u; maar zoolang ze nog een glad
wezen hebben, moet ge denken op hunne bekommeringen en hun
ingehouden-stug-zijn; aardig wel, maar toch zoo...
Hun ambacht is eigenlijk 't
garnaalvisschen. Als ze 't ter herte nemen, doen ze iedere tij mêe.
Dit is: dat ze geen tij laten voorbij gaan en alle twaalf uur
optrekken met hun tuig. Ze
visschen van één uur voor tot één achter 't hoogen van het
water. Ala het tij rond middernacht valt, dan is 't
krankstroomtij en dan vangen ze meest. 't Moet waarlijk
éénig zijn in die zwartheid van den geheimvollen nacht, met boven
en rondom hen het duister-ondoordringbare 'wijl ze gestadig den
grooten zang hooren van de ruischende zee.
Ze waden in 't water met de beenen bloot tot boven de knieën, en het
schuiom stroelt hun dikwijls tot tegen de borst. Daarom hebben ze een
geoliede dikke veste aan die vast zit in eene geteerde broek van ruw
zeildoek. Ze dragen eene groote harige pulmuts. Hun tuig bestaat in de
kruikorf, de ziftmand en het kruinet. Dit net is gemaakt
in driehoek. 't Is vervaardigd uit fijn garen, gebreid met de
palingsteek. Het net is vastgemaakt aan een stok, die beslegen is
met ijzer voor 't schrepen langs den grond. Die stok heet
dweerschstok of scheestok. In 't midden van de scheestok is een
perse vastgemaakt, rond de vijf meters lang, genaamd steeker,
ook dromstok of kartsteel.
Het einde van de steeker wordt op
de borst in een uitgehold stuk kork vastgehecht. Dit stuk kork is aan
een lap leder genaaid en vastgesjord met twee touwen rond het lijf. Dat
heet het drombard.
Ze steken 't net voor hen uit en ze kuieren een vijftal minuten. De
garnaals eens gevangen blijven in 't net, wederhouden als ze zijn door
de weerkuil, soort van zak, midden en langs den kant, albinnen 't
eigenlijk gevlochten net.
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
Dan lichten ze 't net op, vergaren den kuil
en draaien hem om in hunne ziftmand. Ze laten 't net wêer in 't water,
zetten de ziftmand op den steeker en lezen de grootste vuiligheid uit
binst ze voortkuieren. Dan smijten ze de vangst in den kruikorf die hen
op den rug gebonden is en gaan gesta hunnen gang.
Het koken en 't verlezen wordt thuis gedaan. De
vrouw loopt dan het dorp af met de kleine garnaals, ziftelingen
geheeten en de groote schone garnaals gaan naar den opkoper.
Ze verdienen daar nog wat mêe. Neemt iedere tij een zevental kilos
garnaal aan 75 centimen de kilo. Dat maakt een nog al schoon sommetje.
Ze kunnen er niet breed mêe leven, maar toch treffelijk. Ze moeten
sparen ook, want van halverwege November tot eind Maart kunnen ze niet
visschen; 't is te koud!
Wat doen ze dan? Hun brokje zand bedrichten, vetten, en dies
meer, hun beestjes oppassen, meeuwen vangen met hun dieggetjes.
Ze verkoopen die vogels aan de liefhebbers. Wat doen ze nog? Maar dit is
onder ons! Ze stroopen ook duinekeuntjes. Vandaar komt het
begrip over den eigendom! Dat werkje is ook niet te versmaden voor wat
de opbrengst aangaat, maar 't is op te passen om niet gepakt te worden
door de duinewachters. 't Is aardig, ze dragen geen haat tegen de
bezitters, maar ze verachten al de wachters. In hun herte ligt voor hen
een afkeer, een woede en een haat die somtemets overslaat in
moordenarij. Schuw volk dan!
Zoo verdienen ze hun kost en kunnen een stuivertje wegleggen voor 't
aflossen van hun cijnsgrond en later voor 't koopen van een peerd als ze
hun zullen toeleggen op de garnaalvangst te peerde.
Ge hebt ook
vrouwen die zich
toeleggen op 't kuieren met het kruisnet. Dit zijn ofwel weduwen, die
vroeg hun man verloren hebben, en nu alleene de last van 't huis moeten
torschen, ofwel vrouwen, wier mannen binst de garnaalmaanden op
Ijsland varen en dan moeten voorzien in 't noodige, tot zij
weêrkomen met hun gewonnen geld. In dit geval dragen de vrouwen een
broek! Dan nog een van hunnen vent! Ze loopen ook met de beenen bloot.
Hunne borst zit in eene zware veste overdekt met eene dikke sjaal; hun
haar is weggeborgen onder een grooten doek, dien ze toebinden rond
hunnen hals. Ge moet ze bewonderen als ze geladen, 'lijk peerden, door
de duinen trakelen, de handen over de borst gekruist en den rug gebogen
van 't gewichte van den korf.
Al die garnaalvisschers zijn werkzame menschen, ijverig en
hou-vast. Hier en daar vindt ge er een, die verloren loopt tusschen
hen, en uitsteekt door zijn vadsigheid, en luie doening... Maar dat
zijn uitzonderingen; en zulkeen wordt niet gezien bij zijne
medemaats. Hij moet geheel zijn leven den ouden slenter gaan, geraakt
nooit boven water en zal dikwijls heel aardig aan zijn einde komen, 't
zij toevallig, gewild of anders!...
Hier gaat het 'lijk overal: die zich niet weet te houden 'lijk of 't zijn
moet, wordt niet geëerd!
Te peerd.
De deze wonen meestal op 't dorp of in
den omtrek er van. 't Zijn doorgaans begoede burgers geworden, en
houden zich zoowel onledig met den landbouw als met het visschen. 't
Zijn er die hun opgewerkt hebben, heel gesparig geleefd, om van
garnaalvisscher te voet het tot
dorpsbewoner te brengen.
In den
omgang van alle dagen met de andere menschen hebben zij wat van hunne
stugheid, hun innerlijken aard en hun karakter gelaten. Het
visschersuitzicht is er als van afgesleten en ze noemen hen nu
zandboeren. De zandboer is vertrouwelijker geworden en zal zich
's Zondags uitgelatener toonen dan iemand anders. Hij denkt alzoo de
aandacht op hem te trekken, om te laten zien wie en wat hij geworden
is.
Hij houdt veel land in pachte en geraakt alzoo meer gehecht aan den
grond dan aan de zee. De herinnering eraan vervaagt stillekens en als
hij er van vertelt, 't is of het eeuwen geleden ware, zoo diep gaat hij in
zijn zelvenom wêer de indrukken eraan te kunnen blootleggen. Zijn
kleedij is ook veranderd. Hij draagt nu de zeildoekbroek noch de
olieveste niet meer, maar wel een simpele panenbroek en eene
alledaagsche ondervest. In de wrijving met andere gebruiken, zeden
en gewoonten, is van hem te lore gegaan 't geen hij bezat van de zee. Een
beetje eerzuchtig wordt hij ook. Hij spreekt geerne als een die 't
beeter weet dan een ander. Zoo dringt hij hem, heel en al in 't
dorpsleven, en zijn grootste roem zal zijn eens te mogen prijken als
lid van den gemeenteraad.
Hij houdt een peerd, meest voor het
bebouwen van zijn land, maar 'lijk er in zijn binnenste nog
voortdurend kiemt de drang naar de zee, zoo doet hij, binst het
doodseizoen op 't land, de garnaalvangst. Ze noemen dat:
Peerdekarten. Binst Oogst en
halverwege September zult gij hem in de zee niet aantreffen, dan is er
te veel werk op het land; op andere tijden wel. Dat brengt hem heel wat
op, en 't peerd verdient alzoo ook zijn eigen kost in 't water. Al 't
ander nut dat het geeft is voor hem overschot.
Zijn vischtuig bestaat in een groot sleepnet dat door 't peerd
voortgetrokken wordt bij middel van spruiten. Langs
weerskanten den balg hangen twee korven! Hij zit er boven op met in zijn
hand de trekpees of kuiltouw, die dient om het net open te
houden; bij middel van den kartsteel, soort stok die in 't midden
van 't net recht gehouden wordt.
Als 't water stil is, dan doet hij 't net diep in
't zand bijten met den kartsteel naar hem toe te trekken. Is de zee
geweldig, dan laat hij hem zakken en de opening vernauwt. Het
ziften van zijn vangste doet hij op het
strand; evenals 't vergaren van den kuil.
Die peerdegarnaals worden veel gezocht door de rijken in de
badplaatsen, en wel betaald. Zoo verdienen ze hun brood en hun...
spaarpot op 't land en in zee. Meest allen leven op hun goed of
rentenieren na eenen zekeren tijd, en sommige menschen kunnen 't maar
niet begrijpen. En nochtans, moeilijk is 't niet om verstaan, want
hebben ze goei jaren... ze winnen geld 'lijk slijk!
Per boot
Met deze vallen we eigenlijk in de
reeks: Zeevisschers.
Ze wonen in de stad ofwel in de dorpen. De stadsmenschen bevaren
gewoonlijk maar een klein bootje, zes tot zeven meter lang en twee
meter breed; op iedere boot is maar een man. Ze varen iedere tij uit,
liefst binst den nacht en komen na de vangste binnen.
Ze visschen met de kleine garnaalkorre, een zakvormig net
vastgebonden aan den korrestok; van rond de twaalf voet lengte.
Twee ijzeren slepers zijn daaraan gehecht om den bodem van de zee te
schrepen. Dit zijn de korreijzers. Het net is ook gebreid met
de palingsteek. Hun boot is niet overdekt. Slechts in de neuze is
een klein kotje getimmerd dat dienst doet voor slaap-nest.
Ze koken hun vangste te huis. Ze winnen degelijk hun
brood maar hebben een gevaarlijk leven. Gewoonlijk varen ze uit met
een klein briesje, maar hoevelen hebben in de zee, dezelfden nacht,
hun graf niet gevonden?
De dorps- of duinbewoners bezitten, in 't gemeene, een groote boot. Ze
koken hun vangst aan boord en kunnen zoo twee, drie tijen uitblijven.
Hunne schuiten staan bekend onder den naam garnaalpotten.
Dat zijn de beste. Ze varen gewoonlijk met twee of drie op een boot. Hun
gemiddeld weekloon mag geschat worden op vijf en twintig frank en dan
hebben ze den tijd over om hun land te bewerken. 't Zijn al
duineboertjes. Ze dragen dezelfde kenteekens en hebben
hetzelfde wezen en karakter van hunne maats, die, gering nog, en meer
schamel, te voete moeten vangen. Ze
visschen met de groote garnaalkorre; de twintig tot acht en twintig
voelstok1.
Het zeewier, de krabben, de vuiligheid, de vijfhoeks, de
kapottels, de pootesteerten, de garnaarsooms, de
snotoltjes, al het overige, dat ze met hunne korre vangen,
bewaren ze voor vette. Ze klassen het in 't achterste van
hunne schuit tot ze er een karretje vol hebben. Dan komen de vrouwen met
kar en ezeltje het halen. In de zomermaanden verspreidt dat een
onverdraaglijken stank. 't Huis gekomen gieten ze dien zeevette
in den aalput. Als ze dan 't zand er mêe bemesten, is de lucht bedorven
uren in het ronde. 't Is om te stikken! Zij, zij weten daar niets van; ze
zijn daarin van jongsaf opgegroeid en hun kloek visschersgestel kan
tegen eenen duw!
Uit Nieuwpoort
Juul Filliaert
|