|
Deze befaamde vertolker van Wagner's meesterwerken kwam in de Pieter
Potstraat, op enkele stappen van het Steen, te Antwerpen
ter wereld. Lohengrin en degene die hem eenmaal op de
wonderbaarste wijze vertolken zou, betraden 't levenstooneel ter
zelfder plaats, met een verschil van circa
negenhonderd1 jaar. Want, schenkt de groote meester van Bayreuth zijn
held rond 950 't leven, het is in 1861 op 2 April eerst, dat de beroemde
kunstzanger het levenslicht aanschouwen mocht.
Van jongs af, gaf Ernest Van Dyck bewijzen van muzikalen aanleg.
Als koraal reeds verrukte hij leeraars en leerlingen in het O. L. V. College zijner geboortestad, en nog vóór hij zijne humaniora
voltrokken had, deed hij zich in den “Katholieken Kring” te
Antwerpen als veelbelovende tenor toejuichen. Dat hij het tooneel
voorbestemd was, bleek uit het schrijven van twee drama's welke hij
ten dien tijde, met medehulp van zijnen studiemakker Flor
Heuvelmans, tot behoorlijk einde wist te brengen.
Terwijl de ouders van onzen student de advocatentoga voor hunnen zoon
bestemden en zijne moeder reeds droomde van een zetel in het
Parlement, onderging den jongen Ernst den invloed van de Fee der
Kunst, die hem met onweerstaanbaren drang tot haren tempel riep. In de
Leuvensche “Alma Mater” behaalde onze held veel bijval
door zijn bekoorlijke manieren; zijn rond en loyaal karakter, maar
vooral door zijn kunstenaars-temperament dat hij zoo bereidwillig
ten dienste stelde van alwie beroep deed op zijne medewerking... Aan
den kant der hoogleeraars was die bijval misschien wel wat min in 't oog
vallend. Kortom zekeren dag vertrok Ernest Van Dyck naar Parijs
om er zijne muziekstudiën voort te zetten. In de Brusselsche
Zuidstatie werd hij vaderlijk en aanmoedigingsvol door
Charles Gounod, die zich toevallig in de spoorhal bevond, omhelsd en
gezegend. Deze meester immers was het, die hem had aangezet zich
teenemaal aan de kunst te wijden, nadat hij hem eene rol in
“Polyeucte” had hooren vervullen, op eene wijze die
Gounod's geestdriftig gemoed in vlam deed slaan.
Deze hoogst gewaardeerde vriendschap had zelfs het tot dan toe
hardnekkig tegenstribbelen der ouders overwonnen, die toch met zoo
veel twijfel en onrust hunnen zoon eene baan zagen inijlen die vlak
tegenover den weg hunner vooruitzichten lag. In de Fransche
hoofdstad bleef de schrijver van “Faust” zijnen Vlaamschen
vriend beschermen en bevool hem kunstenaar Lamoureux, den
stichter van het beroemde orkest van dien naam. Deze laatste deed onze
stadsgenoot in al de voornaamste concerten en zangfeesten optreden,
verschafte hem eene uitmuntende faam en later, als hij het gedacht had
opgevat Wagner's muziek, tot in de Parijsche
schouwburgen toe, in eere te herstellen, meende hij met niemand meer
kans te hebben dan met Lohengrin - Van
Dyck. Ja, vooral op dezen zes en twintigjarigen tenor steunde heer
Lamoureux zijne stoute poging, en de ongehoorde bijval van den
eersten avond (3e Mei 1887) bewees dat kunstige muziekleider des
zangers krachten niet in 't minst had overschat.
Hetgeen het talent tot stand bracht moest het Fransch chauvinisme
verijdelen; Wagner ten tooneele brengen stond haast gelijk met er
eene voordracht te doen plaats grijpen door eenen generaal van 't
Duitsche leger! Alle verdere opvoeringen van “Lohengrin” werden
dan ook verboden.
Vier jaar later echter, in 1891, zou de schim van Wagner en de vertolker
van “Lohengrin” te Parijs zelf eene
schitterende weerwraak nemen over hun miskenning... Er werd eene
nieuwe poging gewaagd. Een aanzienlijke legermacht, rond het gebouw
der Opera geschaard, moest de vertooning mogelijk maken. Gedurende
de woelingen, welke, spijts alles, ontstaan waren, werden er 1200
aanhoudingen gedaan. Doch ditmaal werden den auteur en den vertolker
voor goed ingeburgerd. Later toonde Frankrijk zijn erkentelijkheid
tegenover dengene die Wagner aldaar veropenbaarde, en schonk Van
Dyck, ten jare 1903, het ridderkruis van het Eere-legioen.
Ondertusschen, in 1886, was Van Dyck in den echt getreden met de
dochter van den wereldberoemden Vlaamschen cellist Frans Adriaan Servais (1807 - 1866), te Halle, door zijne
medeburgers gestandbeeld. Dit huwelijk droeg nog bij om den jonge
zanger in zijne loopbaan te bevestigen. Zijne gade immers, door
persoonlijken aanleg en opvoeding, aanschouwde, evenals haar man,
de kunst als een eeredienst.
Na de schorsing der Logengrin-opvoeringen te Parijs, beeldde Van
Dyck zich in dat zijne loopbaan afgebroken was; maar van deze
overtuiging zag hij met vervoering af, ten dage dat in
Oogstmaand van ditzelfde jaar 1887, de weduwe van Richard Wagner hem het voorstel deed de werken van haren genialen man te
Bayreuth te gaan vertolken.
In Juli 1888 debuteerde onze
stadgenoot dan ook te Bayreuth in de
rol van Parsival en werd van dan af een wereldfiguur.
Weenen bond hem kort daarop door een schitterend engagement aan
zijnen kunstroem. Tien jaar verbleef Van Dyck in de Oostenrijksche
hoofdstad, zong er het gansche repertorium der opera en benuttigde
zijn vrije tijd om overal gastvertooningen en concerten te gaan geven
die zijn faam, geheel Europa door, verspreidden.
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
Zoo trad hij te
Bayreuth vijftig maal op in de rol van “Parsival”, schiep er
“Lohengrin” in 1891 en verwierf den uitbundigsten bijval in al de
voornaamste steden van Oostenrijk-Hongarië, Rusland,
Duitschland, Engeland, België en Frankrijk. Te Parijs, onder
meer, schiep hij gedurende dit tijdperk “Die Walküre” (1893) en “Tannhäuser”
(1895).
Die bijval was trouwens oververdiend.
Nooit tevoren had men een zanger gekend die zijne toehoorders
zoo zeer bemachtigde, overmeesterde en letterlijk innam.
Die bekoorlijke warme stem, gepaard met een schier
bovenmenselijk vlammenden blik, met die edele sirlijkheid der
gestalte en der gelaatstrekken, die welsprekendheid van het
gansche wezen, die alles verlevendigende overtuigingsmacht,
strekten er toe om des zangers optreden tot een ware
veropenbaring op kunstgebied te maken.
Te Weenen was Van Dyck de held van den dag. Nooit was er feest
aan 't Hof, of de groote kunstenaar werd verzocht er zijne
medewerking aan te geven. Zoo was hij tegenwoordig bij het
eerste bezoek dat de nog jonge Duitsche keizer Wilhelm II
aan zijnen bondgenoot Keizer Frans-Jozef bracht, en bij het
huwelijk van Aartshertogin Maria-Dorothea met den hertog van
Orleans.
Na zijn verblijf te Weenen, dweerschte Van Dyck den oceaan en liet de
“Nieuwe Wereld” op hare beurt zijn ongeëvenaard talent
bewonderen. Vier achtereenvolgende seizoenen zong hij de groote
Wagnerrollen in den vermaarden “Metropolitan Theater” van
New-York en bezocht ondertusschen de voornaamste steden van de
Verenigde Staten, waar hij overal triomfen oogstte welke deze van
Europa, als 't mogelijk ware, overtroffen.
Ondanks zijne bij uitstek cosmopolitische loopbaan, bleef Van Dyck
met hart en ziel aan zijn geboortegrond gehecht. In welk land hij ook
gevestigd was, steeds kwam hij zijn verloftijd in den omtrek zijner
moederstad doorbrengen. Aan het Antwerpsch kunstleven kon hij
allerminst onverschillig blijven. Ook vond de liefdadigheid in hem,
vooral sedert de stichting van de “Vlaamsche Opera”, een
bewonderenswaardig medehelper... Ten jare 1894 trad Van Dyck alhier
als “Lohengrin” op, ten voordele der “Kinderen Martelaars”. In 1909 zong hij “De Walküre”, voor de
Antwerpse Afdeeling van den “Bond tot bestrijding der Tuberculose”; in 1910 “Het Rijngoud” voor het werk
“Melk voor de Kleinen” en hetzelfde jaar nog “Tristan en Isolde” voor het “Kinderverpleeghuis Elisabeth”.
Telkenmale werd hem door zijne dankbare stadsgenooten eene
indrukwekkende ovatie gebracht.
Weldra werd den zanger de gelegenheid verschaft den kunstroem zijner
geboortestad op gansch bijzondere wijze te behartigen. Toen ik met
eenige vrienden, ten jare 1902, hem ons plan te kennen gaf hier eene
nieuwe concertenmaatschappij te stichten, tot doel hebbende in
Antwerpen het kunstpeil der muziek zoo hoog mogelijk te doen stijgen,
stelde Van Dyck zich zonder dralen tot onzen dienst. Aan zijne
invloedrijke betrekkingen in alle landen van Europa en Amerika
hadden wij het grootendeels te danken dat de pas gestichte
vereeniging onmiddelijk en met volkomen wegslagen beroep kon doen op
de beste kunstenaars en orkestleiders van onzen tijd. Van eerst af
bekleedde Van Dyck het ondervoorzitterschap der maatschappij en
blijft nu immer nog zijn ambt gewetensvol waarnemen. Menigmaal trad
hij zelf als zanger op voor 't publiek onzer vereeniging. Iedereen
herinnert zich onder andere nog de opvoering van “Parsival”,
tweede bedrijf (uittreksels), in November 1910, alsook den
onvergetelijken liederavond van 20 December 1911.
Sedert zijn terugkeer uit Amerika, in 1902, heeft de verdienstelijke
Vlaming zich te Berlaer (bij Lier) gevestigd. Edoch, een
verleden gelijk hij er een achter de rug heeft, belet hem de rust te
smaken waarop zijn bedrijvig, neerstig leven recht heeft...
Langs alle kanten uitgenoodigd en aangezocht, kan hij wel niet anders
dan toegeven aan nadrukkelijke verlangens. Zoo schiep hij in de
laatste jaren te Parijs “Tristan en Isolde”, “Het Rijngoud” en
“De Godendeemstering”. Verleden zomer trad hij nogmaals als
Parsival te Bayreuth op en kon voldoening beleven te bestatigen dat de
oude bijval nog steeds zijn trouwe gezel is gebleven. Dit jaar deed hij
zich onder meer te Parijs, Marseille, Manchester, Londen, Munchen,
Weenen, Buda-Pest, en Bucarest toejuichen. Nog een twaalftal andere
verbintenissen roepen hem in verscheidene steden van Duitschland en
Frankrijk, vóór hij toekomenden zomer weer te Bayreuth
optreedt.
Met recht en reden mag men beweren dat zulke verbazende werkzaamheid
een deit daarstelt, dat in de geschiedenis der tooneelkunst als enig
zal geboekt blijven. Geen wonder dat Van Dyck door de meeste
Europeesche staatshoofden met de kenteekens hunner orden vereerd
werd, waaronder hij met trots op 't Kruis van Officier der Leopoldsorde wijst. Dezer dagen nog werd hij Commandeur der Kroonorde van Roumenië benoemd.
Professor aan de Kon. Conservatoriums te Antwerpen en Brussel,
heeft hij een hele pleïade uitmuntende leerlingen gevormd.
Buiten den tijd dien hij behoeft om zijne leergangen te geven, ziet men
Van Dyck nooit in de stad. Het verblijf in de Kempen oefent op hem een
onweerstaanbare aantrekkingskracht. In dit stille landelijk
leven, dat hij toch zoo ver boven het handgeklap en het verblindend
licht van het tooneel verkiest, hoopt de groote zanger binnen enkele
weken den dag zijner 25e verjaring als tooneelist, te midden zijner
geliefde kinderen, door te brengen.
Mij, zijn ouden vriend, zal hij het wellicht niet ten kwade duiden dat
ik hem heden, in dit tijdschrift tot verheerlijking van zijnen stam
gesticht, eene diepgevoelde hulde kom brengen.
Dr Jos. De Keersmaecker
|