Vorige: Edgar Tinel.   Omhoog: België.   Volgende: Prof. Dr Julius Persyn.
Inhoudsopgave   Index


Ernest Van Dyck.

Gepubliceerd op 13 januari 1912

ErnestVanDijckInBurger Deze befaamde vertolker van Wagner's meesterwerken kwam in de Pieter Potstraat, op enkele stappen van het Steen, te Antwerpen ter wereld. Lohengrin en degene die hem eenmaal op de wonderbaarste wijze vertolken zou, betraden 't levenstooneel ter zelfder plaats, met een verschil van circa negenhonderd1 jaar. Want, schenkt de groote meester van Bayreuth zijn held rond 950 't leven, het is in 1861 op 2 April eerst, dat de beroemde kunstzanger het levenslicht aanschouwen mocht.
Van jongs af, gaf Ernest Van Dyck bewijzen van muzikalen aanleg. Als koraal reeds verrukte hij leeraars en leerlingen in het O. L. V. College zijner geboortestad, en nog vóór hij zijne humaniora voltrokken had, deed hij zich in den “Katholieken Kring” te Antwerpen als veelbelovende tenor toejuichen. Dat hij het tooneel voorbestemd was, bleek uit het schrijven van twee drama's welke hij ten dien tijde, met medehulp van zijnen studiemakker Flor Heuvelmans, tot behoorlijk einde wist te brengen.

Terwijl de ouders van onzen student de advocatentoga voor hunnen zoon bestemden en zijne moeder reeds droomde van een zetel in het Parlement, onderging den jongen Ernst den invloed van de Fee der Kunst, die hem met onweerstaanbaren drang tot haren tempel riep. In de Leuvensche “Alma Mater” behaalde onze held veel bijval door zijn bekoorlijke manieren; zijn rond en loyaal karakter, maar vooral door zijn kunstenaars-temperament dat hij zoo bereidwillig ten dienste stelde van alwie beroep deed op zijne medewerking... Aan den kant der hoogleeraars was die bijval misschien wel wat min in 't oog vallend. Kortom zekeren dag vertrok Ernest Van Dyck naar Parijs om er zijne muziekstudiën voort te zetten. In de Brusselsche Zuidstatie werd hij vaderlijk en aanmoedigingsvol door Charles Gounod, die zich toevallig in de spoorhal bevond, omhelsd en gezegend. Deze meester immers was het, die hem had aangezet zich teenemaal aan de kunst te wijden, nadat hij hem eene rol in “Polyeucte” had hooren vervullen, op eene wijze die Gounod's geestdriftig gemoed in vlam deed slaan.
ErnestVanDyck1 Deze hoogst gewaardeerde vriendschap had zelfs het tot dan toe hardnekkig tegenstribbelen der ouders overwonnen, die toch met zoo veel twijfel en onrust hunnen zoon eene baan zagen inijlen die vlak tegenover den weg hunner vooruitzichten lag. In de Fransche hoofdstad bleef de schrijver van “Faust” zijnen Vlaamschen vriend beschermen en bevool hem kunstenaar Lamoureux, den stichter van het beroemde orkest van dien naam. Deze laatste deed onze stadsgenoot in al de voornaamste concerten en zangfeesten optreden, verschafte hem eene uitmuntende faam en later, als hij het gedacht had opgevat Wagner's muziek, tot in de Parijsche schouwburgen toe, in eere te herstellen, meende hij met niemand meer kans te hebben dan met Lohengrin - Van Dyck. Ja, vooral op dezen zes en twintigjarigen tenor steunde heer Lamoureux zijne stoute poging, en de ongehoorde bijval van den eersten avond (3e Mei 1887) bewees dat kunstige muziekleider des zangers krachten niet in 't minst had overschat.
Hetgeen het talent tot stand bracht moest het Fransch chauvinisme verijdelen; Wagner ten tooneele brengen stond haast gelijk met er eene voordracht te doen plaats grijpen door eenen generaal van 't Duitsche leger! Alle verdere opvoeringen van “Lohengrin” werden dan ook verboden.

ErnestVanDyck2 Vier jaar later echter, in 1891, zou de schim van Wagner en de vertolker van “Lohengrin” te Parijs zelf eene schitterende weerwraak nemen over hun miskenning... Er werd eene nieuwe poging gewaagd. Een aanzienlijke legermacht, rond het gebouw der Opera geschaard, moest de vertooning mogelijk maken. Gedurende de woelingen, welke, spijts alles, ontstaan waren, werden er 1200 aanhoudingen gedaan. Doch ditmaal werden den auteur en den vertolker voor goed ingeburgerd. Later toonde Frankrijk zijn erkentelijkheid tegenover dengene die Wagner aldaar veropenbaarde, en schonk Van Dyck, ten jare 1903, het ridderkruis van het Eere-legioen.

Ondertusschen, in 1886, was Van Dyck in den echt getreden met de dochter van den wereldberoemden Vlaamschen cellist Frans Adriaan Servais (1807 - 1866), te Halle, door zijne medeburgers gestandbeeld. Dit huwelijk droeg nog bij om den jonge zanger in zijne loopbaan te bevestigen. Zijne gade immers, door persoonlijken aanleg en opvoeding, aanschouwde, evenals haar man, de kunst als een eeredienst.
Na de schorsing der Logengrin-opvoeringen te Parijs, beeldde Van Dyck zich in dat zijne loopbaan afgebroken was; maar van deze overtuiging zag hij met vervoering af, ten dage dat in Oogstmaand van ditzelfde jaar 1887, de weduwe van Richard Wagner hem het voorstel deed de werken van haren genialen man te Bayreuth te gaan vertolken. BayreuthTheater In Juli 1888 debuteerde onze stadgenoot dan ook te Bayreuth in de rol van Parsival en werd van dan af een wereldfiguur. Weenen bond hem kort daarop door een schitterend engagement aan zijnen kunstroem. Tien jaar verbleef Van Dyck in de Oostenrijksche hoofdstad, zong er het gansche repertorium der opera en benuttigde zijn vrije tijd om overal gastvertooningen en concerten te gaan geven die zijn faam, geheel Europa door, verspreidden.

(Naar het begin van de volgende kolom)

  Zoo trad hij te Bayreuth vijftig maal op in de rol van “Parsival”, schiep er “Lohengrin” in 1891 en verwierf den uitbundigsten bijval in al de voornaamste steden van Oostenrijk-Hongarië, Rusland, Duitschland, Engeland, België en Frankrijk. Te Parijs, onder meer, schiep hij gedurende dit tijdperk “Die Walküre” (1893) en “Tannhäuser” (1895).
Die bijval was trouwens oververdiend. Nooit tevoren had men een zanger gekend die zijne toehoorders zoo zeer bemachtigde, overmeesterde en letterlijk innam. Die bekoorlijke warme stem, gepaard met een schier bovenmenselijk vlammenden blik, met die edele sirlijkheid der gestalte en der gelaatstrekken, die welsprekendheid van het gansche wezen, die alles verlevendigende overtuigingsmacht, strekten er toe om des zangers optreden tot een ware veropenbaring op kunstgebied te maken. Te Weenen was Van Dyck de held van den dag. Nooit was er feest aan 't Hof, of de groote kunstenaar werd verzocht er zijne medewerking aan te geven. Zoo was hij tegenwoordig bij het eerste bezoek dat de nog jonge Duitsche keizer Wilhelm II aan zijnen bondgenoot Keizer Frans-Jozef bracht, en bij het huwelijk van Aartshertogin Maria-Dorothea met den hertog van Orleans.

ErnestVanDyck3 Na zijn verblijf te Weenen, dweerschte Van Dyck den oceaan en liet de “Nieuwe Wereld” op hare beurt zijn ongeëvenaard talent bewonderen. Vier achtereenvolgende seizoenen zong hij de groote Wagnerrollen in den vermaarden “Metropolitan Theater” van New-York en bezocht ondertusschen de voornaamste steden van de Verenigde Staten, waar hij overal triomfen oogstte welke deze van Europa, als 't mogelijk ware, overtroffen.

Ondanks zijne bij uitstek cosmopolitische loopbaan, bleef Van Dyck met hart en ziel aan zijn geboortegrond gehecht. In welk land hij ook gevestigd was, steeds kwam hij zijn verloftijd in den omtrek zijner moederstad doorbrengen. Aan het Antwerpsch kunstleven kon hij allerminst onverschillig blijven. Ook vond de liefdadigheid in hem, vooral sedert de stichting van de “Vlaamsche Opera”, een bewonderenswaardig medehelper... Ten jare 1894 trad Van Dyck alhier als “Lohengrin” op, ten voordele der “Kinderen Martelaars”. In 1909 zong hij “De Walküre”, voor de Antwerpse Afdeeling van den “Bond tot bestrijding der Tuberculose”; in 1910 “Het Rijngoud” voor het werk “Melk voor de Kleinen” en hetzelfde jaar nog “Tristan en Isolde” voor het “Kinderverpleeghuis Elisabeth”. Telkenmale werd hem door zijne dankbare stadsgenooten eene indrukwekkende ovatie gebracht.
Weldra werd den zanger de gelegenheid verschaft den kunstroem zijner geboortestad op gansch bijzondere wijze te behartigen. Toen ik met eenige vrienden, ten jare 1902, hem ons plan te kennen gaf hier eene nieuwe concertenmaatschappij te stichten, tot doel hebbende in Antwerpen het kunstpeil der muziek zoo hoog mogelijk te doen stijgen, stelde Van Dyck zich zonder dralen tot onzen dienst. Aan zijne invloedrijke betrekkingen in alle landen van Europa en Amerika hadden wij het grootendeels te danken dat de pas gestichte vereeniging onmiddelijk en met volkomen wegslagen beroep kon doen op de beste kunstenaars en orkestleiders van onzen tijd. Van eerst af bekleedde Van Dyck het ondervoorzitterschap der maatschappij en blijft nu immer nog zijn ambt gewetensvol waarnemen. Menigmaal trad hij zelf als zanger op voor 't publiek onzer vereeniging. Iedereen herinnert zich onder andere nog de opvoering van “Parsival”, tweede bedrijf (uittreksels), in November 1910, alsook den onvergetelijken liederavond van 20 December 1911.

Sedert zijn terugkeer uit Amerika, in 1902, heeft de verdienstelijke Vlaming zich te Berlaer (bij Lier) gevestigd. Edoch, een verleden gelijk hij er een achter de rug heeft, belet hem de rust te smaken waarop zijn bedrijvig, neerstig leven recht heeft...
Langs alle kanten uitgenoodigd en aangezocht, kan hij wel niet anders dan toegeven aan nadrukkelijke verlangens. Zoo schiep hij in de laatste jaren te Parijs “Tristan en Isolde”, “Het Rijngoud” en “De Godendeemstering”. Verleden zomer trad hij nogmaals als Parsival te Bayreuth op en kon voldoening beleven te bestatigen dat de oude bijval nog steeds zijn trouwe gezel is gebleven. Dit jaar deed hij zich onder meer te Parijs, Marseille, Manchester, Londen, Munchen, Weenen, Buda-Pest, en Bucarest toejuichen. Nog een twaalftal andere verbintenissen roepen hem in verscheidene steden van Duitschland en Frankrijk, vóór hij toekomenden zomer weer te Bayreuth optreedt.
Met recht en reden mag men beweren dat zulke verbazende werkzaamheid een deit daarstelt, dat in de geschiedenis der tooneelkunst als enig zal geboekt blijven. Geen wonder dat Van Dyck door de meeste Europeesche staatshoofden met de kenteekens hunner orden vereerd werd, waaronder hij met trots op 't Kruis van Officier der Leopoldsorde wijst. Dezer dagen nog werd hij Commandeur der Kroonorde van Roumenië benoemd.
Professor aan de Kon. Conservatoriums te Antwerpen en Brussel, heeft hij een hele pleïade uitmuntende leerlingen gevormd. Buiten den tijd dien hij behoeft om zijne leergangen te geven, ziet men Van Dyck nooit in de stad. Het verblijf in de Kempen oefent op hem een onweerstaanbare aantrekkingskracht. In dit stille landelijk leven, dat hij toch zoo ver boven het handgeklap en het verblindend licht van het tooneel verkiest, hoopt de groote zanger binnen enkele weken den dag zijner 25e verjaring als tooneelist, te midden zijner geliefde kinderen, door te brengen.
Mij, zijn ouden vriend, zal hij het wellicht niet ten kwade duiden dat ik hem heden, in dit tijdschrift tot verheerlijking van zijnen stam gesticht, eene diepgevoelde hulde kom brengen.

Dr Jos. De Keersmaecker



Voetnoot

...negenhonderd1
volgens mij is 1500 jaar dichter bij de waarheid. Immers, Lohengrin verklaart zelf dat hij de zoon is van Parsival. En deze laatste hoort tot de kring van koning Arthur. (Pros)


Vorige: Edgar Tinel.   Omhoog: België.   Volgende: Prof. Dr Julius Persyn.
Inhoudsopgave Index

Valid HTML 4.01 Transitional

Pros Robaer - 2009