Gepubliceerd op 25 mei 1912
|
De wedijver tusschen Engeland en Duitschland, waarvan de sporen in de meeste wederlandsche verwikkelingen zoo scherp op den voorgrond treden, zooals wij in de bespreking der Marokkaansche kwestie hebben bestatigd, is het grootste vraagpunt des tijds. Van het voortbestaan of de verzachting ―het woord verdwijning ware te veel gewaagd― van de concurrentie of wedstrijd tusschen die twee reuzen, hangt de vrede van Europa ontegensprekelijk af. Die hevige wedstrijd doet zich op alle gebied voor: handel, nijverheid, uitheemsche markten, koloniale macht, leger en oorlogsvloten. Men moet E. Williams' boek lezen Made in Germany (in Duitschland gemaakt) dat zooveel opschudding verwekte, om de uitwerkselen gade te slaan eener stoffelijke mededinging die den handel en de nijverheid van den Engelschman op menig punt van den aardbodem zulke gevoelige slagen heeft toegebracht. Dit echter is eene vreedzame wedijver. Erger is deze welke de betrekkingen kenschetst tusschen Engeland en Duitschland op het gebied van leger- en vlootsterkte... Beide loeren op elkanders oorlogsbudgetten met de grootste oplettendheid. Verleden week nog stemde het Duitsche Parlement eene aanzienlijke vermeerdering der begrooting van oorlog. Van zijnen kant wijzigt Engeland zijne verdedigingsplannen op eene betekenisvolle wijze. Vroeger bestond het stelsel der Engelsche admiraliteit hierin, de vloot zoo in te richten dat zij bestand was het hoofd te bieden aan eene vereeniging van twee groote zeemachten (two keels to one1) ― twee schepen tegen een. Dit stelsel is nu verlaten geworden om plaats te maken voor een plan dat alleen rekening houdt van de sterkte der Duitsche vloot, zooals minister Winston Churchill het, eenige maanden geleden, vlakaf bekende. De voortdurende samentrekkingen der Engelse vloot in de Noordzee en de maatregelen, dientengevolge door den Duitsche minister van zeewezen genomen, zijn nieuwe bedroevende bewijzen eener gevaarlijke ijverzucht tusschen de twee groote mogendheden.
Alle pogingen om eene overeenkomst te treffen, al strekte zij maar tot eene gematigde vermindering van bewapening, had tot dan toe gestrand, toen plotseling, eenige maanden geleden, lord Haldane, minister van oorlog, naar Duitschland werd gezonden, gelast met eene zending waarover nooit geen ambtelijke verklaring werd gedaan, maar wier betrekking met eene poging tot toenadering geen twijfel leed. Van weerskanten nu wenscht men de gedachtenwisseling te hernemen of te bespoedigen. |
Daarom heeft de Duitsche regeering besloten haren besten
diplomaat naar Londen te sturen: de schrandere baron of
vrijheer Marschall von Bieberstein
.
Te Baden in 1842 geboren, begon de opvolger van graaf Wolff von Metternich zijne openbare loopbaan met als lid van den
Reichstag een merkelijk deel te nemen aan de
beraadslagingen nopens de maatschappelijke wetgeving... Ten
jare 1890 volgde hij graaf Herbert von Bismarck op als
minister van buitenlandse zaken. 't Is onder zijn ministerschap
dat Keizer Wilhelm II aan Kruger zijn
beruchten snelbrief2
stuurde, die zooveel heeft bijgedragen om de betrekkingen
tusschen Duitschland en Engeland te verbitteren. Ten jare 1897
werd baron Marschall met een gezantschap van Duitschland, te
Constantinopel, belast. Daar speelde hij een zeer
glansvolle rol. Aan hem is zijn vaderland de gewichtige plaats
verschuldigd welke het in het Ottomaansche rijk heeft
ingenomen, ten bate van zijne stoffelijke en staatkundige
belangen.
Toen de Omwenteling der Jong-Turken sultan Abdul Hamid onttroonde en verbande, meende men dat de Duitsche invloed in het Oosten opgehouden had. Men rekende zonder den waard. Men vergat dat vrijheer Marschall niet slechts een fijn diplomaat, maar ook een wijze staatsman is, wiens behendigheid, kennis van menschen en zaken zoo sterk uitblonken in het gewichtige vraagstuk der ijzerwegen in Turksch Azië, alsook in de Vredensconferencie van den Haag. Welke zal nu de zending zijn van den nieuwe afgezant van Duitschland te Londen? Van volledige verzoening kan er nog geen spraak zijn; evenmin van ontwapening. Hoogstwaarschijnlijk zullen de twee regeeringen alle vraagpunten onbesproken laten nopens dewelke eene overeenkomst zooniet onmogelijk, toch heel moeilijk is, en trachten overeen te komen aangaande deze die voor een akkoord vatbaar zijn: bijvoorbeeld hunne onderscheidenlijke koloniale bezittingen in Afrika en der ijzerweg van Bagdad. Wat de koloniën betreft, zou men kunnen doen wat er verleden jaar tusschen Frankrijk en Duitschland is geschied, doch in plaats van tot eene ruiling van bezittingen over te gaan, zou men zich vergenoegen met eene ruiling of afbakening van invloedskringen. Met het Bagdad-vraagpunt, waarvan eene klare uiteenzetting een afzonderlijk artikel zou vereischen, iets dat wij eensdaags ondernemen zullen, schijnt men ook nuttig werk te verrichten. Met eenige der talrijke oorzaken van wrijvingen tusschen beide mogendheden uit den weg te ruimen, zal mettertijd eene rechtzinnige toenadering eene mogelijkheid worden, ten bate van de wereldvrede. Meer kan er omtrent de uitkomsten dier gewichtige zending niet gezegd worden. Wat wij er nog moeten bijvoegen is, dat van nu af reeds de Engelsche gezaghebbende dagbladen laten hooren dat alle pogingen om zoowel de hartelijke eenstemmigheid tusschen Engeland en Frankrijk, als de drie dubbele verstandhouding tusschen Engeland, Frankrijk en Rusland, te verflauwen, tot schipbreuk zijn gedoemd. Tamelijk beteekenend mag die uitdrukking van argwaan heeten!
|