Gepubliceerd op 22 februari 1913
|
Fier op de zielenschoonheid van herwordend Vlaanderen,
boetseerde Verriest de Twintig Vlaamsche koppen, en Ons Volk Ontwaakt tilt op een
lichtzuil, al wie, in en voor en door Vlaanderen hooger leeft en
voelt en werkt. Och! de sceptici en de vreemdelingen die niets verstaan van die geestdrift die het Vlaamschgezinde volk, als ware het een mythisch lichaam, doorrilt, zij moeten zich toch maar niet gaan verbeelden dat wij Vlamingen, met ons gezond verstand, zoo lichtzinnig zijn te denken dat, wat we Vlaamsche Koppen noemen, onsterfelijken zijn, die meesterstukken schiepen of heldendaden stelden! Volstrekt niet! Wij Vlamingen, willen der jeugd vooreerst, want voor de jeugd zijn wij bezorgd in de eerste plaats, menschelijke typen van groot- en schoonheid in het dagelijksch leven ter navolging voorstellen; wij kennen immers de opvoedkundige waarde van de betrekkingen met groote zielen. Wij stellen die Vlaamsche Koppen voor aan het volk, uit wiens oerkracht zij zich optilden tot groote eigenaardige persoonlijkheden, voor wiens heil zij, zelfvergetend, hebben geleden en gestreden. Verdienen dan onze mannen van hooger Vlaamsch leven niet te worden op den kandelaar geplaatst, nu sportfurie aan de spierkracht en haar aanhang van materialisme, wierook brandt. Ook, wat beteekent die verheerlijking onzer Vlaamsche Koppen wel anders dan dat Vlaanderen thans niet meer te kleingeestig is om zijn groote mannen te verstaan, en niet te lui-laf om ze te dragen, maar dat het Vlaamsche volk, uit zijne Egyptische vreemdelingschap terugkomt in zijn eigen beloofde land, dragend, processiegewijs, op fiere schouderen, de beelden zijner mannen!
Doch zijn verzenmakerij, hoe pittig en koddig soms ook, was toch
maar een proefje, een tijdverspeling als ge wilt, uit eigen
genot, om toch niet den dag te moeten zitten kijken naar het
haantje van den toren, waaronder hij woont. 't Was, meen ik, op
aanraden van zaliger Omer Delaey ―dat andere wonderkind
van Hooglede, eilaas, te vroeg aan Vlaanderen onttrokken― die
toevallig, over een viertal jaren, het handschrift van
Vermeulen's onuitgegeven roman in verzen te lezen kreeg, dat
Warden Oom besloot proza te schrijven, die hem, in enkele
maanden, met en door Ons Volk namelijk, in betrekking
bracht met gansch de Vlaamsche en zelfs de Nederlandsche
letterwereld, waar hij, in eens, zoo gesmaakt en zoo gewaardeerd
werd. |
Over zijn zieleleven zullen wij nu maar niet romantisch
uitweiden; omdat hij zelf zich een bochel lachen zou over
onzen... dommen praat die al geen Vlaamsch en is; en omdat hij
er volstrekt geen complexe ziel op nahoudt, maar echt en waar is
gelijk een kind en zonder complimenten. Dit echter mag ik er
toch nog bijvoegen: dat hij heel het dorp door zijn lolligheid
in een schaterlach kan doen schieten, dat hij eenvoudig van
gemoed is, met helderen kop en een klaar verstand, streng voor
zichzelven, toegevend en vol medelijden voor anderen, en dat hij
eindelijk vroom-christelijk is. Doch wil ik, met het oog op zijn Trimards en zijn eerlang te verschijnen werken1, zijne kunst teekenen, dus zijne ziel, dus den heelen man, den Vlaamschen kop. Zij zijn uit het volk en voor het volk; wij hebben dus hier niet te doen met modern geknoei, met litteratuur van subjectivisme en impressionalisme en verfijndheid, die grof bederf wordt; geen zielsbeschrijvingen op zijn Bourget's, geen droomerijen van weeke menschjes in glazen kastjes op zijn Aletrino's; geen individualisme 'lijk in Het Recht van den Sterkste, maar wij hebben hier de ware kunst der gemeenschap, waar Vermeylen van gewaagt in zijne verzamelde opstellen, en dewelke Schaepman als maatstaf ter veroordeeling der moderne kunst aanlegde. Eene kunst gesproten uit het bloed, uit de begeerten, de verlangens van het volk, als volk; dus echt en gezond, leefbaar en levenbarend! Geen kunst voor de kunst, geen kunst om reden van het permantelijke, vraatgierige ik! Deze kunst is realist; niet naturalist en zij bergt niet wat bergen titels als daar zijn Hard Labeur, Ruwe Liefde, De Doolage, De Wondere Wereld, De Last, Menschenwee, en al Buysse's geplodder. Zijn realisme is opgefrischt, overschongen door idealisme, gelijk Streuvels werken: De Vlasschaard en het Kerstekindje; doch het ademt, het geurt, het droomt, het stoort minder van leven. Even recht als Streuvels treedt hij binnen in de ziel zijner menschen; ja, realistischer zelf. Hij kent dat landvolk op een draad, dat volk waarvan Verriest in zijn Regenboog schreef: “dat aardig volk vol slapende krachten, vol droomend goed, vol wachtend kwaad, vol wordenden vrede, vol dwingenden spijt, vol lust, vol wee, vol veerdig leven”, maar ook vol innerlijke zedigheid, vol godsvrucht en praktische godsdienstigheid, vol eenvoud van leven in schoone zielen, die weinig begeeren maar groot zijn, midden 's levens alledaagschheden, en kalm en rustig onder het blijde licht en de vredeglans van het bovennatuurlijke. Vermeulen bewimpelt het kwaad niet; de dronkenschap, de godslastering, de onreinheid, de valschheid, de achterklap; maar hij blijft er niet op staren, doch vestigt onze aandacht op den strijd van het goede dat overwint door de sublimiteit der ziel waar God nog waakt. Hoe levenswaar is dit alles!.. Deze kunst lijkt mij beter dan vele landsche romans van H. Conscience, die zoo dikwerf slechts een drift éénzijdig en allesoverheerschend laten spelen, en niet den warboel van driften, gelijk de mensch is. Die warboel van driften is toch maar een relatief kwaad, het is een privatio boni, gelijk men zegt in de wijsbegeerte, en de zedelijke en christelijke opvoeding maakt dit bonum vaardig om zich boven het kwaad op te tillen. Het is landelijke kunst: onwillekeurig gaan wij bij het lezen van Trimards denken aan La Terre qui Meurt, en mag ik eventjes de vraag opperen of Warden Oom niet, mutatis mutandis, onze Bazin aan het worden is. Zijne natuurbeschrijvingen zijn niet nagestreuveld, integendeel, zij zijn sober gelijk bij Bazin. Zijn werk ook is een “roman à thèse” en daardoor is dit boek in hooge maat verzedelijkend. Een roman, zonder thesis, kan als kunstwerk prachtig zijn; maar een volk geniet hem nooit zoozeer. Het volk immers is nog niet vatbaar voor loutere kunst, zoo zulks althans bestaan kan; en nimmer kan het er vatbaar voor worden; want loutere kunst luidt gelijk met volledige onthechting van het aardsche en van ons zelf. Het volk moet medegerukt met een strooming, een redelijke drijfkracht, die het leven verhoogt en vermooit, die het leven maakt tot een brok kunstschoon. Deze kunst is verzedelijkend, omdat zij aangelegenheden behandelt als daar zijn: het vraagstuk der uitwijkelingen, de invloed van de christelijke opvoeding, het gevaar van verandering van midden, de ware opvatting der liefde in hare vele vormen en haren invloed, en haar vermommingen, de rol van den priester in het volksleven, enz. En die karakters? Kennen wij, in onze herinnering niet honderd zulke karakters gelijk Remi, “koekegoed” maar flauw, meegesleept en met het geweten steeds kiesch, midden veel zonde en onreinheid, gelijk het oude Meetje dat kindsch het drama ijzingwekkender maakt, 'lijk Lena, dat prachtbeeld van krachtige liefde en 'lijk Marietje Crepeele, die troostende, lieve engel. Ja, dat is uit het volk; en omdat het volk er zich zelf in leest en ziet, dat is voor het volk! Wie durft er nu weer, treiterend, zeggen dat dit alles... geen kunst is? Wie? Iemand zeker die voos en hardhartig werd door het lezen van romans der moderne school, en die denkt dat de ware kunst staan moet buiten het volk, buiten de zedelijkheid en de godsdienstigheid. Maar als ik, na lange jaren studie, dor en droog, bij het lezen van dit boek, aan 't weioogen en aan 't schreien geraak, en als 't ware mijn kinderlijke en landvolksche ziel terugvind, en als ik weet dat dit met duizenden gebeurt, zegt mij dan nog dit... geen kunst is? Als het volk dat u leest, Warden Oom, u zoo lief heeft, dan is het omdat gij zijn ziel meesterlijk betokkelt! Ja, Conscience's boeken waren ook geen kunst, en ziet, al de romanschrijvers die stonden en voelden buiten hun volk, zij liggen vergeten!.. Edward Vermeulen, Vlaanderen heeft u lief en hoopt op u! Het landvolk, uw landvolk, is de kern, de kleurstof, de oorkracht van het Vlaamsche volk! Dat volk draagt gij in geest en hart; dus dat volk zijt gij, en uw Vlaamsche Kop is een van de schoonste! Gij ook zult uw volk leeren lezen...
|