Gepubliceerd op 1 juni 1912
|
In de vrije natuur, op den hoogstgelegen heuveltop van eene
bijna platte landstreek, niet verre van een klein dorpken, nabij
eene kronkelige en weelderige in 't hartje van Vlaanderen, woont
een man. Het is een kunstschilder.
De man is niet onbemiddeld. Hoevelen zijn er niet, die middelen
bezitten... Doch hierin verschilt hij met zijne medemenschen:
“Hij dient deze middelen niet, doch die middelen dienen hem in
het nastreven van een hooger doel.” Onder zijne rechtstreeksche
familieleden telt hij hooggeplaatste ambtenaren wier invloed hij
niet gebruiken wil, noch tot zelfverheffing, noch tot gelijk
welke zelfbevoordeeling ook.
Hij huwde een vrouw van zijn stand. Beide kunnen ze als
voorbeeld dienen van het goed begrepen huiselijk samenleven.
Door de liefde sterk verbonden, heeft zijn gade onder den
invloed der mannelijke leiding het spoor gevonden, welk haar
zonder aarzelen het vroeger leven vaarwel heeft doen zeggen om
haren man te volgen in zijne zelfstandige en stoutmoedige
levensopvatting. |
Wat nu is zijn doel als mensch? Wel: als kunstenaar het Leven in volle oprechtheid na te streven, zonder omzien, doen geven en zeggen wat hij bepaald gevonden heeft, als zijnde zoo; dat wat hem op zijn weg getroffen en begeesterd heeft, in eenen lofzang te uiten, na te laten als een glorierijk spoor van de geestelijke gemeenschap met het onvergankelijke Leven. Iedereen heeft de vrijheid dit te willen. Doch iedereen heeft niet de ingeborenen noodige talenten, noch de persoonlijke hoedanigheid en wilskracht om te volharden, om iets van de waarheid te kunnen ontdekken en dit op persoonlijke wijze te kunnen vertolken. De Waarheid voor een kunstenaar komt nooit als een droge formule voor. Ze is de werking van het leven op een zelfbewust wezen, dat deze werking opneemt op eene wijze eigen aan hare persoonlijkheid om ze dan te vertolken. Dit is wel het kenmerk van zijn werk. Iedere maal dat de natuur zich voor hem ontsluierd, dat zijn begrip er eene synthetische visie van opvat, heeft deze rechtstreeks in zijne verbeelding den vorm doen ontstaan, doordrongen van den geest die er de oorsprong van is, welke den aard der emotie volledig zal weergeven. Om dien vorm te verwezenlijken, moet men de noodige talenten en kennissen tot zijne beschikking hebben. Deze heeft hij gestadig en onverpoosd ontwikkeld van jongs af; met de natuur te ontleden tot hij ze door en door kende, verstond en meester was. Dit laat hem toe zich nu, vrij en onbelemmerd, op meesterlijke wijze te uiten. En daar is voorzeker, in die strenge ontleding zijner uitdrukkingsmiddelen, de bron van het onverwachte, de oorzaak der groote verscheidenheid van uitzicht, van ieder zijner werken; het kinderlijk zuiver en frissche is aan zijn ongekunstelde natuur toe te wijten, terwijl het machtig-grootsch en onwrikbare het gevolg van zijn oprecht streven naar het begrijpen en juist voelen van het leven is. Waarheid komt hem voor als Levensrythmen die hem treffen; waarvoor hij vatbaar is, omdat zijn daden, gedachten en gevoelens volgens hare gegevens geschikt zijn. Degene welke dit ten volle kan is ook de grootste onder de menschen. Alle vooroordelen verwijderen, persoonlijken intrest op den achtergrond stellen, zijn gemoed vrij houden en eenen ontvankelijken geest aan de inwerking der Levende Natuur bieden. Dan na scherpe ontleding de synthetische kracht laten werken om bewustvol de natuur te kunnen volgen in al hare geheimzinnige werkingen om ten laatste vrijelijk op persoonlijke wijze deze hoog lyrische toestanden, zonder dralen te vertolken, zooals ze in onzen geest geleefd hebben. Het leven en het werk van onzen Vlaamschen kunstenaar zijn dan ook hierdoor gekenmerkt. Van toen hij bewust geworden is van wat de mensch is in de maatschappij, van wat hij tegenover de natuur kan zijn en het mogelijk verband van den mensch met het onvergankelijk Leven, heeft hij eene onveranderlijke houding genomen, heeft hij onverpoosd gewerkt, heeft hij zich alleen ten volle bemoeid met het Leven in de Natuur, met wat in haar is; en is tenslotte als kunstenaar tot eene persoonlijke uitdrukkingskracht gekomen welke bijna eenig is ten onzen tijde. Zijn werk begint al meer en meer een patriarchale uitdrukking te krijgen alleen eigen aan een ziener. Indien het noodlot hem niet komt tegenwerken in zijn goed zichtbaar stijgen naar nog grootere volmaaktheid, dan mogen wij zeker zijn dat we hier staan tegenover eene macht wier uitstralingen onvergankelijk zullen zijn als bronnen van geluk voor diegenen, welke zich in zijne reine psysische atmosfeer komen bewegen.
* * *
Het dorpke naast hetwelk die man woont heet “Sombeke”.
|