Vorige: Pater Fernandus Verbiest.   Omhoog: België.   Volgende: Ernest Van Dyck.
Inhoudsopgave   Index


Edgar Tinel.

Gepubliceerd op 16 december 1911

Veel te weinig gekend door zijn eigen volk is onze groote Tinel. Dit ligt wel grootendeels aan zijn eigen belangloosheid; als echt artist schept hij geen kunst voor geld of vergankelijken roem, maar uit innerlijken drang, uit warme begeestering voor hooge idealen. Hij versmaad het lagere instinkten te vleien en veranderlijke modes te volgen; hij is een apostel van de eeuwige, ware kunst en speciaal van de godsdienstig-katholieke. Ook bezit hij het genie om zijn grootsche ontwerpen ten uitvoer te brengen, een aangeboren genie, ontwikkeld en tot bloei gebracht door onverpoosden, hardnekkigen arbeid. Diepe godsdienstzin, werkzaamheid en getrouwheid aan zijn verheven roeping zijn de hoofdkenmerken van Tinel's leven.

Edgar Tinel werd geboren te Sinaai (O.-Vl.), op 27 Maart 1854. Op 7-jarigen ouderdom verbing hij reeds zijn vader op het orgel en toog twee jaren later naar Brussel om school- en muziekonderricht. Hier verbaasde hij zijn meesters, die zijn toekomst voorspelden: eerst Fétis en Lemmens, daarna Brassin (voor klavier), Gevaert, Samuel en H. F. Kufferath (voor kompositie).
Te Brussel prangde bittere nood den moedigen knaap; door les geven en klavier spelen moest hij zelf zijn bete broods verdienen en daarbij zijn familie helpen ondersteunen (er waren thuis nog acht kinderen!). In 1873 behaalde hij den eerste prijs van piano en trad op als een bekwaam klaviervirtuoos, ook in Duitschland. Hij schreef klavierstukken en liederen van blijvende waarde, studeerde vlijtig de orkestratie en de groote Duitsche meesters, werkte aan zijn algemeene ontwikkeling.
Den eersten prijs bekwam hij in den prijskamp van Rome in 1877, met zijn Vlaamsche kantate Klokke Roeland, een nog altijd gegeerd nationaal toondicht. 't Zelfde jaar huwde hij de dichteres Emma Coeckelberg, een waardige geestverwante, die hem zes zonen schonk.

Onafgebroken zagen talrijke werken het licht: Liederen, als de alom beminde Loverkens (14 oud-Vlaamsche minneliederen), de overheerlijke Grafgezangen, het innige Weemoed, het bekende Gondellied, Bruiloftslied en tientallen andere van groote oorspronkelijkheid getuigende ― koren, zonder begeleiding, psalmen, geestelijke gezangen, de 5-stemmige Mis ter eere van O. L. V. van Lourdes ― met begeleiding als de frissche ballade Drie Ridders, het kleurrijke, indrukwekkende Kollebloemen, het vierstemmig Te Deum, motetten, enz... ― voor klavier belangrijke werken als sonaten, de suiten Au Printemps en Bunte Blätter; voor oraal, de beroemde B-moll sonate; voor orkest: de drie symfonische toongedichten uit Corneille's Polyeucte, een uitgebreide , machtige en kunstrijke schepping.
Nu zette de meester de kroon op deze kostbare schoonheidsschatten met zijn geestelijk oratorium Franciscus, dat de meest gloedvolle verheerlijking beduidt van de Armoede en haar bruidegom St. Franciscus van Assisen.
Dien tijd had Tinel twee gevaarlijke operaties ondergaan en ondernam hij eene bedevaart naar Lourdes. Hier toondichtte hij de Marialiederen van Guido Gezelle voor gemengde stemmen, als blijk van kinderlijke genegenheid en dankbaarheid voor O. L. V. Op 22 Oogst 1888 had de eerste opvoering van “Franciscus” plaats te Mechelen; 't was een groote triomf voor den meester en zijn ideaal. Twee jaar daarna volgde Frankfurt a.M. en op korten tijd was het meesterstuk meer dan 200 maal ten gehore gebracht in haast alle beschaafde landen, van Hongarije tot Amerika!

Intusschen was te Mechelen, door de bemoeiingen van kan. Van Damme en den beroemden Kempische organist J. Lemmens, een muziekschool gesticht tot heropbeuring van de goede muziek in de kerk (1879). Na de dood van Lemmens, in 1881, werd Tinel tot bestuurder benoemd. 't Zelfde jaar ontstond ook de “Gregoriusvereeniging”. Nu brak voor Tinel een harde en langdurige strijd aan om de goede beginselen in zake kerkmuziek te doen zegepralen. Wat al onderduimsche tegenwerking, nijd, bekrompenheid heeft hij in dezen strijd, eerlijk en openlijk door hem gevoerd, niet ontmoet! Het Motu Proprio van paus Pius X beslechttte het feit, maar kon allen wansmaak en gecoquetteer met lichtzinnige muziek niet uit de weg ruimen.

In 1889 werd de befaamde toondichter rijksopziener over de Belgische muziekscholen en in 1896 volgde hij H. F. Kufferath op als leeraar van kontrapunt en fuga aan 't Konservatorium te Brussel. Toch vond de meester in deze al te drukke bezigheid nog tijd het grootsche muziekdrama Godelieve te voltooien, waarin het leven van de Vlaamsche heilige Ste Godelieve van Ghistel wordt voorgesteld. De schitterende eerste uitvoering (in koncertvorm) had plaats te Leuven, in 1901, en was ingericht door het “Davidsfonds”.

(Naar het begin van de volgende kolom)

  Luitsterrijk werd te Mechelen het 25-jarig bestaan van de zoo bloeiende en vermaarde kerkmuziekschool gevierd door het episcopaat, de leerlingen en al de Tinel-vereerders van 't land; want het was in hoofdzaak een betooging ter eere van den roemvollen bestuurder. Hij ontving den titel van Kommandeur der orde van St Gregorius den Groote.
Na de dood van F. A. Gevaert, werd Tinel (1909) bestuurder van het Konservatorium te Brussel, het hoogste muzikaal ambt in België; kort daarna kapelmeester van den koning. Hij had een prachtig Te Deum (op. 46) geschreven voor de feesten van België's zelfstandigheid en hij gaf daarin een proeve van de gepaste aanwending van 't orkest in kerkmuziek. En verleden jaar werd zijn nieuw muziekdrama Katharina 17 maal opgevoerd in den Muntschouwburg, onder ontzagelijken toeloop van volk. Wat zijn volkomen gerijpt genie ons nog schenken zal, is een geheim waarvan wij de onstluiering hoopvol verbeiden...

Tinel staat vlak tegenover de richtingen “de kunst om de kunst”, de kunst buiten de gemeenschap, de ziekelijke en verwaande effektzoekerij van den nieuweren tijd.
Voor hem is 't kunstenaar zijn een priesterschap, dat voor zending heeft, het Schoone, Ware en Goede, die in God onafscheidelijk vereenigd zijn, naar hun hoogste christelijke beteekenis onafscheidelijk vereenigd, aan de menschen te brengen. Geest en vorm van zijn werk sluiten zich aan bij die van Bach, Beethoven, Schumann, Brahms, voor hem de “apostels” van het ideaal, en van de groote meesters Händel, Mendelssohn en Liszt (voor 't oratorium) en Wagner's “Lohengrin” (voor 't muziekdrama).
Zijn muziek is gezond, kruimig, rijk en algemeen genietbaar. Het geestelijk oratorium heeft hij tot de hoogste en reinste volmaaktheid gebracht. De godsdienstige Vlaamsche ziel leeft in Tinel's kunst, als de werken van Memling, Van Eijck, Massijs, Ruysbroeck en Guido Gezelle. “Het was een verheffend, groot feest voor het Vlaamsche volk” schrijft Fierens-Gevaert over de Godelieve-uitvoering te Leuven, “en wanneer men Tinel aan het hoofd van orkest en koren aanschouwde, meende men de wederopstanding der groote toondichters van de 15e eeuw bij te wonen, dien de roem der Vlaamsche muziek de wereld rond voerden.”

Vlaamsch blijft de groote meester in zijn kunst, ondanks zijn klassiciteit en internationalism, ook Vlaamschgezind in zijn hart, zooals hij bekende op het jubileum te Mechelen en bewees in zijn “Klokke Roeland” en “Vlaamsche Stemme”; zooals zijn leerlingen het ook ―wat al te schaars― ondervonden.
Als leeraar was hij uiterst streng en eischte van zijn leerlingen hoogsten eerbied voor de muziek en de meesters, bizonder voor de kerkmuziek. Als uitmuntend redenaar en keurig stylist heeft hij naam, niet minder als alzijdig ontwikkeld man van zijn tijd. Aan wie hem meer dan oppervlakkig kennen, dwingt hij vereering af; aan zijn volk strekt hij tot voorbeeld van godsdienstzin, werkzaamheid en edel streven.

E. Van Bergen


Hebt ge Tinel,
Edgar Tinel gezien,
gezien, gehoord en gesproken?
En heeft hij u
dat onstoflijk brood
van zang en spel gebroken,
op zijn klavier?
En heeft hij dit klavier,
bij felle meesterstreken,
schier levend doen
zijn woord, zijn hert, zijn ziel
en zijn gedacht uitspreken?

Hebt ge Tinel,
Edgar Tinel gezien,
gezien en hem verstanden;
en zijt gij niet
meer mensch weer opgestaan,
van onder zijne handen?
Vereert ze dan,
vereert de kunst in hem,
de Godlijke, en buigt neder
voor God, dien al
dat kunst en kunstenaar is
terugbeeldt en geeft weder.

Guido Gezelle (Tijdkrans)



Vorige: Pater Fernandus Verbiest.   Omhoog: België.   Volgende: Ernest Van Dyck.
Inhoudsopgave Index

Valid HTML 4.01 Transitional

Pros Robaer - 2009