Gepubliceerd op 1 februari 1913
Voor de Schismatieken van het Oosten is een der voornaamste
bedevaartplaatsen de oever der Jordaan, op 1 1/2 uur ten
Zuid-Oosten van Jericho, waar volgens de overlevering Jezus
door Joannes-Baptista gedoopt werd.
De Jordaan vloeit in eene diepe en breede vallei, door de
Arabieren El-Ghor geheeten, en die Palestina van Noord
tot Zuid afsnijdt van de landen ten Oosten gelegen: Djolan,
Galaad, Moab, Arabië. Ten Noorden in die vallei
ligt het meer van Genesareth en ten Zuiden de Doode Zee; die twee zijn verbonden door den kronkelenden loop van de
Jordaan.
Breed is die rivier tegenwoordig niet; gemiddeld een dertigtal
meters. Maar na felle regens gaat zij soms verre buiten hare
oevers. Hare strooming is zoo hevig, dat alleen geoefende
zwemmers ze kunnen oversteken; op enkele plaatsen toch van haren
loop kan men ze doorwaden.
Bij Jericho ligt zij nagenoeg 300 meters lager dan het water van
de Middellandsche Zee. In die diepe kloof dan heeft men
dezelfde warmte als bij de keerkringen, en denzelfden
weelderige plantengroei als in de warme streken van Afrika.
De oevers staan begroeid met hoog riet, wilgen, populieren en
vooral met tarfaboomen of tamarisken. In de maanden Mei en
Juni wordt wordt de schors van den tarfa gestoken door een
insekt; het sap van den boom perelt uit de gaatjes, valt op den
grond en stolt daar tot kleine korreltjes. Ze hebben den smaak
van flauwen honing, en worden door de Araben manna
geheeten.
Over de plaats van Jezus' doopsel weet de volkstraditie nog
andere dingen te vertellen: daar zou de profeet Elias met zijnen
mantel op de rivier geslagen hebben, de wateren vaneen
gescheiden en droogvoets dwars door de rivier gegaan zijn.
Daar ook zou St. Kristoffel gewoond hebben en op eenen avond het
kindje Jezus op zijne schouders door het water gedragen...
Geheel het jaar door wordt daar de Jordaan druk bezocht door de
Grieken, Russen, Bulgaren, Serviërs. De Russen en Serviërs
zullen uit Palestina niet vertrekken zonder eerst in de Jordaan
gebaad te hebben.
Maar de groote toeloop, het eigenlijke Jordaanfeest, geschiedt
met Drie-Koningen. De Oostersche Schismatieken kennen wel het
feest van Kerstmis, met de herinnering aan de geboorte van
Jezus. Maar het feest van Driekoningen is eigenlijk hun grootste
hoogdag. Op dien dag vieren zij de veropenbaring van Jezus aan
de menschen.
Eenige dagen voor het feest trekken talrijke karavanen uit
Jeruzalem naar de Jordaan toe. Op den oever worden tenten
gespannen en mantels uitgespreidt voor de nachtrust.
Op Driekoningen, 's morgens, trekt een plechtige stoet van
Grieksche bisschoppen en priesters naar de rivier; een der
bisschoppen gaat vooruit op den oever en zegent het
Jordaanwater.
Dan grijpt een der wonderste tooneelen plaats die men uitdenken
kan; mannen, vrouwen ―kinderen slechts bij uitzondering―
staan op den oever gereed; al hun kleederen hebben ze
uitgespeeld en in de plaats een lang wit kleed aangetrokken.
Dadelijk na de wijding loopen die honderden pelgrims de rivier
in, zoover er geen gevaar bestaat om door de strooming
meegesleept te worden.
Tot aan de borst gaan zij in het water, en dompelen dan hun
hoofd onder, om het doopsel van Jezus na te doen.
Als zij na de plechtigheid terug de baan opgaan naar Jeruzalem,
dragen zij steenen kruiken en blikken bussen mede, gevuld met
Jordaanwater, dat zij later in hun land zullen aanwenden voor
het toedienen van het doopsel.
Het witte doopkleed dat zij bij het Jordaanbad droegen wordt met
zorg opgerold en meegedragen...
Volgens de meening van die bijgeloovige Schismatieken heeft het
wonderkrachten bekomen: bij het afsterven van een familielid
wikkelen zij het lijk in zoo'n doopkleed en begraven het
daarmede; zij zijn nu overtuigd dat zoo al de zonden, gedurende
het leven bedreven, uitgewischt worden.