|
Dr. Bauwens werd geboren den 9 Maart 1855. Hij is geneesheer
(sedert 1880) en schepen te Aalst, zijne geboortestad. Hij
wordt thans gevierd als Vlaamschgezinde, strijder,
letterkundige, geleerde. Zeer vroeg vlaamschgezind dank zij
vooral zijne broeder Evarist, den bekenden pater E. Bauwens, S.
J. die zulke uitstekende schoolwerken schrijft. Zijn eerste
groote Vlaamsche daad was het afleggen in het Nederlandsch, met
schitterenden uitslag, van het graduaatexamen (1874), een
examen dat ten dien tijde vereischt werd voor den toegang tot
de Hoogeschool.
Te Leuven was Bauwens zeer vlijtig lid van “Met Tijd en Vlijt” en van de “Studentenafdeeling” van het
Davidsfonds. Hij kende daar de knappe Vlaamsche studenten:
Albrecht Rodenbach,
Pol de Mont
. Toen reeds bestudeerde hij zelfstandig de
wetenschap en was in alle opzichten een schitterend student.
De Vlaamschgezinde strijder Dr. Bauwens is mij best bekend als
voorzitter van den oud-Hoogstudentenbond van Oost-Vlaanderen,
sedert zijne stichting, in 1902.
Bij de allereerste onderhandelingen te St. Nicolaas was hij
niet aanwezig.
Wij waren met eenigen die pas de Hoogeschool hadden verlaten.
Toen het erop aan kwam een voorzitter te kiezen werd onmiddelijk
Dr. Bauwens voorgesteld.
Allen waren het eens... doch zou de Dokter het aanvaarden?
Breed waren zijne werkzaamheden. Zou hij wel aan 't hoofd willen
staan van ons, jonge mannen, die het leven instapten met een
schat begoochelingen en zeer weinig ondervinding?
Het vragen stond vrij en... het aanvaarden kwam er bij.
Ik herinner me dat Dr. Bauwens verklaarde te willen zijn “een
voorwerker, niet een eenvoudig voorzitter”.
Sedert 1902 blijft Dr. Bauwens de geliefde
voorzitter van onzen oud-Hoogstudentenbond. Bijna nooit is hij
afwezig op onze bijeenkomsten. Wanneer de bonden vergaderen is
hij er bij. Hij was te Leuven 9 Mei, 1909; te Mechelen op
het Katholiek Congres. En steeds is hij even jong, even
volledig Vlaamschgezind als de vurigste onder ons. Hij is het
die namens den bond herhaaldelijk het woord voerde op
vergaderingen van de Aalstersche katholieke kiesvereeniging en
de Candidaten naar hunne inzichten ondervroeg. Hij deed dit
telkens, zooals het behoorde: krachtdadig en heusch.
Het is dus met reden dat de oud-Hoogstudentenbond van
Oost-Vlaanderen, op zijn tienjarig jubelfeest viert zijn
voorzitter, neen meer dan zijn voorzitter, zijn vroedmeester en
peter, die het kind levensvatbaar maakte en boven de doopvont
hield.
Andere Vl. kringen kunnen over hem evenveel goeds zeggen als
wij, onder meer: Het algemeen Nederlandsch Verbond, tak Aalst;
de onder-commissie voor de vervlaamsching der Gentsche
Hoogeschool, de tooneelkringen van Aalst.
Zoo Dr. Bauwens slechts bij uitzondering op den voorgrond treedt
in de eigenlijk, strijdende Vlaamsche beweging, dan is het
tengevolge van zijn “wetenschappelijken” arbeid waaraan al
zijn vrije tijd wordt besteed. Doch als gemeenteraadslid, als
lid van wetenschappelijke en beroepsvereenigingen streeft hij er
naar alles wat onder zijn bereik ligt te vervlaamschen en bekwam
hij reeds voldoende uitslagen.
Van holle woorden, gescherm met blikken zwaarden, schieten met
los buskruit houdt hij niet.
Hij weet graag waar men met voorstellen heen wil.
Neemt hij iets op zich dan zal hij, wees maar gerust, het ook
volbrengen.
Meent hij het niet te kunnen doen dan verklaart hij het ronduit.
Van anderen wenscht hij hetzelfde.
Hij is vlaamschgezind, volledig, ernstig, altijd, overal... Hij
leeft overeenstemmig zijn beginselen, versmaadt het kleine niet,
geeft niet alleen geld ―dat doet menigeen―, eenige uurtjes
van tijd tot tijd ―wie is daarvoor niet te vinden?―, maar
zijn leven, zichzelf. Al de krachten van zijn wil en geest op
alle vrije uren van elken dag, die vroeg begint en zeer laat
eindigt. Alle uren zijn kostelijk; de dag heeft er maar vier en
twintig, waarvan de slaap er een ruim deel eischt, en de
practijk... en toch schoten er genoeg over om aan den dokter toe
te laten “letterkunde” en “wetenschap” te beoefenen.
De letterkundige werken, meest alle met streng-historischen
ondergrond zijn:
Het geschiedkundig melodrama “Iwein van Aalst” (1885), de
geschiedkundige roman met denzelfden naam (1886).
In beide werken heeft een Aalstersche held, uit een der meest
bewogen tijdperken onzer zoo groote historie, toen Vlaanderen
zich losrukte van het juk van den indringer Cliton en
Dirk van den Elzas op den grafelijken troon stelde...
Het melodrama, met muziek van G. Pape werd herhaaldelijk
voorgesteld. De roman beleefde in 1906 zijn vijfden druk.
Hij boeit, is vol leven en bezieling en stevig geschreven.
Het blijspel in 5 bedrijven: “Hertog Filip” (Hoe hertog Filips
de Goede zich te Brugge vermaakt) dat op een prijskamp te
Antwerpen den eersten prijs bekwam, samen met Van Laer's
“De Filistijnen”. Het werd nooit gespeeld daar de schrijver
het zou willen omwerken hebben.
Verder een treurspel in vijf bedrijven: “Twee Tijgerinnen”
(Brunehilde en Fredegonde), met den derden prijs vereerd in den
prijskamp voor tooneelletterkunde door de stad Antwerpen
uitgeschreven over het tijdvak 1894 - 1897, eervol vermeld in
het verslag over 's lands driejaarlijkschen wedstrijd (XIVe
tijdvak) waarin het te kampen had tegen Hegenscheidt's
“Starkadd” en Melis' “Koning Hagen”. Buiten Aalst werd het
ook niet voorgesteld daar de schrijver het wenscht te
wijzigen.
Twee onuitgegeven kluchtspelen: “De Aalstersche schouwvager”,
“Het Erfdeel van Egidius Pronkappel” en eene vertaling van
“Quinten Metsijs”, zangspel in twee bedrijven (1894).
Hoe verdienstelijk het ook zij, toch wordt Dr. Bauwens'
letterkundig werk in de schaduw gesteld door zijn
wetenschappelijk.
Zijn eerste groot werk op dat gebied is: “Lijkbegraving en
lijkverbranding”. Het eerste deel “De lijkbehandeling bij de
heidensche volkeren” (403 blz.) verscheen in 1888.
Het werd door Dr. A. De Mets in het Fransch vertaald.
Het tweede deel: “De lijkbehandeling bij de Christen
volkeren”, bevattende 422 blz., verscheen in 1892.
Van het derde deel, dat de voor- en nadeelen der verschillende
stelsels behandelen moet, verscheen enkel een hoofdstuk: “Het
dichterlijke en het wezenlijke en lijkbegraving en
lijkverbranding” (1894, 66blz.).
Al de beoordeelers van dit werk prijzen het als een
standaardwerk, getuigende van verbazende belezenheid,
uitgebreide kennis, historischen zin, fijn schrijverstalent.
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
Het verzekerde aan den schrijver den titel van “membre
associé ètranger” van de “Société française
d'hygiène” van Parijs.
Dezelfde hoedanigheden stralen uit in “Het Alcoholismus”, een
boek van 480 blz. in 1900 verschenen, behandelende I. Inleidende
begrippen; II. Uitwerking op den enkelen persoon; III. Op het
huisgezin; IV. Op de maatschappij; V. Voorkoming en
bestrijding.
De kritiek prees het boek als “de slotsom van al wat over het
anti-alcoholisme geschreven werd en kon geschreven worden”.
Aan alle Vlaamsche natuur- en geneeskundige congressen neemt Dr.
Bauwens deel. Hij droeg daar menige studie voor...
in 1901 “Mijne Traanfistel”, in 1902 “Iets over
ongevalsnevrose na spoorwegongelukken”. Het Aalstersch congres
(1902) zat hij voor. Hij sprak er over “Het
Drinkwatervraagstuk”.
Op het XIe congres in 1907 te Mechelen gehouden bracht Dr.
Bauwens de blijde boodschap dat hij het opstellen van een
“Nederlandsch Woordenboek en Kunstwoordentolk der Geneeskunde,
Heelkunde, Artsenijbereidkunde en hulpwetenschappen als Schei-
Natuur- Planten en Dierkunde” had aangevangen.
Dit werk is nu Dr. Bauwens' levenstaak geworden.
Hij wil het maken tot een eenige roemzuil ter eere van onze
Nederlandsche taal. Daarom is het dat hij zichzelf aangaande
zijn woordenboek de hoogste eischen stelt wat betreft
volledigheid, wetenschappelijke degelijkheid...
Het Nederlandsch woordenboek moet beter zijn dan om het
even welk vreemd, opdat daardoor den roem der Nederlandsche taal
strale.
Dat het geld ―een fortuintje― dat het tijd ―een stuk
leven― koste, indien het maar verschijnt en deugdelijk is.
Tot nu toe verschenen negen afleveringen (A tot woord bouillon).
Elke aflevering bevat 48 bladzijden, groot formaat, van twee
kolommen van 70 lijnen iederen kost 1.25fr.
Het werk zal volledig zijn in ongeveer 50 afleveringen.
Uitgevers zijn de Nederlandsche oekhandel, Antwerpen, en M.
Spitaels-Schuermans, Aalst.
Deskundigen schatten het werk zeer hoog... Prof. Dr. Burger
schreef over het verschijnen der eerste aflevering:
“Deze proef maakt door hare uitgebreidheid en volledigheid een
verbijsterenden indruk. Zij legt getuigenis af van een
ongelooflijken ijver en volharding en van een eerbied
afdwingende kennis op natuurwetenschappelijk- en taalgebied.
Niet alleen de geneeskunde met hare onderafdeelingen, ook de
bijvakken in den allerminsten zin genomen (dier- en plantkunde,
schei- en delfstofkunde) leveren den schrijver de bouwstoffen op
voor zijn werk. Hij schijnt ze volkomen te beheerschen.”
(Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde. 1909. 14.)
De wensch door “Hooger Leven” (1 Januari 1912) geuit, worde
dus in acht genomen:
“Op alle wetenschappelijke Vlamingen en Nederlanders, op onze
bibliothecarissen, burgemeesters, op allen wien het boek van Dr
Bauwens een hulp en een steun biedt, berust een verplichting:
den stoeren werker aan te moedigen. Die aanmoediging zal
inzonderheid bestaan uit de duizenden inteekenaars die op zijn
werk zullen inschrijven of ten minste... zouden moeten
inschrijven.”
Geve God aan den schrijver de kracht en den tijd om dit
reuzenwerk te voltooien opdat hij dan Horatius moge
najubelen:
“Ik heb dit eereteeken voltooid dat koper in duurzaamheid
overtreft, en hooger uitsteekt dan het punt der koninklijke
naalden. De vratige slagregen, de uitgelaten Noorderwind, noch
de ontelbare reeks der jaren en het verloop der tijden zullen
het niet kunnen uitroeien. Ik zal niet geheel sterven. Mijn
grootste deel zal de dood ontvlieden. Mijn lof zal hierna
altijd even frisch aangroeien”
(Vertaling door Vondel)
En na dit werk wacht nog menig ander op zijn beurt...
Het schijnt dat in het Nederlandsch nog geen “Algemeen
Leerboek”
der inwendige ziekten bestaat en dit een zeer nuttig werk zou
zijn.
In de Wetenschappelijke Vlaamsche Beweging bekleedt Doctor
Bauwens eene allereerste plaats. Groot moet de liefde zijn tot
taal en volk dat zij een mensch tot zulke zware opofferingen
bekwaam maakt.
“Ge weet het,” verklaarde de gevierde geneesheer aan een
medeopsteller van “Le Patriote”, na het verschijnen van
“Het Alcoholismus”, “ik schrijf in het Vlaamsch met
voorbedachten rade en uit liefde tot de moedertaal. Het is op
wetenschappelijken grond dat de Vlaamsche Beweging zich verder
moet ontwikkelen. Romans en tooneelstukken leerden ons volk
lezen, het hoogere genieten, de weldaden van het verstandelijk
leven kennen. Verhevener is nu het doel, edeler het pogen: ons
voorbeeld is de Vlaamsche Hoogeschool. Die willen en zullen we
veroveren. Hoe meer bewijzen van de mogelijkheid van een
Vlaamsch onderwijs wij leveren, hoe sneller wij tot ons doel
naderen. Veel moeilijkheden liggen den schrijver der wetenschap
in den weg. De onverschilligheid der meerderheid, sommiger
kwaadwilligheid, kunnen nochtans zijn moed niet doen zakken.
Wanneer men, de hand op het hart, mag getuigen dat men zijn
plicht volbracht, stapt men vooruit zonder omzien.”
Vooruit daar ziet de dokter “Nieuw Vlaanderen” rijzen als eene
hoogvlakte van eigen wetenschappelijk leven, vorstelijk tusschen
twee hemelhooge reuzenbergen “Gent's Hoogeschool” en
“Leuven's Alma Mater”. Eeuwig groen omlauwert het land.
Alle lijnen rijzen opwaarts, als in een zegetocht naar frissche
levenskracht, zuivere smetlooze lucht; de almachtige wind
verkondigt aan de wereld de schoonheid van de hoogten.
Hij heeft gelijk, de dokter, niet om te zien. Hij zou dan zien
hoe schier niemand hem volgen kan, wil of durft op zijn steile
baan der wetenschap. Velen beginnen wel, lopen een eindje mee,
doch blijven halfweg steken, plukken een bloempje, zingen een
liedje, fluiten een deuntje, vleien zich neder bij eene beek,
gapen de hoogten aan en tateren: “Laat dien eenzame maar
stijgen. Hij zal den weg verkennen, hem effenen. Wij wachten tot
een spoorweg ons naar ginder hoog voert, totdat een gasthof daar
oprijst. Dan gaan we opwarts. Excelsior is immers
altijd onze leus geweest.”
Mogelijk... de leus Excelsior is zeer gemeen: de eenen
stikken ze als een sieraadlint op hunne toeristenhoeden, de
anderen griffen ze in hun apostelenhart, leven er van, sterven
er voor.
Deze zijn voor een volk zoo schoon als de toppen der bergen in
het opengaan van den dageraad.
Lodewijk Dosfel
|