|
Ik heb Aarschot gezien, ik heb Hasselt bezocht, en 'k heb in
mezelven gezegd: ze halen het niet bij Diest.
Diest is de oude Demerstad, de middeleeuwsche “Burg” der
Demervallei.
Als beducht voor den nieuweren tijdgeest, verschuilt het stadje
zich met zijn oude gebouwen achter de dichte boomkruinen, welke
boven de buitenbermen zijner vervallen vesten uitsteken.
Slechts een viertal korte torenspitsen, een paar roode daken met
kleine platte pannen schouwen als wachters boven den groenen
gordel uit of glimmen u wantrouwend door de donkere bladerkronen
tegen. Wilt ge van verre iets meer onderscheiden, bestijg dan
toch even fort Leopold en blik in de diepte...
Edoch, treed liever de stad in; ―de modderpoorten zijn nu
verdwenen― op drie minuten staat ge aan den Demer, die
los door Diest spoelt. O die Demer met zijn haastig, grillig
water, met zijn veranderlijke boorden! Vandaag schijnt hij al de
rosse vette der zure beemden mee te voeren; morgen ziet hij er
zoo donker uit als zijn modderige bedding. Hier laten wilgen,
elzen, hagebeuken hun wijde takken in zijn snelvlietend water
neerhangen; daar tart een eeuwenoude gevel ― als die van den
Spijker― zijn machtig gespoel; elders
zuigen een tiental brouwerijen zijn siroopachtig water op, om
het te zuiveren, te koken en te verstorten tot “Diestersch bier”. Allerliefst wordt de rivier, als zij bruisend en
schuimend de helling afschiet en, dra bedaard, als een
zwart-blinkende reepel de vallei doorslingerd.
Zonder er aan te denken, staat ge op de Groote Markt, vlak vóór de Hoofdkerk.
Wie Diest op had als een gewoon stadje, kijkt hier verrast en
verbaasd op naar al het schoone dat zijne blikken treft:
vóór hem, het hoekend en licht glooiend plein der markt,
waarrond verscheidene huizen uit de 17e eeuw; rechts het breede
en fraai herstelde stadhuis, dat insgelijks dagteekent uit de
17e eeuw; links de statige collegiale Hoofdkerk, toegewijd aan
St. Sulpitius en opgebouwd met ijzersteen uit de streek, in de
jaren 1417-1534. De bruine tempel met zijn machtigen voorgevel,
zijn straffe schoren, zijn lieven kruisvleugel, zijn geboogde
vensterkruisen, zijn stoutmoedige draken en fraai aangeschoten
buitenkoorbogen, is een der mooiste typen van den ogivalen
stijl: vrijheid, mate, gril, ernst, leven spelen er in dooreen,
lijk in geen enkele hoofdkerk onzer oude groote steden.
Van binnen grijpt het heiligdom u aan als een verrukkelijke
kathedraal, die u langs haar optrekkende gewelfbogen hemelwaarts
voert; bijwijlen zou men zich met de omhoogblikkende
pijlerheiligen in de Zegepralende Kerk wanen, ware 't niet dat
het biddend beeld van den H. Joannes Berchmans u tot de
werkelijkheid terugriep en u tot smeeken noopte.
Dit beeld is een meesterstuk. Niet minder merkwaardig zijn de
kunstglasramen in de kapel van den Heilige, de schilderijen
boven de voornaamste altaren en het ongeëvenaarde ogivale
venster in den voorgevel, waarboven men zich graag een
gelijkenden toren van 100m droomt.
De beiaard hangt boven den kruisbeuk en telt 40 klokjes: 32
gegoten door P. Hemoni in 1671, 5 door het huis Van der Ghein en 3 door het huis Michaux (1912). Wie het concert
van verleden jaar heeft bijgewoond, moet bekennen, dat de
beiaard van Diest bij de beste mag gerangschikt worden.
In haar geheel is de St. Sulpitiuskerk een der merkwaardigste
kunstgewrochten van ons land. Aan haar linker kruisvleugel werpt
haar bruine roestkleur een rosse schaduw af op de roode of
bekalkte gevels van een half dozijn eeuwenoude huizen, die als
uit eerbied voor het machtig koor geweken zijn. Een fraaie hoek!
Even lief is het zicht op den kruishoek
Nieuwstraat-Ketelstraat waar men
drie huizen bewondert met stout welvende of vooruitspringende
verdiepingen, en een hoek van de St. Sulpitiuskerk in 't
verschiet.
De schoonste straat van Diest is, zonder twijfel, de Lange
Steenweg met zijn oude brouwershuizen en zijn monumenteel
posttorentje. Hij loopt nagenoeg uit op de O. L. Vrouwekerk, een
ijzersteenen kunstgewrocht in gothiek primairen stijl. Jammer
dat de Geuzen der 16e eeuw dit prachtjuweel hebben
geschonden.
Ga even door, en ge ontwaart in de verte een fleurige renaissancepoort, een echt specimen van “Rubensstijl”,
dagteekenende van 1675. Het opschrift “BESLOTEN HOF. COMT IN
MYNEN HOF, SYSTER BRUYT.” zegt u dat ge vóór het
Begijnhof staat. Het werd gesticht
in 1252 door Arnold IV, hertog van Brabant.
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
Tegenover de ogivale St. Catherinakerk, die opklimt tot de
eerste helft der 14e eeuw, bemerkt ge een heele rij bekalkte
huizekens, meestal uit de 17e eeuw; hoog boven de grond verven
vensters, kleine ruitjes in looden raampjes, looze gaatjes in de
deuren, aardige beelden van heiligen boven den deurboog,
begeelde ribben aan de zoldering; alles is er nog te zien,
hoewel er van lieverlede verandering komt.
Op het kerkhof van Diest treurt het
droeve puin der oude gothieke St. Janskerk, gewijd in 1254 en
verwoest door de Geuzen in de 16e eeuw. Nog enkele bogen van het
prachtig koor staan recht, bekropen door veilranken, die er
omheenslingeren, als wilden ze het onderschraagde metselwerk aan
het wakend oog der kunstminnaars onttrekken.
Naast het St. Jansveld strekt zich een omsloten lusthof uit
―een soort bosch― “De Warande”, waar eertijds de heeren
van Diest gevestigd waren op een met de St. Janskerk verbonden
slot. De stamboom der Heeren van Diest is bekend vanaf 1100. Zij
hebben een geweldigen rol gespeeld in de geschiedenis van Diest
en van het hertogdom Brabant.
Vóór en rond de Warande ligt de Graanmarkt ―thans de
paardenmarktplaats― en de Veemarkt. De markten van Diest
worden schier nog even druk bezocht als in de Middeleeuwen. Op
het overgroot plein der Veemarkt pronkt de farmeuze
Holle Griet, een zwaar kanon van
1465, dat tot in 1639 gediend heeft tot verdediging der stad.
Want langen tijd is Diest het mikpunt geweest van vijandige
naburen, van oorlogvoerende volkeren; langen tijd hebben
neringen en ambachten er naar de wapens moeten grijpen, om haard
en autaar te verdedigen. Vandaar het ontstaan der machtige
gilden als: het St. Jorisgild, het St. Barbara- en het St.
Sebastiaansgild - wier sierlijke “Braeken” of Breuken doorgaan
als meesterstukken.
In de markstraat staat het huizeken van St.
Jan Berchmans, d.i. het huizeken waarin Joannes in 1599 ter
wereld kwam. Het binnenste werd herschapen in eene kapel, waarin
jaarlijks honderden priesters en kloosterlingen komen Mis lezen.
Jammer dat de oude vooruitspringende voorgevel geschonden werd.
Er bestaat een ontwerp van herstelling in Renaissance stijl.
Ik zou nog andere werkwaardigheden kunnen aanstippen over het
oude stadje en verder uitweiden over zijn beroerde geschiedenis,
maar dit zou buiten mijn bestek leiden; liever nodig ik den
natuurminnenden lezer uit om eens even, langs de
Allerheiligenkapel, de verlaten citadel
te bestijgen. Overheerlijk is het Panorama dat zich voor uwe
oogen ontrolt.
Onwillekeurig schouwt ge over de stad heen en ontwaart ge, over
bergen en dalen, wijd afgelegen steden en dorpen en, in de
nabijheid, de bekoorlijkste landgezichten: ten Westen, het
heiligdom van O. L. V. van Scherpenheuvel, de heerlijke
vallei van den Demer en het oude Sichem, dat in vroeger
tijden, evenals Diest, door vreemde soldaten vertrappeld werd;
ten N.W., de statige abdij van Averbode en bij helder
weder, de glanzende torenspits van de O. L. Vrouwekerk van
Antwerpen; noordwaarts, op eene reeks heuvelklingen het
grasbosch met zijn uitgeholde rotskrochten en kempische
kreupelboschjes; te N.O., het veerijke Schaffen en, over
bleekgroene mastenbosschen heen, waartusschen uitgestrekte
heivelden en schrale zandplekken af wisselen, het kamp van
Beverloo, wier huizen met roode pannendaken als een
eenzame stad aan den gezichtseinder opglooien; eindelijk ten
Oosten, met groene valleien en golvende korenvelden in 't
verschiet, de stad zelve in haar middeleeuwsch hulsel; boven de
bemoste kleine platte pannen en de gesloten verdiepingsdeuren
der oude graanzolders, de talrijke getrapte spitsgevels en de
kortpuntige torentjes der bruine gothieke tempels, de slanke
spits der Kruisheerenkerk afstekende op de donkere eiken en
beuken der Warande en dieper in, het omslingerd puin der
koorbogen uit de oude St. Janskerk; heel de stad ligt daar voor
u als op een hoop geworpen, nauw omsloten door haar doorboorde
vesten - pas hernieuwd van 1837-44.
Hoe lief die forten van natuurentwege ook zijn, toch laten zij
een pijnlijken indruk na, omdat ze u voor den geest tooveren het
voortdurend oorlogsgeweld waarmee vijandige naburen, zwervende
krijgsbenden, Spanjaards, Geuzen, Franschen, Oostenrijkers,
Sansculotten, in den loop der tijden, het nijvere Diest hebben
bestookt en geteisterd. Troostend is echter te denken dat, in
die droeve tijden, de Diestenaars, als ware Vlamingen, steeds
aan Vorst, Vaderland en Godsdienst zijn getrouw gebleven.
A. J. C.
|