Gepubliceerd op 17 februari 1912
Dat ons dierbaar, voorvaderlijk eenvoudig en diep godsdienstig Limburg door een overgroot gevaar bedreigd wordt, betwijfelt niemand meer. Even zeker is het, dat we geen stond meer wachten mogen om heel deze streek door, de hand aan 't werk te slaan; 't zal zoo ook al moeite genoeg kosten om den vijand buiten onze bres te houden. 't Mag daarom van belang wezen, te onderzoeken, wat ons in 't nieuwe kolenland te wachten staat.
Tusschen Oostmalle en Lier in
't Westen, de Maas in 't Oosten, eene lijn ten Noorden over
Moll en Leopoldsburg naar Stockheim en ten Zuiden
over Diest en Hasselt naar Mechelen-aan-de-Maas,
ligt het pas ontdekte en door talrijke boringen waargenomen
koolbekken; het hartje der
Kempen, aan de oppervlakte heel en al heide en zand...
Met zijn 75 kilom. lengte en van 14 tot 16 breedte beslaat het eene
oppervlakte van omtrent 1.200 vierkante kilometers, nagenoeg het
vierde gedeelte der provinciën Limburg en Antwerpen. Dit
geldt voor de thans doorzochte en volledig bekende kolenstreek. In 't
Zuiden ―mag men bijna met zekerheid zeggen― zal het groote
koolvlot niet verder strekken, doch in 't Noorden ligt er nog een breed
grondgebied, dat niet genoeg doorzocht is om het naar zijne huiste
waarde te schatten.
Enkel in het Oostelijk
gedeelte, dat tusschen Moll en Diest, langs den eenen kant, en de
Maas langs den anderen, eene oppervlakte beslaat van omtrent 700
vierkante kilometer, werden tot heden toe ontginningen
toegestaan.
Dit gedeelte bestaat uit:
Volgende uitleg geeft een overzicht der toegestane ontginningen en dient ter verklaring onzer kaart. Vijf en zestig boringen met gunstigen uitslag, hebben in dit gedeelte ligging, doorsnede en hoedanigheid der kolenlaag doen kennen.
Tot 700
meters diepte ligt het koolvlot, en 't is geen alledaagsch werk, door
zand en rots en waterlagen, eenen put te graven. Lang en lastig was de
voorbereiding: het onderste gedeelte van den grond heeft meestal
gecimenteerd om dezen tegen watervloed en drijfzand te vrijwaren, en
nu is men bezig met het bovenste deel te doen bevriezen. Uiterst
voorzichtig is men op de meeste plaatsen te werk gegaan en toch wordt er
nog een reuzachtig fortuin aan machtige stoompompen besteed om, bij
ongeval, het water te keer te gaan.
De grond ligt gereed en binnen eenige dagen zal men hier en daar door de
harde korst beginnen te boren. Hoogst waarschijnlijk, daar men nu
zoovele voorzorgen genomen heeft, zal ook dat werk zijnen
regelmatigen gang gaan en dan mogen we hopen dat men binnen drie jaren
de eerste kolen uit het nieuwe bekken zal kunnen delven.
Elke maatschappij koopt den grond
op die rond de nieuwe mijnen ligt en zal daar zelf werkmanswoningen
bouwen. Te Waterschei (mijn Dumont) rijst reeds een heele wijk op en
werd eene parochie gesticht; te Eijsden is men druk bezig, daar ook bouwt de maatschappij
kerk en scholen. De gebouwen zijn meestal blokken van twee of van vier
woningen met eenen ruimen hof; breede straten loopen er door; noch
elektrische verlichting, noch waterleiding, noch wat “modern
comfortable” ook ontbreekt...
't Zal geen jaren meer aanloopen eer nieuwe, gansch moderne gemeenten
met duizenden inwoners daar te midden der oude onvruchtbare heide
ontstaan zijn.
Ook de Staat zal het zijne bijdragen om het verkeer te
vergemakkelijken. De lijn Hasselt-Maeseyck werd den 1en
Januari overgenomen en zal, over Landen, het Limburgsch kolenbekken met Luik verbinden. Daarbij werden er twee
ontwerpen goedgekeurd; eene lijn van Asch over Beeringen en
Gheel naar Antwerpen en eene andere van Hamont over
Bree en Genck naar Munsterbilsen en Maastricht.
Men spreekt van een nieuw kanaal en het bevaarbaar maken der
Maas staat op goeden voet. Kortom eene heele omwenteling staat
ons ook hier te wachten.
Uit een artikel uit het blad “L' Expansion Belge”, door
verschillende Vlaamsche bladen overgenomen, lezen we: “Om het
belegde kapitaal te vergelden, zal de uitdelving 4.000 ton in
elke groeve moeten bereiken. Daarvoor zijn 4.000 werklieden
nodig. Met slechts één put te rekenen voor elke vergunning,
moesten er 32.000 werklieden zijn.”
Het opgegeven cijfer blijft ver onder de waarheid; want daar en
nu negen vergunningen zijn toegestaan, zoo klimmen we
tot 36.000. Edoch, hoogst bevoegde vakmannen verzekeren dat elke
mijn 7.000 tot 8.000 werklieden zal noodig hebben. En bij eenen
put voor elke vergunning zal het zeker niet blijven... Dan
tellen we nog de vijf aanvragen niet, die ter onderzoek gereed
liggen, noch al wat de Staat voor eigen ontginning voorbehouden
heeft, noch de fabrieken die van zelf rond de nieuwe centrums
oprijzen zullen!
Dat ons klein Limburg in staat zou zijn om al die werkkrachten
te leveren, schijnt nu gansch onmogelijk ― bijzonder wanneer
dat getal weldra veeleer de 100.000 dan de 30.000 nabij komen
zal... Aangenaam verblijf en redelijk loon zal veel volk naar
hier lokken, zowel uit den vreemde als uit ons eigen land; dat
staat buiten twijfel.
Onze geliefde Vlaamschgezinde bisschop, Mgr. Rutten, heeft
duidelijk den toestand blootgelegd in zijne welbekende synodale
rede van den 20en April 1910: “Uit dien toestand zal volgen,”
zegt hij, “dat de Vlamingen die slechts hunne eigen taal
machtig zijn vast en zeker zouden ten achter staan. Onbekwaam
zijnde om aan het hoofd der werken te staan, zullen ze in hun
eigen land slechts als gewone werklieden behandeld worden,
evenals duizenden hunner medebroeders in de Walenstreken.”
Dat moeten we eerst en vooral beletten. Doch hoe zullen we
beletten dat vreemden hier den hoogen toon voeren en dat hun
invloed alles bederve? Er is maar één middel: door opleiding
het Limbugsche volk de noodige bekwaamheid verschaffen om zich
naar omhoog te werken... Ons volk, dat nog zoo een taaie
werkkracht, zooveel edele deugden en zoo een diepen
godsdienstzin bezit, zal dan invloed krijgen op de
inwijkelingen. De goede hoedanigheden der Limburgers zullen op
de vreemdelingen een weldadige inwerking hebben, wanneer de
Limburgers ook op de hoogste sport der ladder arbeiden.
Dus, moeten we werken opdat toch weer alles in 't bestuur der
mijnen niet in het Fransch toega. Mgr. Rutten zegt het
uitdrukkelijk: “Wij moeten bekomen dat zij, die aan het bestuur
staan, Vlamingen wezen of ten minste het Vlaamsch machtig
zijn.”
Goddank, de nieuwe richting die onze Katholieke Hoogeschool
inslaat, zal niet weinig daartoe bijdragen en verheugend is het
ook dat de Waalsche ingenieurs die er op 't oogenblik werkzaam
zijn, over 't algemeen Vlaamsch leeren met eenen ijver die alle
lof te boven gaat. Waalsche dames zijn er die elken avond trouw
Vlaamsche lessen bijwonen en bijna elken dag zieken en armen
gaan bezoeken om op praktische wijze de taal van ons volk te
leeren. Zij verdienen onzen dank en onze bewondering en we hopen
dat heel de hoogere stand van Limburg hun voorbeeld zal
navolgen...
De tijd mag dus niet verspild worden met ons volk enkel wat
Fransch te leeren... De vakschool moet Limburg redden.
In degelijke vakscholen moeten de Limburgsche jongens bekwaamd
worden om het beste en het fijnste werk te verichten. Te
Waterschei wordt bijna elken avond les gegeven om het volk, dat
daar zeer ten achter was, te onderwijzen en te ontwikkelen. Er
bestaat een cursus voor Walen, waar werklieden en ingenieurs
samen komen Vlaamsch leeren. Weldra zullen er ook lessen gegeven
worden voor werktuigkundigen en electriciens.
Voor mijnwerkers zelf is er nog geen werk, en bestaat er nog
niets; doch men is van plan te onderhandelen met
Heerlen1
en daar mannen heen te sturen om het lastige werk aan te leeren.
“Alles moeten we nu doen,” zegt Mgr. Rutten nog, “alles
ondernemen, alles opofferen om de zeden, de godsvrucht en den
godsdienstzin van ons Limburgsch volk te bewaren.”
Dat kunnen slechts mannen met wil en karakter en daarom mogen we
wel vragen dat èn Seminaries èn Hoogeschool èn
Normaalscholen hunne uiterste beste krachten aan ons bedreigde
Limburg schenken. Eene talrijke keurbende Vlaamsche mannen,
priesters en leeken, gesproten uit ons krachtig en ideaalvol
Vlaamsche knapenschap, verwachten we in onze nieuwe kolenstreek;
daar ligt een breed en vruchtbaar veld voor hen braak.
Zoodra de werkzaamheden beginnen dienen we over heel de streek
ons werkvolk in machtige Christene werkvereenigingen en bonden
te scharen. Zijn wij een ware macht, dan hebben de
godsdiensthaters met ons af te rekenen. Praktisch wordt er al
van heden af gewerkt voor: kerken, patronaten, scholen, enz. Het
onderwijs voorzeker is van het grootste belang. Fanfaren en
andere vereenigingen dienen om het volk te leeren zich op eigen
bodem betamelijk te vermaken en dragen ook ―wanneer ze goed
ingericht zijn― niet weinig bij tot het bestrijden van het
drankmisbruik. Echte herbergen worden in de nieuwe centrums
slechts in zeer beperkte mate toegelaten. Zou men het niet
kunnen beproeven ze door eigenlijke thee- of koffiehuizen te
vervangen? Er zijn dorpen in Limburg waar zulke proef de beste
uitslagen opgeleverd heeft. Over drankgevaar toch mogen we niet
te licht heenkijken, want, wordt ons volk ook aan den drank
verslaafd zoo verliest het zijne beste krachten en het wordt
door door den eerste den beste bepraat en omgekocht.
Volkomen stemmen we in met “L' Expansion Belge”, dat voor onze
Kempische meisjes, niet gevraagd wordt dat goochelonderwijs, dat
in tentoonstellingen zooveel pronkt en waarbij aan een werkman
een krachtig voedsel voor eenige centimen zou verschaft worden,
maar wel een redelijke opleiding, waardoor onze aanstaande
Limburgsche huismoeders zouden leeren een gezin zuinig en
degelijk te onderhouden...
Moge iedereen zijn plicht doen tot het uiterste, dan zullen we 't niet betreuren dat God ons nieuwen rijkdom schonk, maar zullen we ons volk ontwikkelen en veredelen en het bekwaam maken om op redelijke wijze van die weldaad des Heeren te genieten.