|
Het is van oudsher eene gewoonte geworden dat bij een sterfgeval
de meest “hervorragende” of meest uitstekende daden van den
afgestorvene worden opgerakeld.
Deze oprakeling zal belangrijker zijn naarmate de afgestorvene
in zijn leven een grootere of een kleinere rol gespeeld heeft.
Zo past het, dat we de daden van den afgestorvene graaf de Smet de Naeyer even belichten.
Na een kort overzicht van zijn leven eenige aparte
beschouwingen.
Paul de Smet de Naeyer werd geboren op 13 mei 1843 te
Gent. Daar was hij als nijverheidsman werkzaam.
Hij werd tot lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers
gekozen op 8 Juni 1886, maakte deel uit van den algemeenen raad
en den beheerraad van de Algemeene Spaar- en Lijfrentekas
en werd op 26 Maart 1894 na ontslagneming van het kabinet
Beernaert, tot minister van Financiën benoemd.
Op 25 Februari 1896 werd hij voorzitter van den ministerraad ter
vervanging van De Burlet, doch trad op 23 Januari 1899 als
zoodanig af, wegens een geschil rakende de regeling van het
kiesrecht.
Hij werd door den koning, op 24 Januari 1899 tot minister van
staat benoemd. Enkele maanden later, na den val van het kabinet
Van den Peereboom, trad hij opnieuw op als voorzitter van
den ministerraad (1899), en minister van Financiën en openbare
werken. Bij open brieven van den 26sten Mei 1900 werd hij tot
graaf verheven en den 27sten Mei van gemeld jaar nogmaals als
kamerlid herkozen door het arrondissement Gent-Eekloo. Hij trad
op als minister den 12en April 1907. Sedert den 16en Juli 1908
was hij provinciaal senator voor Oost-Vlaanderen.
Als kamerlid nam de Smet de Naeyer ijverig deel aan de
parlementaire werkzaamheid. Hij verdedigde het wetsvoorstel
Dumont tot het heffen van invoerrechten op vleesch en vee en
droeg bij tot het tot stand komen van de wetten op
werkmanswoningen en op de regeling van vrouwen- en
kinderarbeid. Hij stelde het verslag samen over de wet
rakende de begeving der academische graden en over de
vergunningswet.
Als minister bewerkte hij de omzetting van de belgische schaal
3½ t.h. in 3 t.h., de herziening der wet op de vereenigingen
tot onderlingen bijstand en de wijziging van de wet op de
Algemeene Spaar- en Lijfrentekas.
Hij voerde eene nieuwe en betere Staatsboekhouding in en
ontwierp ernstige fiscale hervormingen.
Hij deed overgaan tot een nieuwe kadastrale indeeling, welke
leiden moest tot vermindering van de grondlasten.
Door zijne wet op alcoholaccijns droeg hij ruim bij tot
vermindering van het verbruik van sterken drank.
Op het gebied van openbare werken heeft de graaf een
reusachtigen arbeid verricht.
Evenals Leopold II zag hij alles in 't groot in en men kan
van hem getuigen dat hij op dit gebied rusteloos was, al zijn er
dan ook onder deze werken over wier nut men van gedacht kan
verschillen, en al hebben sommige den staat opofferingen
opgelegd, die zwaar op onze schouders wogen.
Niemand verstond ook beter de gedachten en de idealen van
Leopold II en het werd hem wel eens verweten dat hij die te
slaafsch volgde.
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
Antwerpen, Brussel, Gent, Brugge, Oostende en Zeebrugge en
zoovele andere steden hebben ontzaglijk veel aan hem te danken.
Te Antwerpen werkte hij krachtig mede aan de
havenuitbreiding.
Aan hem is het te danken dat de slooping der wallen in 1895
besloten werd en dat er groote terreinen, waar Antwerpen en
zijne voorsteden zich later zouden uitbreiden, werden
aangekocht.
Hij riep de nieuwe defensielinie in het leven welke naar de
woorden van Baron de Broqueville binnen een jaar zal gereed
wezen en van Antwerpen de best versterkte stad der wereld zal
maken.
In 1900 bekwam hij van de Kamers oorlof om 3 millioen hectaren
te onteigenen met het oog op de latere uitbreiding van
Antwerpen.
Het is buiten allen twijel dat vele vruchten van al deze werken
nog niet rijp zijn, maar wellicht komt er nog een dag, dat we
den overledene op de knieën voor zijn breed inzicht in de
toekomst zullen danken.
In Brussel en in Gent, zijne geboorteplaats, zal zijn naam voor
eeuwig aan verschillende openbare werken verbonden blijven.
Brugge begitigde hij met groote havenwerken en maritieme
instellingen, zoodat de vroegere welstand in de stad terugkwam.
In Oostende, Zeebrugge, Blankenberghe en langs de heele kust,
deed hij grootsche werken uitvoeren.
Nooit stelde een minister zooveel belang in den bloei onzer
badsteden als de betreurde overledene.
Medewerker van koning Leopold II, is het aan het oud
kabinetshood te danken, dat, jaren geleden, langs gansch de
zeekust, die reeks van verfraaiïngswerken uitgevoerd werden,
die onze Belgische badplaatsen opluisteren en onder elkaar
verbinden door de prachtige lanen, die er gebouwd werden.
Wenduyne richtte uit dankbaarheid een standbeeld op voor
zijnen grooten weldoener.
Aan de Zeekust heeft men het vroegtijdige verdwijnen van graaf
de Smet de Naeyer algemeen betreurd, zooveel te meer, daar zijne
opvolgers niet schijnen bezield te zijn met dezelfde gevoelens
voor de Zeekust als het gewezen kabinetshoofd.
Na dit alles behoeft niet gezegd dat de overledene met eene
groote werkkracht begaafd was.
Hij kende noch rust noch duur en werkte met koortsachtige
gejaagdheid. Hij werkte nacht en dag en dikwijls stelde hij zich
tevreden eenige uren tusschen zijn tallooze dossiers en
opgestapelde papieren, geheel gekleed op een canapé te
rusten.
Deze koortachtige gejaagdheid bleef hem overal bij.
Zelfs in de Kamers kon hij haar niet bedwingen.
Op zijn lessenaar maakte hij met razende snelheid de noodige
aanteekeningen. Zijn pen sprong van den eenen regel op den
andere. Daarna stond hij recht en nam het woord. De woorden
rolden van zijne lippen met dezelfde gejaagdheid en de
journalisten en verslaggevers hebben hem zonder twijfel
meermaals minder goede dingen gewenscht.
Toch trof hij in deze gejaagdheid den nagel steeds midden op den
kop.
Hij viel zijn tegenstander met geweldige nauw sluitende
argumentaties aan en speelde hunne eigen premissen tegen hen
zelf uit.
Met den afgestorvene verdwijnt ongetwijfeld een gezaghebbende
figuur, een Staatsman wiens naam later, wanneer zijn vèr
reikende plannen zullen afgewerkt zijn, nog meermaals op onze
lippen zal komen.
A. X.
|