Vorige: De Ziel van Albrecht Rodenbach.   Omhoog: België.   Volgende: René Vermandere.
Inhoudsopgave   Index


Graaf de Smet de Naeyer.

Gepubliceerd op 27 september 1913

Het is van oudsher eene gewoonte geworden dat bij een sterfgeval de meest “hervorragende” of meest uitstekende daden van den afgestorvene worden opgerakeld. Deze oprakeling zal belangrijker zijn naarmate de afgestorvene in zijn leven een grootere of een kleinere rol gespeeld heeft. Zo past het, dat we de daden van den afgestorvene graaf de Smet de Naeyer even belichten.
Na een kort overzicht van zijn leven eenige aparte beschouwingen.

SmetDeNaeyer Paul de Smet de Naeyer werd geboren op 13 mei 1843 te Gent. Daar was hij als nijverheidsman werkzaam. Hij werd tot lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers gekozen op 8 Juni 1886, maakte deel uit van den algemeenen raad en den beheerraad van de Algemeene Spaar- en Lijfrentekas en werd op 26 Maart 1894 na ontslagneming van het kabinet Beernaert, tot minister van Financiën benoemd.
Op 25 Februari 1896 werd hij voorzitter van den ministerraad ter vervanging van De Burlet, doch trad op 23 Januari 1899 als zoodanig af, wegens een geschil rakende de regeling van het kiesrecht.
Hij werd door den koning, op 24 Januari 1899 tot minister van staat benoemd. Enkele maanden later, na den val van het kabinet Van den Peereboom, trad hij opnieuw op als voorzitter van den ministerraad (1899), en minister van Financiën en openbare werken. Bij open brieven van den 26sten Mei 1900 werd hij tot graaf verheven en den 27sten Mei van gemeld jaar nogmaals als kamerlid herkozen door het arrondissement Gent-Eekloo. Hij trad op als minister den 12en April 1907. Sedert den 16en Juli 1908 was hij provinciaal senator voor Oost-Vlaanderen.
Als kamerlid nam de Smet de Naeyer ijverig deel aan de parlementaire werkzaamheid. Hij verdedigde het wetsvoorstel Dumont tot het heffen van invoerrechten op vleesch en vee en droeg bij tot het tot stand komen van de wetten op werkmanswoningen en op de regeling van vrouwen- en kinderarbeid. Hij stelde het verslag samen over de wet rakende de begeving der academische graden en over de vergunningswet.
Als minister bewerkte hij de omzetting van de belgische schaal 3½ t.h. in 3 t.h., de herziening der wet op de vereenigingen tot onderlingen bijstand en de wijziging van de wet op de Algemeene Spaar- en Lijfrentekas. Hij voerde eene nieuwe en betere Staatsboekhouding in en ontwierp ernstige fiscale hervormingen. Hij deed overgaan tot een nieuwe kadastrale indeeling, welke leiden moest tot vermindering van de grondlasten. Door zijne wet op alcoholaccijns droeg hij ruim bij tot vermindering van het verbruik van sterken drank.
Op het gebied van openbare werken heeft de graaf een reusachtigen arbeid verricht. Evenals Leopold II zag hij alles in 't groot in en men kan van hem getuigen dat hij op dit gebied rusteloos was, al zijn er dan ook onder deze werken over wier nut men van gedacht kan verschillen, en al hebben sommige den staat opofferingen opgelegd, die zwaar op onze schouders wogen. Niemand verstond ook beter de gedachten en de idealen van Leopold II en het werd hem wel eens verweten dat hij die te slaafsch volgde.

(Naar het begin van de volgende kolom)

  Antwerpen, Brussel, Gent, Brugge, Oostende en Zeebrugge en zoovele andere steden hebben ontzaglijk veel aan hem te danken. Te Antwerpen werkte hij krachtig mede aan de havenuitbreiding. Aan hem is het te danken dat de slooping der wallen in 1895 besloten werd en dat er groote terreinen, waar Antwerpen en zijne voorsteden zich later zouden uitbreiden, werden aangekocht. Hij riep de nieuwe defensielinie in het leven welke naar de woorden van Baron de Broqueville binnen een jaar zal gereed wezen en van Antwerpen de best versterkte stad der wereld zal maken.
In 1900 bekwam hij van de Kamers oorlof om 3 millioen hectaren te onteigenen met het oog op de latere uitbreiding van Antwerpen. Het is buiten allen twijel dat vele vruchten van al deze werken nog niet rijp zijn, maar wellicht komt er nog een dag, dat we den overledene op de knieën voor zijn breed inzicht in de toekomst zullen danken.
In Brussel en in Gent, zijne geboorteplaats, zal zijn naam voor eeuwig aan verschillende openbare werken verbonden blijven. Brugge begitigde hij met groote havenwerken en maritieme instellingen, zoodat de vroegere welstand in de stad terugkwam. In Oostende, Zeebrugge, Blankenberghe en langs de heele kust, deed hij grootsche werken uitvoeren. Nooit stelde een minister zooveel belang in den bloei onzer badsteden als de betreurde overledene. Medewerker van koning Leopold II, is het aan het oud kabinetshood te danken, dat, jaren geleden, langs gansch de zeekust, die reeks van verfraaiïngswerken uitgevoerd werden, die onze Belgische badplaatsen opluisteren en onder elkaar verbinden door de prachtige lanen, die er gebouwd werden. Wenduyne richtte uit dankbaarheid een standbeeld op voor zijnen grooten weldoener. Aan de Zeekust heeft men het vroegtijdige verdwijnen van graaf de Smet de Naeyer algemeen betreurd, zooveel te meer, daar zijne opvolgers niet schijnen bezield te zijn met dezelfde gevoelens voor de Zeekust als het gewezen kabinetshoofd.

Na dit alles behoeft niet gezegd dat de overledene met eene groote werkkracht begaafd was. Hij kende noch rust noch duur en werkte met koortsachtige gejaagdheid. Hij werkte nacht en dag en dikwijls stelde hij zich tevreden eenige uren tusschen zijn tallooze dossiers en opgestapelde papieren, geheel gekleed op een canapé te rusten.
Deze koortachtige gejaagdheid bleef hem overal bij. Zelfs in de Kamers kon hij haar niet bedwingen. Op zijn lessenaar maakte hij met razende snelheid de noodige aanteekeningen. Zijn pen sprong van den eenen regel op den andere. Daarna stond hij recht en nam het woord. De woorden rolden van zijne lippen met dezelfde gejaagdheid en de journalisten en verslaggevers hebben hem zonder twijfel meermaals minder goede dingen gewenscht.
Toch trof hij in deze gejaagdheid den nagel steeds midden op den kop. Hij viel zijn tegenstander met geweldige nauw sluitende argumentaties aan en speelde hunne eigen premissen tegen hen zelf uit.

Met den afgestorvene verdwijnt ongetwijfeld een gezaghebbende figuur, een Staatsman wiens naam later, wanneer zijn vèr reikende plannen zullen afgewerkt zijn, nog meermaals op onze lippen zal komen.

A. X.



Vorige: De Ziel van Albrecht Rodenbach.   Omhoog: België.   Volgende: René Vermandere.
Inhoudsopgave Index

Valid HTML 4.01 Transitional

Pros Robaer - 2009