|
De Keizer vierde Zondag 15 Juni zijn vijf en twintig jarig
regeeringsjubileum.
Wèlke Keizer hoeft niet gezegd, want de namen van Willem II en van Duitschland zijn over de wereld gegaan als een
tweede adem Gods.
De naam Keizer is met het Duitsche Rijk tot een
onverdeelbare eenheid gegroeid. Het Keizer is als
gemeengoed in het denken van alle cultuurvolkeren overgegaan en
elkeen beduidt met dit woord den éénen man, waarachter het
Duitsche rijk staat.
Naast hem zinken zoowel de eerbiedwaardige figuur van
Keizer Frans Jozef, als de despotische
van den Keizer van Rusland weg.
Al heet het dat Willem II minder gedaan heeft op het gebied der
wereldpolitiek dan op ander gebied en dat Engeland de
eenige scheidsrechter van de wereld is, metterdaad wordt in
verwikkelingen steeds opgezien naar den Germaanschen reus, die
de weegschaal laat overslaan, naar welke zijde hij wil.
Sommige landen mogen met nijd den uitgroei tot een wereldmacht
van het Duitsche rijk benijden, het is voldoende dat de eenige dochter des Keizers trouwt
en heel de wereld zendt eer- en lofbetuigingen, alle landen
vaardigen gezanten af. Engeland's koning en de Czaar aller
Russen brengen een persoonlijk bezoek aan het hof van den
Keizer.
De Keizer viert zijn regeeringsjubileum... en alle vorsten
sturen hun gelukwenschen. Alle bladen der wereld wijden de meest
vleiende loftuigingen aan de regeering van Willem II; mannen als
Roosevelt, Taft,
Carnegie nemen de pen op en loven
de vredelievende regeering van den Keizer.
Een statenbeeld als dat van het Duitsche rijk vindt men dan ook
in de wereld niet meer.
Twee en twintig koninkrijken, drie republieken en een rijksland
zijn in dezen staat tot ééne eenheid versmolten, waarin door
den buitenlander geen enkele wanklank, ja, zelfs geen enkele
soldeerband wordt gevonden.
We moeten echter voorzichtig zijn, want de geestdrift die ons
thans uit al de Duitsche jubileumuitgaven, de Keizer-boeken en
de andere volgeschreven riemen papier rond het hoofd komt
gewaaid, zou den geest kunnen benevelen.
Begrijpelijkerwijze vervallen velen in gezwollenheid, welke den
nuchteren zin verjaagd.
De Keizer dient beschouwd in betrekking tot leger en vloot, als
sociale wetgever en als dienaar van den godsdienst.
Geheel het leven van den Keizer wordt beheerscht door het
ideaal: vorming en uitbreiding van leger en vloot.
Hij werd, volgens de overlevering der Hohenzollern's in
streng militairen geest opgevoed. Hij bezat een onafhankelijk
karakter, een echte soldatennatuur, een geweldige energie, en
een groote roem- en eerzucht...
Steeds was het zijn hoogmoed aan het hoofd van zijn regiment te
rijden of met de officieren van den staf verkenningstochten te
ondernemen. De herinnering aan den roemrijken veldtocht van 1870
leefde ontstuimig in hem.
Toen hij in 1888, op 28 jarigen ouderdom den troon besteeg was
dan ook het eerste dat hij deed, eene proclamatie te richten tot
leger en vloot en daar de bekende woorden te spreken, die
gedurende zijn 25 jarige regeering, zijn slagwoorden zijn
gebleven: “Ik en mijn leger zijn één.”
In hetzelfde jaar roemde hij op een militair feest op zijn 43
millioen Duitsche onderdanen, dat hij eerder allen zou doen
neerhakken, dan afstand te doen van ook maar één steen van
het vereenigde Duitsche rijk.
Hij eischte van zijne soldaten een gehoorzaamheid desnoods op
eigen verwanten, ouders en broeders te schieten.
Geheel Europa hield toen met angst de oogen naar Duitschland
gericht. Het kon niet anders of Willem II zou over Europa een
vloed van oorlogsrampen storten.
Maar de Keizer wist wat hij deed.
Hij liet de menschen praten en de angst die in de andere landen
heerschte voedde hij zooveel hij kon door leger en vloot steeds
meer uit te breiden en te versterken.
Want niet oorlog voeren, maar vrede bewaren, was zijn doel.
Hij kende daarvoor de middelen. “Si vis pacem para bellum”
zegde hij de ouden na: “als gij vrede wilt, bereidt u tot den
oorlog”.
Hij werd als de verpersoonlijking van dit tweeslachtig beginsel.
Door bezoeken aan Petersburg, Zuid-Duitsche hoven, Weenen
en Rome, vervolgens in 1889 aan Engeland, Athene en
Konstantinopel, trachtte Wilhelm van het begin af de
buitenlandsche betrekkingen zoo gunstig mogelijk te maken.
Ongetwijfeld moest het tot eene botsing komen met Bismarck,
den ijzeren kanselier, die na de zwakke regeering van
keizer Friedrich met nog sterker greep de teugels van het bewind
in handen meende te nemen. Waar zo'n krachtige persoonlijkheden
als Wilhelm en Bismarck naast elkaar stonden, zou één
noodzakelijkerwijze moeten wijken.
Darenboven waren op politiek gebied Keizer Wilhelm en Bismarck
twee tegenstellingen. Bismarck was een realist, den Keizer een
idealist. Dit maakte samenwerking onmogelijk. De Keizer was niet
een man van maatregelen, die den eenen dag aan den anderen
vastknoopen.
“Het is mijn beginsel”, zeide hij in 1899, “overal waar ik
kan nieuwe punten te vinden, waaraan wij ons kunnen vastklampen
en die in latere tijden door onze kinderen ten nutte kunnen
worden gemaakt en geëxploiteerd”.
In 1890 gaf Bismarck zijn ontslag, hij begreep dat zijn rijk uit
was en zegde dan ook dat dat de Keizer voortaan zijn eigen
kanselier zou zijn.
Toen begon Willem leger en vloot opnieuw in te richten.
Talrijke oude generaals en staf-officieren werden door nieuwe
vervangen. Er werden nieuwe oefeningsreglementen ingevoerd en er
werd krachtig gewaarschuwd tegen de weelderige levenswijze onder
de officieren.
De Keizer woonde getrouw de groote legeroefeningen bij en deed
zich daar krachtig gelden als veldheer.
In 1892 kwam na veel herrie een nieuwe legerwet tot stand
waarbij de persoonlijke dienstplicht streng doorgevoerd werd, en
die voor de onbereden wapens een diensttijd van twee jaar
instelde. In 1899 werd een nieuw voorstel tot verhooging van het
staand leger in vredestijd aangenomen.
De sterkte van het staand leger werd gebracht op 495.000 man.
De artillerie werd gereorganiseerd.
Thans zijn nieuwe legervoorstellen in behandeling waardoor het
leger in vredestijd uit 760 duizend man zal bestaan.
Men zal 669 bataljons hebben, 535 eskadrons, 625 batterijen, 55
veldartillerie-bataljons, 24 pionier- en 26 treinbataljons, 31
verkeersbataljons.
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
Daarbij zijn 12 nieuwe machiengeweerafdeelingen gekomen en 109
machiengeweerkompagnieën, die zich tot 236 zullen uitbreiden.
Ook komen er 18 wielrijderscompagnieën.
Niet alleen in deze cijfers ligt de kracht van het Duitsche
leger, maar ook in den innerlijken geest en de geweldige tucht
waarmee elkeen, van den hoogste overste tot de meest simpelen
soldaat, bezield is.
Aan de herinrichting van de vloot werd niet met minder ijver
gewerkt. De Keizer beschouwde de ontwikkeling der krijgs- en
handelsvloot als een zijner voornaamste opgaven.
Ze was noodzakelijk voor de koloniale politiek, voor de
bescherming der Duitsche belangen over zee en de positie van het
rijk als wereldmacht.
In den beginne stiet men op zeer veel moeilijkheden en de eerste
10 jaar van de regeering van Keizer Willem werd zeer weinig
uitgevoerd. Reden hiervan was eenerzijds dat men niet goed wist
welke maatregelen er juist moesten worden getroffen, anderzijds
dat het Duitsche volk niet voldoende begreep dat het Duitsche
rijk ook op zee eene macht diende te worden.
In 1897 werd eindelijk de man gevonden, die den boel op zijn
pooten zou zetten... Het was Tirpitz.
Weinige dagen na de aanvaarding van zijn ambt legde Tirpitz den
Rijksdag een vlootbouwplan voor, dat in 1898 werd aangenomen. In
1899 toen de Keizer de bekende woorden sprak: “We hebben eene
sterke vloot dringend noodig” doken spoedig nieuwe vlootplannen
op, die den Rijkskanselier tot werkelijkheid bracht.
In de jaren 1906, 1908 en 1912 kwamen er nog nieuwe
voorstellen.
Wanneer het geheele vlootplan zal uitgewerkt zijn, in 1920, zal
Duitschland 61 slagschepen hebben, 40 gepansterde kruisers, 144
torpedobooten en 72 onderzeeërs.
En ondanks al dit militair machtsvertoon, waardoor het Duitsche
rijk in staat zou zijn de meeste landen van Europa te
verpletteren, ondanks al die krachtige termen en slagwoorden,
die de Keizer meermalen in zijne redevoeringen gebruikte en die
in de ooren van Europa dikwijls klonken als tromgeroffel en
wapengekletter, heeft de Keizer nu al 25 jaar in vrede
geheerscht en is het wel juist dank aan hem, dat de Europeesche
vrede, die zoo dikwijls verstoord dreigde te worden, zoolang
bleef bewaard.
Diep zucht het volk onder de zware lasten, die al de militaire
uitgaven moeten dekken. Maar de economische ontwikkeling heeft
met de ontwikkeling van leger en vloot gelijken tred gehouden en
wil men dat de economische ontwikkeling zoo voortgaat, dan is
het anderzijds noodig dat ter bescherming hiervan leger en vloot
ook vermeerderen. Het eene kan niet zonder het andere. Het
Duitsche volk weet dit en het is ervan overtuigd dat het zijn
doodsvonnis zou teekenen indien het niet gepansterd en geharnast
ontzag inboezemt.
Het is te begrijpen dat een Keizer met een dergelijk verstand en
dergelijk geweldig initiatief begaafd ook de nooden van zijn
volk trachtte lenigen en de groote sociale belangen evenzeer
behartigde.
Reeds dadelijk na zijne troonsbestijging werd door eene wet de
invaliditeits- en ouderdomsverzekering geregeld.
De Keizer werkte zelf met zooveel voortvarendheid aan de sociale
verbetering van zijn volk dat juist hiervoor het groote
meeningsverschil ontstond tusschen hem en Bismarck. Bismarck
wilde namelijk tegenover de socialisten verbodsmaatregelen
toepassen en daartoe strekkende wetsontwerpen neerleggen; de
Keizer darentegen wilde, door vervulling van de gerechtvaardigde
eischen der arbeiders de socialisten bestrijden en hij kondigde
in twee keizerlijke boodschappen een regeling aan van de
arbeidsverhoudingen in Pruisen. Alhoewel de Keizer hiermede
zijn hoogste doel: het verbeteren van het lot van den arbeider,
zou bereiken, leed zijn naaste doel, bestrijding der
socialisten, een groot fiasco.
Want bij elke kiezing wonnen de socialisten een massa stemmen. De ontevredenheid onder de werkende
klas groeide aan in plaats van te verminderen. De latere
opheffing der uitzonderingswet tegen de socialisten was voor de
socialisten een gelegenheid om zich krachtig te organiseeren en
overal openlijk voor den dag te komen.
Dat was voor den Keizer een bittere teleurstelling, bijzonder
omdat hij, die alle zaken uit een hoog zedelijk standpunt
beschouwde, de verderfelijke leerstellingen der socialisten
kende. Want steeds was de Keizer ―hij liet geene gelegenheid
voorbijgaan er openlijk blijk van te geven― een zeer
godsdienstig man. En hierin is zijne figuur in onze dagen van
onverschilligheid, waarop haast haast geen enkel staatshoofd het
meer wagen durft den naam van God over de lippen te laten komen,
ons dubbel dierbaar.
Haast alle redevoeringen zijn doortrokken door een godsdienstige
atmosfeer. In Koningsbergen, te Marienburg, te
Coblenz, noemde zich de Keizer onomwonden een instrument in
de hand van de Heer en verklaarde dat hij alles deed in opdracht
van God.
Alhoewel de Keizer zich in godsdienstzaken al te uitsluitend op
Protestantsch standpunt stelt, moeten we toch bekennen dat in
deze woorden het ware leerstelsel ligt van den oorsprong van
alle gezag hier op aarde.
Hierin geeft hij immers te kennen dat hij zijn macht en zijn
gezag niet heeft door hooge afkomst of door eigen verdiensten,
maar dat deze voortvloeien uit Hem, die de heele wereldorde
regelt. Ook zijn verschillende uitlatingen over de heele
beteekenis van den godsdienst als eenige behoudende kracht en
als eenigen daadwerkelijken steun voor den staat, zijn even
zooveel lessen voor hem van wien het afhangt in welke richting
een staat zal bestuurd worden.
Wanneer we dan even terugzien op de 25 jarige regeering van
Keizer Willem dan verschijnt hij voor onze oogen als een
reusachtige figuur, een waar Keizer van vleesch en bloed, een
groote geest.
Hij moge evenals andere menschen zijn gebreken hebben, de groote
werken die hij tot stand gebracht heeft doen ons daarvoor de
oogen sluiten. De geweldige ontwikkeling op alle gebied van het
Duitsche rijk veronderstelt dat er naast den Keizer stonden,
mannen met heldere geesten en onvermoeibare werkkrachten, om al
de plannen van den Keizer te helpen uitwerken en te helpen
aanvullen, maar het geweldig initiatief van Keizer Willem II is
de oorsprong van alles geweest.
Alf. Martens
|