|
Nu het “Monster van Gent” van zijnen
hoogen spits is neergelaten en voor Gentenaar en vreemdeling is
tentoongesteld, kan het niet van onpas zijn, een klein artikel aan den
draak in ons blad te wijden.
Toen de eerste vlaamsche kruisvaarders ter verlossing van het
H. Graf naar het Oosten trokken, leefde te Constantinopel
een kundig koperslager, Joris geheeten, wiens dochter door hare
deugd en bevalligheid de liefde haars vader en de bewondering der
gansche stad verwierf.
De zoon des Keizers, een losbandige jongeling, kwam weldra het geluk
van het huisgezin verstoren. Te gelijk door den voorzichtigen vader
en de deugdzame dochter, in zijne verleidende aanbieding van de hand
gewezen, besloot hij door geweld zich van het voorwerp zijner driften
meester te maken. Zekeren avond, toen hij den koperslager van huis
wist, drong hij met geweld in Joris' woning, doch, door den waakzamen
vader verrast, werd hij door den woedenden koperslager overmand,
dodelijk gewond en stervend naar het paleis overgebracht.
De rampzalige kunstenaar werd op staanden voet naar den kerker
gesleurd en korts daarna voor 's Keizers rechtbank gebracht. Het
doodvonnis werd uitgesproken; maar de dochter, de onschuldige
oorzaak van haars vaders ongeluk, gelukte er in de zaal binnen te
dringen, wierp zich voor de voeten des keizers en bekwam genade, op
voorwaarde dat de koperslager een kunstgewrocht voor een openbaar
gebouw zou vervaardigen.
Joris sloeg neerstig de hand aan het werk. Zich herinnerende hoe de
geest des kwaads onder de gedaante van een draak door zijnen heiligen
Patroon werd overwonnen, besloot hij deze gedaante na te bootsen als
zinnebeeld der machtige ondeugd, waarvan hij het onschuldige
slachtoffer was geworden. Twintig jaren lang besteedde hij aan zijn
meesterstuk al zijne kunst, tijd en krachten. Hij verbeeldde door de
vlammende horens de oppermacht, door de schichtige tong de
lastertaal, door de kronkelige staart de menigvuldige listen, door
de klauwen de medeplichtigen van den keizerlijke roover.
De laatste hamerslag werd door den dood tegengehouden. Joris
overleed voor hij zijn meesterstuk door het aansmeden der grijpende
klauwen kon voltrekken.
De draak werd niettemin als een gedenkstuk op den ingang van het
keizerlijk paleis geplaatst. Hij bleef daar tot Constantinopel in
1204 door de Vlamingen werd buitgemaakt en de draak, door Keizer Graaf Boudewijn IX, aan de Gentenaren geschonken werd, als
belooning hunner dapperheid en bewijs hunner getrouwheid.
Bij het overbrengen werd, volgens sommige schrijvers1, dit zegeteken te Biervliet door
de Bruggelingen buitgemaakt en naar Brugge gevoerd. De
Gentenaren herwonnen den draak onder Filips van Artevelde en
stelden hem in 1382 als palladium of beschermteeken op hun
Belfort.
Zoo verhaalt de legende, zoo verneemt men nog uit den volksmond. Doch
wat zegt er de geschiedenis van?
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
Als krijgskundig kenteeken klimt de Draak tot eene verre oudheid op.
Reeds de Aziatische volkeren voerden hem op hunne vaandels. Dit
gebruik ging van de Syriërs tot de Grieken over. Tijdens keizer
Trajan ontleenden de Romeinen aan de draken het gebruik
der krijgsstandaarden, bestaande uit eene lans, waarop een zilveren
drakenkop met openen muil gestoken was.
De Franken gebruikten hetzelfde krijgsteeken, dat men
insgelijks van de VIe tot de Xie eeuw op de strijdvanen der
Angelen terugvindt.
De eerste graven van Vlaanderen, evenals de
Hertogen2 van Brabant, droegen eenen draak boven hunnen
helm.
Op penningen en zegels, is de draak het zinnebeeld van waakzaamheid en
kloekmoedigheid, hij wordt als “palladium” of beschermteeken
aanvaard. Volgens eenige schrijvers werden “de wonderen van den
draak door ministrelen bezongen”, en van dan af zien wij hem ter
versiering der gevels en panden van huizen, kerken en kloosters in
halfverheven beeldwerk overal afgebeeld. In Gent ziet men in de
St. Baafsabdij een kapiteel, waarop een krijgsman tegen den draak
strijdt, huizen die er den naam van dragen, bv. op de Hoogpoort en in 't
Gewat, Scriptores welke er de aanvangsletter van 't Weezenboek
1370, 1371 en 1374, en van den Zoendincboeck 1375 mede
versieren.
Moet het ons dan verwonderen, dat de Gentenaren op den spits van hun
Belfort, dat zij in 1378 voltrokken, er liever eenen draak dan een haan
of vlagsken op zetten? Julius Vuylsteke vond in 't jaar 1871 in de
stadsrekeningen, waar spraak is van de werken “an den beelfroote
ende van de huerclocke” de volgende aantekening: “Van den drake,
van den appel ende van den huese - lIm IIIe XIIIlib.”
Dat hier wel degelijk de windwijzer bedoeld wordt, blijkt uit de
woorden “appel” d.i. de bol waarop de draak ronddraait, en de
“huese” of kram waarmede de wijzer op den toren vastgehouden
wordt3.
Hoe ziet hij er uit?
Hij is vervaardigd uit roodkoperen platen, genageld op een ijzeren
geraamte, en zoo men wel denken kan, dikwijls gelapt en gestopt. Hij
heeft eene lengte van 3,70m, eene breedte van 0,60m, als doorsnede van
't lijf. De vleugels 1,40m lang zijn 1,20m van elkander verwijderd.
Zooals nu weer, werd de Draak meermaals van zijnen hoogen top
afgedaan: in 1445, 1543, 1689, 1743, 1771 en 1839 om hersteld en
verguld te worden. De laatste maal bleef hij er 15 jaar af, en werd dan
tentoongesteld in het Stadhuis en in de Hoogeschool; Artevelde
ter eere ging hij mede in den Jubelstoet van 1846. In 1854, den 14en
Augustus, mocht hij tot de vreugde van alle Gentenaren zijne plaats
hernemen.
In zang en print werd het feit herinnerd:
Door de Pauwen en door den Beer
Heeft nu Gent zijn drake weer.
Moge hij alras op ons nieuw Belfort rijzen en getuige zijn van den
voorspoed onzer oude Vlaamsche stad, en in 1913 de tallooze
vreemdelingen van verre reeds, door de zonne beschenen, den
vriendengroet toezenden.
G. Celis, pr.
|