Gepubliceerd op 2 december 1911
Het zou zijn nut niet hebben ―'t ware trouwens ondoenlijk in een
tijdschrift― hier volledig op te sommen al wat de vliegkunst in deze
laatste jaren heeft voortgebracht. Maar een korte wandeling doen
door een vliegveld, eens samen gaan zien vliegen, om te weten hoe dit
gaat, dat zal voorzeker niet onaangenaam zijn, bijzonder omdat we
later zoodoende mee kunnen spreken over vliegmachienen als er
een woordje over gerept wordt; immers, 't vliegen heeft tegenwoordig
zijn bijzondere rubriek in de kranten, en iedereen stelt er belang in
en wil er over meespreken.
Dus, samen naar 't vliegveld.
Goed weer, weinig wind, een zuivere lucht; niet te heet of niet te koud;
in een woord, beste tijd om te vliegen. En toch is er nog weinig volk op 't
vliegterrein; enkel hier en ginder een werktuigkundige, die in zijn
blauw pak rondslentert als iemand voo wien 't dolce far niente nog een
last is. Al de loodsen zijn gesloten; de groote luchtvogels liggen nog
te slapen en de zon neigt al naar de Westerkim.
De witte pylones rond 't vliegveld schitteren in 't zonlicht en steken
fier hun kop uit naar de wolken. Aan de
signaalpalen wappert nog maar een enkel
vlaggetje: de roode vlag, die in vliegerstaal beduidt: “Men
vliegt!”. Zoo spot men met de lui... geen vliegmachien is zelfs in 't
zicht en toch meldt de roode lap daarboven ―heinde en ver― dat men
hier bezig is met vliegen.
Ah! Rond de loodsen komt er meer leven. De wijde poorten gaan open en
drie, vier man stooten een groot gevaarte vooruit ― een heel vreemd
tuig met witte vleugels... Dat is een vliegmachien! Langs den anderen
kant hijscht men een signaal; 't programma vertaalt die moderne
hieroglief door “Tyck vliegt!”. Dat is nu een ééndekker; een
Blériotvliegtuig met een
Gnomemotor. Zachtjes rolt 't toestel op
zijn caotchouc-wielen vooruit, tot aan 't begin van den afrit, juist
voor ons; wat een goede gelegenheid om 't vliegtuig van naderbij te
beschouwen!
Twee groote, wijdopengesperde draagvlakken; van voren een schroef
en een motor, aan een ster gelijk ― een Gnomemotor; een houten
geraamte met een stoel voor den stuurman; nog wat vlakjes van
achteren, alles berustend op stevige houten schaatsen en
veerkrachtige wieltjes; meer kunnen we niet opmaken uit zoo'n
toestel.
Waartoe dienen al die spandraden, die vlagskens en vleugels, hoe
werkt dit vreemd toestel en hoe kan het in de lucht zweven? Even zooveel
vragen waar we geen antwoord op wisten. Maar luister: daarnevens legt
iemand alles uit; de ooren gespitst, de oogen open en wij hebben 't ook
beet.
't Verschil tusschen ééndekker
en
tweedekker is 't zelfde als tusschen een gewonen vlieger
en den kastjesvlieger, die onze jongens tusschen de duinen
oplaten; hier is maar één vlak aanwezig, daar zijn twee
draagvlakken boven elkander aangebracht, onderling stevig
verbonden. Blériot, Antoinette1 en Santos-Dumont vliegen op
ééndekkers die ze zelf vervaardigden. Wright,
Farman, Voisin e.a. verkiezen
tweedekkers.
Welke van de beide typen de beste is, is tot hiertoe nog
niet uitgemaakt; m.i. schijnt de ééndekker best als
sportmachien, de tweedekker beter voor 't vervoer van lasten en
reizigers geschikt.
De schroef, die ge van voren ziet, is in den regel niet meer dan twee of
drie meter lang, en komt bij vliegmachienen zelden voor met meer dan
twee bladen. Sterk, veerkrachtig en licht moet ze zijn, want in 1100
à 1200 omwentelingen per minuut moet zij gansch alleen het
vliegtuig voorttrekken. Ze werkt omtrent in de lucht als een
kurkentrekker in den stop, en een vijs in de moer.
De motor, hier een Gnomemotor is bepaald
niets anders dan een vermenigvuldigde ontploffings- of benzinemotor die voor automobiels
gebruikt wordt.
't Dient gezegd, dat er nog menige andere motoren dan deze bestaan:
Anzani, Antoinette en andere motoren worden evenzoo aan
dek van vliegmachienen gebruikt.
De draagvlakken houden het vliegtuig zwevend in de lucht. De motor
doet de schroef draaien, deze trekt de draagvlakken snel vooruit.
Door deze snelle vaart oefent de lucht een groote opwaartse druk op die
vlakken uit, druk, die groot genoeg is om heel 't toestel in de lucht te
houden. Om dien druk zoo doelmatig mogelijk te benutten, zijn de
draagvlakken oordeelkundig gewelfd; zoo blijft de drukkende lucht
langer werken onder de vlakken.
't Goed berekenen van dien hellingshoek is nogal een kiesch
vraagstuk, daar er veel van afhangt voor den goeden gang van de vlucht.
Bij de opkomst der vliegtoestellen heeft men vele ongelukken te
wijten aan een te grooten hellingshoek. In de praktijk moet men voor
den hellingshoek dus een gemiddelde bepalen, dat bij de meeste
aëroplanen tusschen de vijf en de acht graden blijkt te
liggen.
Uit sterk doek vervaardigd, strak op een stevig raamwerk gespannen,
blijven de draagvlakken goed in den haak, zonder te buigen of te
breken; zij zijn het, die werkelijk heel 't gewicht der vliegmachien
―soms wel 500 kg― in de lucht meevoeren.
Eén- en tweedekkers ontlenen dus hun naam aan 't aantal aanwezige
draagvlakken. Sommigen poogden driedekkers te bouwen, doch zonder
bevredigenden uitslag.
Nog een woordje over al die kleine vlakjes achter aan 't vliegtoestel
gevestigt: 't zijn stuurinrichtingen en ook nog
stabilisatievlakken. De vlieger behoeft om naar omhoog te vliegen of
om te dalen een vlak dat om een horizontale as beweegbaar is: 't
hoogtebestuur. Bevindt zich dit stuurvlak achteraan bij Blériot
en Antoinette, bij de tweedekkers van de gebroeders Wright, evenals
bij de Voisin- en Farmatoestellen is het van voren aangebracht.
Gelijk een visch in het water van links naar rechts zwemt door 't roeren
van zijn staart, evenals 't bootje gestuurd wordt door 't roer, zoo
wordt ook de vliegmachien in de zijwaartse richting gestuurd door 't
staartroer. Doch in 't luchtruim gebeurt alles op verre na zoo
eenvoudig niet als ter zee en ter lande.
Hoe sneller de draagvlakken
worden voortbewogen, hoe grooter hun draagvermogen; nu, bij 't maken
van bochten beschrijft het buitenste draagvlak een grooteren kreits
dan 't binnenste, en gaat daarom vreij sneller vooruit; 't binnenste
draagvlak zou dus natuurlijk zakken, het heele vliegtuig doen
omkantelen en in duizeligen val naar beneden jagen, had de stuurman
geen middel ter hand om die ramp te voorkomen: 't uiteinde der
draagvlakken kan daarom door omkrulling vergroot of verkleind
worden. Bij iederen bocht vergroot de stuurman 't binnenste en
verkleint hij 't buitenste vlak. Dit is de zoogenaamde
scheluwtrekking, 't klassiek geworden middel om bij 't maken van
bochten 't evenwicht te behouden.
Wright heeft de scheluwtrekking
uitgevonden; Blériot en
anderen bekomen 't zelfde uitwerksel, maar op een andere manier: aan
de uiteinden der draagvlakken zijn zeer kleine bijvakjes
aangebracht, die den stuurman om een horizontale as kan bewegen. Helt
een vliegtoestel bij 't maken van een bocht dus te veel naar binnen
over, dan worden de binnen achteruiteinden van 't draagvlak naar
beneden, de buitenste bijvlakjes naar boven gekeerd, waardoor de
aëroplaan aan den binnenkant meer wind zal vangen en daardoor
omhooggedrukt zal worden terwijl hij aan de buitenzijde juist een
dompende werking zal ondervinden.
Langs alle kanten stond het reeds vol vliegtuigen. 't Was een geloop
naar hier, bevelen aan werktuigkundigen langs daar. Hier nog naphte!
Geen smeer genoeg! Die hefboom staat te vast!
Bewust van zijn waardigheid komt nu de vlieger zelf aan, net als een
eskimo is hij aangekleed. Een lederen muts, pelsen frak, en groote
brilglazen die hem nog half 't gezicht bedekken, alhoewel ze omhoog
zijn getrokken over zijn berenmuts. Met zijn helpers onderzoekt hij
den motor en de schroef, en beproeft of de hefbomen en de
stuurinrichtingen goed werken. En dan in den stuurstoel geklouterd,
waar voor het laatst de goede werking der bijzonderste deelen nog eens
wordt nagezien.
Het teken wordt gegeven; twee man, ijzersterk, zijn bezig heftig aan
de schroef te trekken... een, twee, drie... de motor slaat plotseling
aan: een lawaai dat hooren en zien vergaan. De schroef schijnt nu
verdwenen, maar onder het onzichtbaar rondwentelen ―1200 keeren
per minuut!― vliegen wolken stof op ... en de motor proest ons,
achterstaande toeschouwers, heele dampvrachten benzine in het
gezicht.
Alles trilt... Ongeduldig wil het toestel de lucht in. Met groote
moeite wordt de vligmachien echter ingehouden door acht gespierde
armen... Het kucht en poeft en spat... totdat eindelijk motor en
schroef regelmatig loopen, en de stuurman het teeken geeft van alles
los te laten. Een algemeene kreet stijgt uit de menigte op! 't Is een
plachtig oogenblik. De groote pepel huppelt even over den grond,
schiet weldra vooruit als een pijl; de staart is reeds van den grond;
statig stijgt heel het toestel in de lucht.
En de ingetogen menigte ziet met verbazing het gevaarte hooger en
verder zweven, majestatisch en kalm, en denkt niet eens aan het
gevaar, dat die stoute luchtvaarder immer dreigt. De vrije vogel is nu
in zijn element. Gehoorzaam en gedwee aan zijn stuurman worden zijn
kreitsen immer grooter,
zijn vlucht altijd hooger, terwijl de motor nog steeds voortronkt,
steeds minder en minder hoorbaar.
Wee, zoo 't een of 't ander deel van de machien hapert! Wee, zoo den
warrelwind den vogel omkantelt of naar beneden ploft... Goed heil,
koene luchtvaarder, God beware u voor alle ongeluk bij uwe gewaagde
onderneming!
Ziet ge hem nog? Gindsch zweeft de pepel nog immer voort: nog een stip,
een zwart punt in den lichtblauwen hemel. Maar ... in duizelige val
komt heel 't toestel als een looden massa naar beneden! Geen gerucht
van motor meer; een ongeluk! Al de toeschouwers, bijzonder de dames en
deernen, slaken een bangen kreet, en durven niet meer opzien, om den
ramp nog verder te bekijken; de vlieger was te stout! "“Zoo hoog
durven vliegen!” lispelt er een uit de menigte.
Nog een seconde en 't vliegtoestel valt als een zware massa ten gronde,
neen! Maar ... plotseling weer hoort men het 't bekende slagen van den
motor; alleman kijkt toe, en zie, weer klimt de aëroplaan hooger op.
Nog vijftien meters was hij van den grond! Weer worden de kreitsen
breeder en breeder, alles schijnt terug op zijn plooi. Oh! 't Was enkel
een spel van den stouten stuurman, die tot grooten schrik van de
toeschouwers ineens, van zeer hoog uit de lucht naar beneden kwam
schieten, om zijn behendigheid in kunsten ten toon te spreiden, en dan
weer, gerust, en, alsof er niets gebeurt was, opnieuw kalm en
ongedeerd omhoog te klimmen.
Elkeen ademt weer vrijer... De zweetdroppels worden afgevaagd, en
daarboven, majestatisch, meester van de groote luchtzee, scheurt de
aëroplaan in dolle vaart over de luchtgolven tot verrukking van de
verbaasde en vervoerde menigte.
Weer heeft het bekende ronken van 't motorslagen een einde genomen;
doch nu is 't geen val... Zacht schuift al dalend den vogel op zijn
vlerken neer; een zwenking en wat lager, nog een draai, nog eens keeren
en in twee, drie minuten komt de aëroplaan op zijn caoutchouc
wieltjes, zoo zacht als een vogel op den grond zitten.
Lustig hobbelt hij voort naar 't begin van den afrit, juist op
hetzelfde plaatsje van waar hij straks is opgevlogen.
“Wat een prachtige zweefvlucht.” zei onze cicerone “Behendig
wist de knappe vlieger aan den val voldoende snelheid te ontleenen om
zonder gevaar vrij groote horizontale afstanden af te leggen, en met
kundige zwenkingen op 't geschikt punt aan te landen!”
Doch 't was tijd om naar huis toe te keeren; we mochten onzen tram niet
missen... Dankend nemen we afscheid van den vriendelijken gebuur die
zich toen voorstelde: mijnheer X, ingenieur te V. Zeer aangenaam en
tot later... Tot later, klonk het hartelijk.
En wij aan 't sporen om op tijd nog ginder aan het tramstation te zijn;
blij gemoed, want we hadden zien vliegen en we wisten hoe het ging.