|
Thans vind ik eerst den tijd om u wat nieuws uit mijn nieuw
verblijf te melden. 'k Zal u in het kort verhalen hoe ik
I-Chang verliet, hoe ik naar Ching-chow-fou reisde, op
wat manier ik hier ben ontvangen, en hoe ik hier in mijne nieuwe
woonplaats leven moet, 't zal u tevens van naderbij doen kennen
wat het leven van eenen missionaris is, in het verre
China!
De dag brak aan waarop Monseigneur met pater sekretaris uit
Hankow wederkeerden... en kort daarop pakte ik klikken en
klakken bijeen, om naar Ching-chow-fou te vertrekken. Verhuizen
is altijd een lastig boeltje, zelfs in België staan u daar nog
de verhuiswagens en den ijzerenweg ten dienste! Maar in
China is dat wat anders! Alles wordt in kleine vierkante kistjes
gedaan van 40 kilogr zwaar; een man draagt er twee aan een
langen bamboustok over de schouders, bij vorm van balans, zoodat
hij 40 kilogr al voren en even veel al achter te dragen heeft...
't Was een geheele processie dragers, geloof mij, en die gasten
zijn eigenaardige kerels; gedurig zingen zij, op maat, terwijl
zij trippelen, met hunnen last op den rug! Achteraan kwam ik in
eenen draagstoel... chineesche zonhoed op het hoofd... en, lach
er niet mede, een waaier in de hand!
Ach, die waaier, dat is voor den chineesch een onmisbaar
zomermeubel, dat hem nooit verlaat, zelfs des nachts niet in
zijn bed. Zonder waaier over de straat passeeren ware in China
eene grove fout tegen de landelijke gebruiken; meer dan eens heb
ik er mede gelachen, wanneer ik een doodarmen bedelaar zag, die
zelfs de allernoodzakelijkste kleederen ontbrak... maar toch een
waaier in zijne handen hield, even als bij ons, de Europeesche
juffertjes op de boulevards onzer groote steden! Nu, die waaier
komt hier fel te pas! De warmte is hier zoo vreselijk en
brandend, dat ge waarlijk lijdt bij gebrek aan de minste koelte.
In den zomer staat de zon al van af tien uren 's morgens tot
drij uren 's middags loodrecht boven ons vikariaat.
Onmogelijk er buiten te komen en in den lommer kan men nog
slechts ternauwernood adem scheppen.
Zoo kwamen wij aan bij den oever van den Blauwen Stroom waar wij
een Chineesch bootje namen, om tot
Sha-si te varen. Ik zeg, wij namen een “chineeschen
boot”. Oh! Die chineesche booten dat is de moeite waard om te
zien! 't Is een eenvoudig schuitje, eens zoo groot als een
brabantsche achterboot. Een huive is er boven op getimmerd,
in bamboumatten, om u .n weinig tegen regen en wind te
beschutten. Onder die huive is het zoo eng en zoo klein dat ge u
onmogelijk kunt rechten... te meer, 'k zat daar niet alleen te
zweeten in de brandende hitte. Twee geleiders, christenen van
Ching-chow-fou, zaten aan mijne zijde onder die mat
verborgen. De reis te water zou twee dagen en twee nachten
duren. Dus moest men zorgen voor keuken en logement voor zeven
man. De schipper, twee roeiers, drij knechten en ik.
Op klokslag acht uur staken wij van wal nadat ik om zoo te
spreken sluipsgewijze 't weezenhuis en 't hospitaal van
I-Chang had verlaten. Ik zou den moed niet gehad hebben de
kinderen en mijne lieve zieken vaarwel te zeggen. Ja, wat kunt
ge er aan doen? Ik zag ze allen zoo gaarne en 't is toch ook
mijne schuld niet dat er binnen in mij een hert klopt dat de
arme chineeskens dood geerne ziet, net als waren het mijne
broeders.
Pas hadden wij drij kilometers weg afgelegd, of wij vaarden
voorbij het weezenhuis en hospitaal waar ik de acht eerste
maanden van mijn chineesch leven had doorgebracht, in vreugde en
in God's zegen! Ik stak het hoofd nog maar eens naar buiten, om
dat lievelingsverblijf nog eens te aanschouwen, maar kijk! Daar
stonden al de weeskinderen op den dijk, om van verre hunne Vader
te groeten! Ik had een Belgisch vaantje bij me en ik zwierde het
boven het hoofd tot zoolang ik in de verre verte de kleine
lievelingen kon zien. Het bootje keert den eersten berg om, en
Adieu I-Chang! God weet tot wanneer!!..
't Werd middag en nu aan tafel! Voor een middagmaal maakt een
Chineesch niet veel complimenten... Een klein vuurke, rijst en
water, 't is al wat hij nodig heeft. Goddank, ik had nog wat
Liebig en wat sardienen over, om den flauwen smaak van dien
rijst te verbeteren. Ge zoudt dan die Chineezen eens aan 't werk
moeten zien!
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
De groote pot dampende rijst staat te midden van
het bootje, en met zijn zessen zitten zij er rond, ieder heeft
eene tas in handen, alsook twee stokjes... 't Is al wat ze
noodig hebben!
Daar beginnen de groote manoeuvers! De stokjes, welke zij zoo
handig weten te handhaven, vliegen van den mond naar de tas,
van de tas naar den mond... en geen graantje rijst valt er
verloren! En eten, eten, eten! Juist alsof ze in een jaar niet
het minste voedsel noch gezien noch geroken hebben. Ik voor
mij, ik kan ternauwernood een tas rijst binnenkrijgen! Een der
roeiers speelde zonder kijken of pinken gladweg negen groote
tassen binnen en dan keek hij eerst eens door de hoeken zijner
kleine oogen of er niets meer te pikken was!
Verders drijft de boot met het geweld van 't water mede... Breed
is de stroom en ternauwernood kunt gij de kleine Chineesche
hutjes zien, die ginder verre boven den dijk hunne puntachtige
daken vertoonen. 't Werd avond... 't Werd donker... Ik beval dan
aan de knechten ieder op toer te waken en goed te zien of de
boot nergens tegenbotste. Na een licht avondmaal, even karig als
het middageten, spreidde ik eene kleine reismatras op mijne
kisten open en 'k poogde te slapen, kijkend naar de sterren die
hoog in het donker van den hemel boven mij, ten alle kanten
stonden te glimmen.
Rond elf uren werd ik wakker, als had mijn
engelbewaarder mij doen ontwaken. Ik keek, en op een honderdtal
meters zag ik, vlak voor ons, de roode en groen signaallichten
van den naderenden postboot, die in volle stoom de wateren van
den stroom omploegde. 'k Riep moord en brand, want de Chineezen
lagen alle zes te slapen lijk Turken en deze die het opgelegde
wachtuur had, werd maar wakker wanneer de postboot fluitend en
spattend van schuim, twintig stappen nevens ons voorbijstoomde.
Onnodig te zeggen dat ik ze alle zes eene farmeuze opdondering
gaf! Maar 't was dan toch te laat, en 'k had hun schoon te
zeggen dat over eene maand bisschop Perez en twee missionarissen
op dezelfde wijze door een postboot in den grond gevaren waren!
Zij zegden heel koelbloedig, terwijl zij den wegvarenden
stoomboot nakeken: “Pater, maak u niet ongerust; kijk, ginder
vaart hij, hij is al weg... 't is geen erg geweest...” Och! Die
rare Chineezen toch!
En zoo dreven we twee dagen en twee nachten stroomafwaarts
totdat eindelijk de stad Sha-shi aan den gezichtseinder
opdaagde. De prachtigste landschappen had ik gezien, hooge
rotsen en bergen bewonderd, en nu wordt het land zoo plat als
ons lief Vlaanderen, met zijne weiden vol groen, met zijne
bosschen vol vogelen. Te Sha-shi nemen we links de kleine
rivier, wat breeder als de Nethe te Lier en nadat wij met
onze Ark van Noë twee maal in het zand waren vastgevaren,
geraakten wij rond 5 uren 's avonds te Ju-ti-ko, de
voorstad van Ching-chow-fou.
De kristenen stonden op wacht, naar hunnen nieuwen priester, die
altijd met plechtigheid bij hen ontvangen wordt! Een Pater
ontvangen is hier zoiets lijk in Vlaanderen een burgemeester
inhalen, met dit verschil dat de Chineezen hunnen eerbied te
kennen geven door oorverdoovend geruisch, van ketellawaai,
kanongeschot en wat weet ik nog al! Een dove zou er razend van
worden! 't Is bij hen 'lijk het liedje luidt:
Courage, de maat van vier,
De kunst op zijde geschoven.
Hoe meer lawaai, hoe meer plezier,
De vreugd gaat kunst te boven.
En stoetsgewijs trokken wij naar Ching-chow-fou. Al de christene
moeders met hun kinderen stonden buiten aan hunne deur te
kijken, en als zij het naderende muziek hoorden komen, oh! dan
was het een leven, men kan niet meer.
Kiekens, katten, honden, alles vloog van schrik de huizen binnen
en ik moest peerdegeweld gebruiken om mijn serieus gezicht op te
zetten. In de pastorij gekomen ―een huis gelijk een groote
peerdestal― komen al de christenen u groeten en uw zegen
vragen; zij knielen neer, slaan drij maal met het hoofd tegen de
grond, staan weer op, en met hunne twee vuisten samengeprangd
maken zij eene diepe buiging, en brengen hunne vuisten vanaf den
neus tot tegen de teenen! Dat noemen zij in hunne taal i-ko! i-ko! to! Gode zij dank, dat ik die ceremonie niet moet
wedergeven, 'k ware er zeker onder bezweken!
Ik ben hier nu, als hulppriester bij een braven en vurigen
missionaris die Ching-chow-fou met zijn groote buitendistrict
onmogelijk alleen kan bedienen; ik ben aalmoezenier
tegelijkertijd in de Kindsheid, door zeven Chineesche zusters
bestuurd, en mag op den koop toe een district rondloopen, zoo
groot als gansch de provincie Antwerpen.
|