Vorige: Brief uit China (3).   Omhoog: Het Verre Oosten.   Volgende: In het land van den dagenden Oost.
Inhoudsopgave   Index


Brief uit China (4).

Ching-chow-fou

Gepubliceerd op 27 januari 1912

OvergaveVanHetVaandel Thans vind ik eerst den tijd om u wat nieuws uit mijn nieuw verblijf te melden. 'k Zal u in het kort verhalen hoe ik I-Chang verliet, hoe ik naar Ching-chow-fou reisde, op wat manier ik hier ben ontvangen, en hoe ik hier in mijne nieuwe woonplaats leven moet, 't zal u tevens van naderbij doen kennen wat het leven van eenen missionaris is, in het verre China!

De dag brak aan waarop Monseigneur met pater sekretaris uit Hankow wederkeerden... en kort daarop pakte ik klikken en klakken bijeen, om naar Ching-chow-fou te vertrekken. Verhuizen is altijd een lastig boeltje, zelfs in België staan u daar nog de verhuiswagens en den ijzerenweg ten dienste! Maar in China is dat wat anders! Alles wordt in kleine vierkante kistjes gedaan van 40 kilogr zwaar; een man draagt er twee aan een langen bamboustok over de schouders, bij vorm van balans, zoodat hij 40 kilogr al voren en even veel al achter te dragen heeft... 't Was een geheele processie dragers, geloof mij, en die gasten zijn eigenaardige kerels; gedurig zingen zij, op maat, terwijl zij trippelen, met hunnen last op den rug! Achteraan kwam ik in eenen draagstoel... chineesche zonhoed op het hoofd... en, lach er niet mede, een waaier in de hand!
Ach, die waaier, dat is voor den chineesch een onmisbaar zomermeubel, dat hem nooit verlaat, zelfs des nachts niet in zijn bed. Zonder waaier over de straat passeeren ware in China eene grove fout tegen de landelijke gebruiken; meer dan eens heb ik er mede gelachen, wanneer ik een doodarmen bedelaar zag, die zelfs de allernoodzakelijkste kleederen ontbrak... maar toch een waaier in zijne handen hield, even als bij ons, de Europeesche juffertjes op de boulevards onzer groote steden! Nu, die waaier komt hier fel te pas! De warmte is hier zoo vreselijk en brandend, dat ge waarlijk lijdt bij gebrek aan de minste koelte. In den zomer staat de zon al van af tien uren 's morgens tot drij uren 's middags loodrecht boven ons vikariaat. Onmogelijk er buiten te komen en in den lommer kan men nog slechts ternauwernood adem scheppen.

ChineescheBoot Zoo kwamen wij aan bij den oever van den Blauwen Stroom waar wij een Chineesch bootje namen, om tot Sha-si te varen. Ik zeg, wij namen een “chineeschen boot”. Oh! Die chineesche booten dat is de moeite waard om te zien! 't Is een eenvoudig schuitje, eens zoo groot als een brabantsche achterboot. Een huive is er boven op getimmerd, in bamboumatten, om u .n weinig tegen regen en wind te beschutten. Onder die huive is het zoo eng en zoo klein dat ge u onmogelijk kunt rechten... te meer, 'k zat daar niet alleen te zweeten in de brandende hitte. Twee geleiders, christenen van Ching-chow-fou, zaten aan mijne zijde onder die mat verborgen. De reis te water zou twee dagen en twee nachten duren. Dus moest men zorgen voor keuken en logement voor zeven man. De schipper, twee roeiers, drij knechten en ik.
Op klokslag acht uur staken wij van wal nadat ik om zoo te spreken sluipsgewijze 't weezenhuis en 't hospitaal van I-Chang had verlaten. Ik zou den moed niet gehad hebben de kinderen en mijne lieve zieken vaarwel te zeggen. Ja, wat kunt ge er aan doen? Ik zag ze allen zoo gaarne en 't is toch ook mijne schuld niet dat er binnen in mij een hert klopt dat de arme chineeskens dood geerne ziet, net als waren het mijne broeders.
Pas hadden wij drij kilometers weg afgelegd, of wij vaarden voorbij het weezenhuis en hospitaal waar ik de acht eerste maanden van mijn chineesch leven had doorgebracht, in vreugde en in God's zegen! Ik stak het hoofd nog maar eens naar buiten, om dat lievelingsverblijf nog eens te aanschouwen, maar kijk! Daar stonden al de weeskinderen op den dijk, om van verre hunne Vader te groeten! Ik had een Belgisch vaantje bij me en ik zwierde het boven het hoofd tot zoolang ik in de verre verte de kleine lievelingen kon zien. Het bootje keert den eersten berg om, en Adieu I-Chang! God weet tot wanneer!!..

HogeChineescheWaardigheidsbekleeders

't Werd middag en nu aan tafel! Voor een middagmaal maakt een Chineesch niet veel complimenten... Een klein vuurke, rijst en water, 't is al wat hij nodig heeft. Goddank, ik had nog wat Liebig en wat sardienen over, om den flauwen smaak van dien rijst te verbeteren. Ge zoudt dan die Chineezen eens aan 't werk moeten zien!

(Naar het begin van de volgende kolom)

  De groote pot dampende rijst staat te midden van het bootje, en met zijn zessen zitten zij er rond, ieder heeft eene tas in handen, alsook twee stokjes... 't Is al wat ze noodig hebben!
Daar beginnen de groote manoeuvers! De stokjes, welke zij zoo handig weten te handhaven, vliegen van den mond naar de tas, van de tas naar den mond... en geen graantje rijst valt er verloren! En eten, eten, eten! Juist alsof ze in een jaar niet het minste voedsel noch gezien noch geroken hebben. Ik voor mij, ik kan ternauwernood een tas rijst binnenkrijgen! Een der roeiers speelde zonder kijken of pinken gladweg negen groote tassen binnen en dan keek hij eerst eens door de hoeken zijner kleine oogen of er niets meer te pikken was!

Verders drijft de boot met het geweld van 't water mede... Breed is de stroom en ternauwernood kunt gij de kleine Chineesche hutjes zien, die ginder verre boven den dijk hunne puntachtige daken vertoonen. 't Werd avond... 't Werd donker... Ik beval dan aan de knechten ieder op toer te waken en goed te zien of de boot nergens tegenbotste. Na een licht avondmaal, even karig als het middageten, spreidde ik eene kleine reismatras op mijne kisten open en 'k poogde te slapen, kijkend naar de sterren die hoog in het donker van den hemel boven mij, ten alle kanten stonden te glimmen.
EenBegrafenisInDeBergen Rond elf uren werd ik wakker, als had mijn engelbewaarder mij doen ontwaken. Ik keek, en op een honderdtal meters zag ik, vlak voor ons, de roode en groen signaallichten van den naderenden postboot, die in volle stoom de wateren van den stroom omploegde. 'k Riep moord en brand, want de Chineezen lagen alle zes te slapen lijk Turken en deze die het opgelegde wachtuur had, werd maar wakker wanneer de postboot fluitend en spattend van schuim, twintig stappen nevens ons voorbijstoomde. Onnodig te zeggen dat ik ze alle zes eene farmeuze opdondering gaf! Maar 't was dan toch te laat, en 'k had hun schoon te zeggen dat over eene maand bisschop Perez en twee missionarissen op dezelfde wijze door een postboot in den grond gevaren waren! Zij zegden heel koelbloedig, terwijl zij den wegvarenden stoomboot nakeken: “Pater, maak u niet ongerust; kijk, ginder vaart hij, hij is al weg... 't is geen erg geweest...” Och! Die rare Chineezen toch!

En zoo dreven we twee dagen en twee nachten stroomafwaarts totdat eindelijk de stad Sha-shi aan den gezichtseinder opdaagde. De prachtigste landschappen had ik gezien, hooge rotsen en bergen bewonderd, en nu wordt het land zoo plat als ons lief Vlaanderen, met zijne weiden vol groen, met zijne bosschen vol vogelen. Te Sha-shi nemen we links de kleine rivier, wat breeder als de Nethe te Lier en nadat wij met onze Ark van Noë twee maal in het zand waren vastgevaren, geraakten wij rond 5 uren 's avonds te Ju-ti-ko, de voorstad van Ching-chow-fou.
De kristenen stonden op wacht, naar hunnen nieuwen priester, die altijd met plechtigheid bij hen ontvangen wordt! Een Pater ontvangen is hier zoiets lijk in Vlaanderen een burgemeester inhalen, met dit verschil dat de Chineezen hunnen eerbied te kennen geven door oorverdoovend geruisch, van ketellawaai, kanongeschot en wat weet ik nog al! Een dove zou er razend van worden! 't Is bij hen 'lijk het liedje luidt:


Courage, de maat van vier,
De kunst op zijde geschoven.
Hoe meer lawaai, hoe meer plezier,
De vreugd gaat kunst te boven.

En stoetsgewijs trokken wij naar Ching-chow-fou. Al de christene moeders met hun kinderen stonden buiten aan hunne deur te kijken, en als zij het naderende muziek hoorden komen, oh! dan was het een leven, men kan niet meer.
Kiekens, katten, honden, alles vloog van schrik de huizen binnen en ik moest peerdegeweld gebruiken om mijn serieus gezicht op te zetten. In de pastorij gekomen ―een huis gelijk een groote peerdestal― komen al de christenen u groeten en uw zegen vragen; zij knielen neer, slaan drij maal met het hoofd tegen de grond, staan weer op, en met hunne twee vuisten samengeprangd maken zij eene diepe buiging, en brengen hunne vuisten vanaf den neus tot tegen de teenen! Dat noemen zij in hunne taal i-ko! i-ko! to! Gode zij dank, dat ik die ceremonie niet moet wedergeven, 'k ware er zeker onder bezweken!

Ik ben hier nu, als hulppriester bij een braven en vurigen missionaris die Ching-chow-fou met zijn groote buitendistrict onmogelijk alleen kan bedienen; ik ben aalmoezenier tegelijkertijd in de Kindsheid, door zeven Chineesche zusters bestuurd, en mag op den koop toe een district rondloopen, zoo groot als gansch de provincie Antwerpen.



Vorige: Brief uit China (3).   Omhoog: Het Verre Oosten.   Volgende: In het land van den dagenden Oost.
Inhoudsopgave Index

Valid HTML 4.01 Transitional

Pros Robaer - 2009